Juni-aug. 2010, 5e jg. nr.3. Eindredactie: Rob den Boer. Postbus 268, 4100 AG Culemborg. E-mail: redactie.bkj@hetnet.nl.
 
VOORKANT BERICHTEN ACTUEEL OPINIE BOEKEN AGENDA COLOFON  
Voorpagina
artikel
tentoonstellingen
in het kort
over kunst en kunstenaars meningen
en columns
artikelen
over boeken
actuele
exposities
Het Beeldende Kunstjournaal  
 

Actueel

Bezield, 'Getekende gezichten' van Henk Chabot
Openingslezing van de tentoonstelling 'Getekende gezichten' van Henk Chabot.

Toen de conservator van het Chabotmuseum in Rotterdam, Jisca Bijlsma, mij enkele maanden geleden uitnodigde om de openingslezing van de tentoonstelling 'Getekende gezichten' van Henk Chabot te verzorgen, deed ze dat op grond van een vermoeden. Haar vermoeden was wellicht aangewakkerd door lezing van mijn boek 'Stil de tijd', waarin ik onder meer een essay over het begrip 'tijdloos' in het werk van Mark Rothko opnam en dat verder een tijdsdimensie onderzoekt die van een geheel andere orde is dan de kloktijd waarmee wij dagelijks omringd worden. Zij vermoedde waarschijnlijk dat, zowel dit tijdloze als die andere, verstilde tijd, ook een rol hebben gespeeld in het werk van Henk Chabot (1894-1949), en nodigde mij daarom uit deze lezing te komen geven.

Door Joke J. Hermsen

Hoewel ik wist dat deze Rotterdamse schilder een goede vriend was van Charley Toorop, was ik nog weinig vertrouwd met het werk van de kunstenaar, die vanaf de jaren twintig aansluiting zocht én vond bij het expressionisme. Thans wordt Chabot als één van de belangrijkste expressionistische schilders van Nederland gezien. Zijn werk vertoont verwantschap met dat van Charley Toorop, maar bijvoorbeeld ook met dat van de Vlaamse 'boerenschilder' Constant Permeke en met de Duitse expressionist Kirchner. Ik kreeg van Jisca Bijlsma een aantal boeken over Chabot opgestuurd, verrichtte zelf wat onderzoek en raakte gaandeweg steeds enthousiaster over en vooral ook nieuwsgieriger naar zijn schilderijen.

Toen ik Chabots werk vorige week eindelijk in het echt aanschouwde, werden zowel Bijlsma’s vermoeden als mijn enthousiasme bevestigd. Ik was niet alleen onder de indruk van het schildermatige, en dan vooral het indringende kleur- en verfgebruik, maar was vooral ook geraakt door de intensiteit van Chabots schilderijen en

 
Henk Chabot, Twee vrouwen (moeder en dochter), 1945, olieverf op doek, Chabot Museum Rotterdam.

ontroerd door de poging het tragische lot waaraan zovelen tijdens de oorlog niet konden ontkomen, te tonen. In het kader van het 65e herdenkingsjaar, laat het museum met name Chabots werken uit de oorlog zien, waarbij thema’s als vlucht, vrijheid en vrede een belangrijke rol spelen. Bovenal was ik echter gefascineerd door zijn poging iets van het innerlijke gemoed van zijn figuren op de doeken te evoceren. Ik zeg bewust evoceren en niet vastleggen, omdat hetgeen de getekende gezichten en dan vooral de blikken in de ogen uitdrukken, nog niet zo gemakkelijk te verwoorden valt of in een categorie of definitie vast te leggen is. Hoewel de doeken ons raken, kunnen wij niet precies verwoorden waarom. Hetgeen Chabot wilde uitdrukken, onttrekt zich of trekt zich letterlijk terug, zodra wij er woorden voor proberen te zoeken.

Wat houdt zich eigenlijk zo woordloos schuil achter de getekende gezichten van Chabot? Waarom hapert onze interpretatie? Wat is het op deze doeken dat als het ware zand strooit in de decoderingsmachine die wij doorgaans zo eenvoudig bedienen? Misschien dat een citaat van de met Henk Chabot bevriende schilderes Charley Toorop alvast enig licht op de kwestie kan werpen. 'Is de natuurlijke verschijning de werkelijkheid,' vroeg ze zich in 1917 af, 'of is aan haar vorm alleen te betasten het meest onwerkelijke dat voor ons verschijnt? Dit onwerkelijke, wat het meest werkelijke is.' Wat zou dat onwerkelijke kunnen zijn, dat niettemin het meest werkelijk is?

Verstilde of innerlijke tijd

Teneinde een antwoord op die vraag te vinden, wil ik u nu eerst mee terugvoeren naar mijn boek over de tijd. In 'Stil de tijd' staat het gedachtegoed van de Franse filosoof, wiskundige en Nobelprijswinnaar Henri Bergson centraal, die een kleine eeuw geleden met een volstrekt origineel en alternatief tijddenken op de proppen kwam. Hij deed dat uit ongenoegen over het tijdsbegrip dat binnen de natuurkunde en positivistische wetenschap gehanteerd werd, namelijk de neutrale en statische tijd van Newton, die als een gigantische metronoom in het universum de minuten even geleidelijk als gelijksoortig voor ons wegtikt.

Deze kloktijd, zoals ik hem voor het gemak maar even zal noemen, heeft volgens Bergson echter niet veel met onze ervaring van tijd te maken. Wij ervaren de tijd immers zelden als een gestaag wegtikken van volstrekt eendere minuten of uren, die van dag tot dag nooit verschillen, maar wij ervaren een uur soms als iets dat heel kort of soms als heel lang kan duren. Ook elk nieuw uur is volgens Bergson nooit gelijk aan een vorig uur, omdat in het nieuwe uur de ervaring van de voorgaande uren is opgenomen, als een 'in het heden aanzwellend verleden'. De tijd als duur, zoals hij zijn alternatieve tijdconcept noemde, is kortom niet statisch noch monotoon van aard, maar dynamisch en heterogeen én de tijdmomenten zijn niet van elkaar gescheiden, zoals de ene minuut van de andere, maar zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Bergson hernam hiermee een gedachte van de oude Grieken, die ervan uitgingen dat de tijd twee gezichten heeft. Aan de ene kant is er de Kronos, waarvan ons woord 'chronologie' is afgeleid, de meetbare of kwantificeerbare tijd waarmee wij de wereld inrichten, afspraken maken, onze agenda's vullen, kortom een sociale tijd, waarmee ook het verloop van tijd, het later of ouder worden, gemeten kan worden. Maar de tijd heeft ook nog een ander gezicht, dat de Grieken Kairos noemden. Dit is geen kwantificeerbare, maar een kwalitatieve tijd, die geen universele afspraken noch een lineaire structuur kent, niet van buitenaf wordt opgelegd, maar vanuit het innerlijk wordt ervaren. Soms wordt de Kairos als een transgressie, een overschrijding van de Kronos geïnterpreteerd, soms ook als een intermezzo op de Kronos en soms als een tijdloze, eeuwige en onvergankelijke tijd.

Deze innerlijk ervaren tijd is moeilijk beschrijfbaar, omdat hij zich aan het meten in vastgestelde eenheden onttrekt. Waar het de Grieken en later ook Bergson om ging, was dat er een zeker evenwicht tussen beide tijden moest bestaan, een evenwicht dus tussen de kloktijd die de wereld regeert en die andere tijd, die voor de Grieken zelfs een voorwaarde voor het denken was. Plato schreef dat rust en nietsdoen de voorwaarden voor het denken waren, omdat we alleen dan die andere tijd kunnen ervaren, waarin de bron van onze creativiteit schuilt, zoals we later nog zullen zien.

Bergson voegde daar nog aan toe dat de innerlijke 'tijd als duur' tevens onze vrijheid bepaalt, omdat we dan voor even niet uitgeleverd worden aan de sociale, politieke en natuurwetten die binnen de wereld heersen. Ervaren wordt die innerlijke tijd echter alleen als we ons leven 'af en toe op zijn beloop laten', zoals hij schreef, als we dus niet op handelen, op actie of doelmatigheid zijn gericht, maar ons overgeven aan ontspannende of rustgevende ervaringen als mijmeren, luieren, kuieren, mediteren, wandelen, naar muziek luisteren, een boek lezen of op een volstrekt belangeloze wijze naar kunst kijken.

Die andere tijd is geen tijd die ons van buitenaf wordt opgelegd, maar in tegendeel een tijd die van binnenuit opwelt en verbonden is aan een ander aspect van onze individualiteit, waaraan hij de naam 'moi profond' gaf. Dit diepere zelf is niet kenbaar of meetbaar en in die zin 'onwerkelijk', omdat het zich onttrekt aan ons talige en rationele bewustzijn. Omdat ik vermoed dat wij bij het aanschouwen van bepaalde kunst zoals de werken van Henk Chabot een glimp opvangen van dat 'onwerkelijke wat juist heel werkelijk is', om Toorop nog maar eens te citeren, wil ik daar nog graag iets meer over zeggen.

Tweestemmige mens

Het 'diepere zelf' onttrekt zich weliswaar aan elke representatie in beeld of taal, maar is wel datgene wat ons als zelf bijeenhoudt, omdat het tevens onze meest particuliere geschiedenis bevat. Het herbergt volgens Bergson al onze indrukken, sensaties, ervaringen die we tijdens ons leven hebben opgedaan ook al zijn we ons daarvan niet bewust. Het bevat kortom al onze vergeten herinneringen en is daarmee het meest unieke verhaal over ons zelf.

Ook al kunnen we het niet bewust oproepen, het sluimert als het ware onder ons bewustzijn, als een even onzegbare als onuitputtelijke bron. Het is tevens de bron waar de kunstenaar uit put, als hij in staat is ontvankelijk te zijn voor de tijd als duur, waarin dat zelf ligt ingebed. Alleen dan zal hij ook in staat zijn een eigen signatuur aan zijn werk te verlenen, want hij is gevoed door de duistere geschiedenis van zijn unieke zelf. Zonder deze inspiratiebron zou hij zich zelfs niet van anderen kunnen onderscheiden. Maar tevens, en dat is het wonderbaarlijke, juist omdat dit zelf door het woordloze, het nog niet op begrip gebrachte getypeerd wordt, raakt het juist ook weer aan iets universeels, dat wij als toeschouwer kunnen herkennen en waarmee we ons verbonden kunnen voelen. Het herinnert ons enerzijds aan ons eigen duistere zelf, het doet als het ware een appel op onze eigen verscholen innerlijkheid, maar laat anderzijds een verwantschap met alle anderen voelen.

Niet alleen als we kunst zien, horen of lezen raken we op dat 'diepere zelf' betrokken, ook als wij ons in ontspannen toestand bevinden, als we ons druk handelende ik even laten voor wat het is en rust nemen, een pas op de plaats maken, niets doen en afwachten, kunnen wij die verhouding tot ons zelf én de innerlijk ervaren tijd herstellen, waar we doorgaans zo vervreemd van zijn geraakt. Deze kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een 'mémoire involontaire', een niet bewust opgeroepen maar ons spontaan invallende herinnering, die plotseling uit die bron van het zelf losschiet. U weet wel de herinnering die Proust in zijn epos 'Op zoek naar de verloren tijd' probeerde te verklaren.

De herinnering die dankzij het dopen van een madeleine in de lindebloesemthee wordt losgeweekt en waarvan hij in de laatste delen van zijn roman niet alleen de genotvolle en soms ook angstwekkende, maar vooral ook de inspirerende, want geest en zielsverruimende ervaring, beschrijft. Proust was de zwager van Bergson en zijn romancyclus zou je wel als een literaire verwerking van het gedachtegoed van Bergson kunnen lezen.

Het beeld dat uit beider werk ontstaat, heeft wel iets weg van een tweestemmige mens. Aan de ene kant is de mens een individueel, rationeel, bewust en talig wezen, dat binnen het regime van de kloktijd opereert, doelen nastreeft, status verwerft en ambities najaagt en aan de andere kant is de mens een dieper gelegen 'zelf', dat enerzijds gevormd wordt door het heel specifieke van zijn 'vergeten' herinneringen, maar anderzijds juist vanwege het woordloze, het nog niet verwoordde van deze geschiedenis verbonden is met alle anderen.

Ook zijn deze twee stemmen, als het goed, is, voortdurend op elkaar betrokken. De een vormt als het ware de inspiratiebron voor de ander. De handelende ik komt met andere woorden alleen vooruit, als het zich vanuit het zelf weet te vernieuwen. Het is dankzij de inspiratie van dit zelf dat wij kunnen veranderen, iets nieuws kunnen verzinnen en dus wezens in wording blijven. Waar de taal, de ratio, de representatie en de kloktijd vanwege hun noodzakelijk abstracte en algemene karakter ons wegvoeren van de ervaring van dit zelf en ons daarom in zekere zin doen verstarren, kan de intuïtie voor de innerlijke tijd ons juist weer daarnaar terugvoeren. Dat het echter niet meevalt onze intuïtie daarvoor te ontwikkelen, komt omdat we ons steeds meer door onze rationele en abstraherende vermogens enerzijds en anderzijds door de kloktijd hebben laten leiden. We leven volgens Bergson kortom steeds meer buiten dan in onszelf: 'De ogenblikken waarop we onszelf hervinden, zijn zeldzaam; we leven meestal aan de buitenzijde van onszelf en merken van ons andere ik alleen de verbleekte schim, een schaduw die de tijd als duur werpt op de gelijkdelige ruime. We leven meer voor de wereld buiten ons dan voor onszelf; we worden gehandeld meer dan dat we zelf handelen. (…) Vrij handelen, dat is opnieuw bezit van zichzelf nemen, zich terugbegeven in de zuivere duur.'

Geen tijd hebben

Inmiddels, een kleine tachtig jaar later, zijn de momenten waarop we dit 'zelf' hervinden nog zeldzamer geworden, omdat wij ons gaandeweg de twintigste eeuw steeds meer aan het eenzijdige bewind van de klok onderworpen hebben en ook de druk op onze tijd, op onze agenda's steeds meer is opgevoerd. Ook vindt onze geest nauwelijks meer rust in onze vrije tijd, omdat de moderne media en communicatiemiddelen onze hersens vrijwel permanent aan het werk houden. De vele beelden die ons via de televisie en computerschermen bereiken moeten door onze hersens gedecodeerd worden, waardoor zij, zoals neurologen beweren, te weinig hersteltijd hebben en voortdurend tegen de overspanning aanzitten.

De waardering voor rust en nietsdoen is in onze samenleving zo gering geworden, dat we ons er nauwelijks meer aan durven overgeven. Wat ik in 'Stil de tijd' probeer duidelijk te maken, is dat dit niet zonder gevolgen kan blijven voor de manier waarop we tegen onszelf en de wereld aan kijken. De wet die het regime van de kloktijd in steeds grotere mate aanstuurt, is die van het economische rendement: tijd is geld geworden. Tijd is daarom ook het schaarsteproduct bij uitstek, iets waarvan we steeds minder lijken te hebben, ondanks alle tijdbesparende machines die we de afgelopen eeuw uitgevonden hebben.

Geen tijd of te weinig tijd hebben, is bijna een levensmotto voor de westerse mens geworden. Dit idee is ons van buitenaf opgelegd, maar desalniettemin geloven we er zo sterk in, dat we vergeten zijn dat we niet alleen tijd hebben – of meestal denken niet te hebben – maar ook tijd zijn, zoals Bergson aantoonde. Het gevolg hiervan is dat onze innerlijke ervaring van tijd naar de achtergrond is verdreven, waardoor we niet alleen vervreemd zijn geraakt van ons 'dieper gelegen zelf', maar ook de inspirerende bron van creativiteit die daaraan verbonden is ten dele hebben afgesloten.

Dit dreigt, zoals Bergson dat zeventig jaar geleden al voorspelde, van ons een 'automaton' mens te maken, die louter nog reageert op prikkels van buitenaf, die cynisch en onverschillig is geworden ten aanzien van zichzelf én van de wereld en zich voornamelijk nog wijdt aan het verdedigen van zijn eigen belang en het vermeerden van zijn eigen vermogen. Een mechanische, geautomatiseerde massamens, die nauwelijks van anderen kan of wil verschillen, omdat hij geen toegang meer vindt tot zijn zelf, dat zijn hoogst eigen geschiedenis bevat.

Behalve meer rust nemen en bij tijd en wijle uit de ratrace van de economische tijd durven stappen, zijn juist de kunst, de muziek en de literatuur in staat ons ontvankelijk te maken, dat wil zeggen onze intuïtie aan te wakkeren voor die andere tijd. Volgens Proust zij deze zelfs bij uitstek in staat de ervaring van de tijd als duur te verbeelden, omdat ze 'het werk dat door ons abstract denkende brein is verricht' afbreken en 'een gang in tegenovergestelde richting' volgen, die 'de terugweg naar de diepte is waar ongekend ligt wat werkelijk heeft bestaan' (idem, p. 40).

We herinneren ons de woorden van Charley Toorop, 'het onwerkelijke', want ongekende, 'dat juist het werkelijke zou zijn'. Het zijn volgens Proust letterlijk momenten van vrijheid, van waaruit we tot een 'verruiming' van onze geest kunnen komen. Bergson zou zeggen dat op deze momenten de tijd als duur door de 'korst van mechanische handelingen' heen is gebroken en ons de vrijheid biedt de werkelijkheid en onszelf met nieuwe ogen te zien. Want geen ogenblik is hetzelfde, omdat de tijd als duur onophoudelijk aangroeit en verandert. Door dit voortdurend aanzwellende verleden kan de mens op geen enkel moment voorgoed bepaald of vastgelegd worden en ook dat maakt zijn 'mens-zijn' uit, doet hem met andere woorden van het ding verschillen, dat altijd hetzelfde ding blijft: 'a rose is rose is a rose', hetgeen nu juist niet van de mens gezegd kan worden.

Persona

Kees Vollemans heeft in zijn tekst 'De maskers' (2004) gewezen op het persona of maskerachtige voorkomen van Chabots geportretteerde, menselijke figuren. Hij schrijft dat hij hiermee 'de genius van een soort oproept, zonder op enige wijze illustratief te zijn.'

De vraag is nu hoe dit 'genius' begrepen moet worden. Mijn vermoeden is dat dit te maken heeft met wat ik hierboven met Bergson het moi profond heb genoemd, maar waarvoor we misschien ook een ander, veel ouderwetser woord kunnen gebruiken, dat niettemin dezer dagen aan een ware comeback bezig is, namelijk 'de ziel'.

Hoewel de ziel door de wetenschap reeds lange tijd geleden ten grave is gedragen, leeft zij toch onverminderd voort in ons taalgebruik, namelijk in woorden en uitdrukkingen als 'bezield', 'zielloos' en 'je hebt me op mijn ziel getrapt'. Reden temeer voor de Leidse filosoof Gerard Visser om onlangs aan de ziel het filosofische essay 'Niets cadeau' (2009) te wijden. Filosofie kan volgens hem gezien worden als de ontsluiering van het raadsel van de individualiteit en kan derhalve eigenlijk niet om de ziel heen, omdat 'onze individualiteit niet alleen bepaald wordt door een gericht zijn op de buitenwereld, maar ook gedreven wordt door een beweging naar binnen'. De ziel is, evenals het moi profond van Bergson, echter geen meetbare of determineerbare substantie. Het is volgens Visser eerder 'een resonantieruimte' die antwoord kan bieden op de vraag 'wie ben ik?' of 'wat houdt mij als zelf bijeen?'

Aangezien de ziel zich onttrekt aan logische bepalingen, valt het nog niet mee te omschrijven wat er dan precies in de ziel zou 'resoneren'. Dat uit te zoeken is bovendien een riskante onderneming, want de ziel is volgens Visser juist 'aan de pogingen om haar te kennen gestorven'. Dit betekent echter niet dat zij er niet zou zijn noch dat zij er niet toe zou doen. Voor de oude Grieken was het zorg dragen voor de ziel het belangrijkste wat wij voor ons geestelijk welzijn konden doen, maar ook voor twintigste-eeuwse denkers als Dilthey en Bergson is het onderhouden van een betrekking tot het zelf dé voorwaarde voor onze menselijkheid.

Hoewel het uiteraard nog maar de vraag is in hoeverre het zelf en de ziel naar dezelfde, onverwoordbare dimensie van onze individualiteit verwijzen, zijn er opvallend veel overeenkomsten. Visser zelf gaat, teneinde toch enig vat te krijgen op de ziel, onder meer te rade bij de filosoof Friedrich Nietzsche, die meende dat de ziel 'een ragfijn weefsel van driften en affecten is dat zich in de loop van een leven onderhuids vormt' en tevens het 'absoluut persoonlijke' van de mens in zich opneemt. Deze beschrijving vertoont opvallend veel raakvlakken met wat ik hier voorheen als het moi profond omschreef.

Wat opvalt aan de expositie 'Getekende gezichten' van Henk Chabot, is dat de mens hier inderdaad verschijnt als een getekende, want enerzijds getekend door de tragiek van de oorlog en anderzijds ook getekend, niet alleen omdat ze ook letterlijk getekend of geschilderd zijn, maar omdat ze allen onder eenzelfde teken, eenzelfde totem, eenzelfde soort lijken te vallen. Ze lijken soms wel leden van een grote familie, die menselijke figuren van Chabot en op deze tentoonstelling lijken ze dat des te meer. Behalve dat ze in die driedubbele betekenis 'getekend' zijn, zijn de gezichten van de mensen ook bezield. Misschien zijn zelfs juist alleen die gezichten zo bezield, terwijl ze hun lichamen eigenlijk 'niet nodig lijken te hebben' voor de uitdrukking van hun gemoed.

Het is net alsof Chabot de lichamelijke verschijningsvormen van zijn figuren wilde maskeren, opdat deze de aandacht niet teveel zouden wegtrekken van waar het hem en Charley Toorop om te doen was: het onwerkelijke, in de zin van het onbepaalbare, het onzegbare, het ongekende, toch als zijnde het meest werkelijke te tonen. Dat wil zeggen het innerlijk of zo u wilt, de ziel of het moi profond, zo op te roepen, dat deze niet onmiddellijk door ons verstand geannexeerd kan worden en in woorden, definities of categorieën gevangen kan worden, waarmee die ziel zich juist weer aan ons zou onttrekken. Dat geeft hen enerzijds dat maskerachtige voorkomen, maar betovert ons anderzijds, zoals Vollemans schreef, omdat het bezielde als het ware daarom intact kan blijven: 'De maskers van Chabot maken de emotie afneembaar en mobiel, los van het substantiële gezicht dat op een onmiddellijke manier zijn gemoedsaandoeningen verraadt, en daarmee herstelt het gemaskeerde gemoed de grondregel van het oude masker: dat het ons betovert en meduseert, maar ergens vanachter zijn ongegeneerde bevangenheid ook stilletjes bespiedt en bespot. Ons en onze onuitroeibare drang tot interpreteren en decoderen.'

Waarom hapert ons interpretatievermogen als wij de doeken van Chabot bekijken? Omdat het gemoed, de ziel, die het wil uitdrukken noodzakelijkerwijze gemaskerd is en zich ontrekt aan al te snelle, al te eenduidige bepalingen, of zoals Vollemans schrijft: 'Het inwendige leven van een aangezicht werd door hem niet in het maskeroppervlak tot uitdrukking gebracht maar letterlijk bedekt en verhuld. Het zwijgen achter het masker was een schuwe presentie, die alleen in stand blijft als zij behoed wordt door het maskerende gebaar.' Deze 'schuwe presentie' kan met andere woorden alleen in stand blijven en dus opgeroepen worden als zij zich laat verhullen door het maskerachtige gebaar.

Hierdoor herstelt het gemaskeerde gemoed de grondregel van het oude masker volgens Vollemans, dat wij er zowel door worden aangetrokken als in verwarring worden gebracht, dat het ons betovert en meduseert. De ziel laat zich met andere woorden niet op de staart trappen, kan niet gekend worden, zoals Visser schreef, maar men kan er alleen en als het ware door het masker heen af en toe een glimp van opvangen. 'Ze houden iets achter,' schrijft Vollemans in zijn essay 'De maan en het oog' en 'ze verschuilen zich ergens achter', ze zijn verstild, maar zetten ons gemoed als het ware in beweging, omdat we erdoor geraakt worden, omdat we onbewust de uitdrukking van de ziel erin herkennen en daarom de gezichten 'bezield' noemen. De ogen worden wel eens de vensters van de ziel genoemd. Zo ook bij Chabot. Juist omdat zij omringd worden door het gemaskerde van hun verschijning, spreken zij des te meer.

Staat u mij nog een laatste vergelijking met het oude Griekenland toe, het land waarop heel onze cultuur gebaseerd is en thans failliet is verklaard, hetgeen ons echter nog niet van de verplichting ontslaat de bronnen van ons denken te blijven raadplegen. In dat oude Griekenland werden de beroemde tragedies, die 25 eeuwen doorstaan hebben en nog altijd opgevoerd worden, gespeeld door gemaskerde acteurs. Het masker dat zij droegen heette een persona.

In de interpretatie van de Joodse filosofe Hannah Arendt was dit masker bedoeld om de uiterlijke verschijningsvormen van de acteurs te verhullen, zodat de toeschouwers hen niet meteen konden identificeren en dus in hokjes konden wegzetten. We duiden namelijk onmiddellijk het zichtbare, hetgeen de ervaring van het onzichtbare behoorlijk in de weg kan zitten. Het persona, het masker was bedoeld om het 'wie' (qui) van het personage tot uitdrukking te kunnen brengen, schrijft Arendt, in tegenstelling tot het 'wat' (quod), hetgeen de optelsom van al onze uiterlijke feitelijkheden is.

Ook hier zien wij die tweestemmige mens weer in een andere gedaante terugkeren. Deze letterlijk dubbelzinnige mens wordt enerzijds bepaald door de benoembare 'watheid' of facticiteit van zijn identiteit, maar wordt anderzijds juist gevormd en geïnspireerd door zijn onzegbare 'wieheid'. Dit 'wie' werd door de Grieken wel getypeerd als datgene wat ons als 'zelf' bijeenhoudt, onze ziel kortom, en valt ook in die zin te vergelijken met het moi profond van Bergson. Dit wie geeft antwoord op de moeilijkste vraag die een mens zich maar kan stellen, namelijk de vraag: 'wie ben ik?' Dit in tegenstelling tot de vraag wat je bent, die veel makkelijker te beantwoorden is, namelijk de optelsom van feitelijkheden, zoals ras, geslacht, beroep, leeftijd enzovoort. Het Griekse masker bood de spelers de mogelijkheid te laten zien wie zij waren, omdat hun 'watheid' met een masker afgedekt was.

Alweer een omweg, dames en heren, vergeeft u mij de vele omwegen, maar waar we hier vanmiddag over willen spreken, kan alleen via die omwegen opgeroepen worden. Wat ik hierboven over de Griekse tragedies vertelde, de reden waarom de acteurs een persona, een masker moesten dragen, is naar mijn idee ook op de doeken van Henk Chabot van toepassing. Ook hij maskeerde het wat, teneinde het wie te laten spreken. Hoe moeilijk het ook is dit wie, deze ziel, deze schuwe presentie of dieper zelf in woorden te duiden, de ervaring is er wel degelijk, vandaar dat wij heel goed weten wanneer iets bezield is of wanneer wij op onze ziel getrapt worden, en wanneer niet. Een bezielde ervaring valt ons echter alleen ten deel, als wij ons ervoor openstellen en niet alleen een gehaaste blik op het doek werpen of het schilderij meteen willen duiden of categoriseren. Hierin schuilt naar mijn idee tevens de heilzame werking van kunst.

Deze bezielde ervaring is namelijk precies het inspirerende aan het schouwen van kunst, dat de louter esthetische ervaring verreweg overstijgt. Want via de omweg van de kunstenaar die zijn 'zelf' heeft geëxploreerd teneinde tot zijn eigen signatuur te kunnen komen, krijgen ook wij de mogelijkheid in die andere tijd te verzeilen en de diepte van ons innerlijk af te tasten, waarin zich de kern van onze menselijkheid schuilhoudt. Het biedt ons tevens de kans onze eigen 'watheid' te overstijgen, zodat we niet verdingelijken of automatons te worden, zoals Bergson schreef, die alleen nog op mechanistische en egoïstische wijze handelen, maar vanuit de ervaring van dit wie onszelf én de wereld steeds opnieuw blijven herinterpreteren, waardoor we wezens in wording blijven.

Dat is het moment waarop het onwerkelijke, in de zin van het ongekende, het onmeetbare, dat niettemin juist het werkelijke is, ervaren kan worden. We worden voor even uit onze handelende, doelgerichte 'wat-identiteit' getild en de daarbij behorende kloktijd, en we ervaren wat onze begrippelijke vermogens overstijgt: onze ziel, onszelf of welke naam u er ook aan wilt geven, die een volstrekt andere tijd kent dan de klok. Hoe we dit onkenbare surplus aan menselijkheid ook noemen, dat we het als ervaring herkennen en ons ervoor openstellen, is wat kunst, sublieme kunst, teweeg kan brengen.

Zielsverbondenheid

Ten slotte, de schilder Mark Rothko noemde deze bezielde ervaring die kunst teweeg kan brengen letterlijk, en niet voor niets, een 'transcendentale ervaring'. In mijn boek 'Stil de tijd' laat ik zien dat deze 'transcendentale ervaring' voor Rothko de noodzakelijke voorwaarde voor het scheppen én voor het schouwen van kunst was.

'Kunst,' schreef Rothko, 'is daarom zelfopoffering', want alleen dankzij het offer van onze 'watheid', in de zin van een doorbreking of transgressie van onze handelende ik-identiteit, die gemotiveerd wordt vanuit het 'zelf', kan het bekende verlaten worden en kan er iets nieuws gebeuren. Dit geldt niet alleen voor de maker, maar ook voor de toeschouwer, die dankzij deze overstijging niet alleen de interpretatie van zichzelf, maar ook die van de wereld kan herzien.

Henk Chabot, Brand van Rotterdam, 1940, olieverf op doek, Chabot Museum Rotterdam, in langdurig bruikleen van de Gemeente Rotterdam.

Pas op het moment van transgressie, dat leidt tot een 'verruimd bewustzijn' - om een andere term van Hannah Arendt te gebruiken - worden wij opnieuw op de wereld betrokken en kunnen wij ons ook het lot van anderen aantrekken. De bezielde ervaring, waarover ik sprak, geeft ons dus niet alleen een kijkje in de eigen ziel, maar ook in die van alle anderen.

'Het belangrijkste gereedschap dat de kunstenaar kan gebruiken is zijn geloof in eigen kunnen om wonderen tot stand te brengen op het moment dat ze nodig zijn', schreef Rothko. 'Schilderijen moeten wonderbaarlijk zijn. Het schilderij moet voor de maker - evenals voor ieder ander die het later zal ervaren – een openbaring zijn, een onverwachte ontknoping zonder precedent van een eeuwig verlangen.' Iets dergelijks kunnen we naar mijn idee ook over het werk van Henk Chabot zeggen, want ook deze schilderijen zijn zowel wonderbaarlijk als verontrustend en brengen een transgressie van het reeds bekende teweeg, dat ons oog in oog met het onbekende, het 'onwerkelijke' doet komen te staan.

Het bijzondere van zowel Chabots als Rothko’s werk is dat zij de mens als het ware bij zichzelf naar binnen leiden en een inkijkje geven in 'het tijdloze en tragische' van zijn eigen ziel, maar dat 'deze beweging naar binnen' tevens een verbondenheid met alle andere 'zielen' teweeg kan brengen. Teneinde dit voor elkaar te krijgen, moeten de menselijke figuren op de schilderijen ook getranscendeerd of gemaskeerd worden. Daarom maakte Rothko van de uiterlijke verschijningsvorm van mensen steeds meer geabstraheerde kleurvlakken en maskeerde Henk Chabot zijn geportretteerden, teneinde de oude determineringen en identificaties zo lang mogelijk uit te stellen.

Niet alleen de kunstenaar of de menselijke figuren op zijn doeken, ook de toeschouwers die deze bezielde of transcendentale ervaring deelachtig willen worden, zullen bereid moeten zijn zich open te stellen voor de tijdelijke overstijging van hun 'watheid'. Daarmee wordt het kijken naar de 'Getekende gezichten' van Chabot geen louter aangename bezigheid, maar ook een verontrustende ervaring. Verontrustend, omdat het ons dwingt voor even afscheid te nemen van alles wat ons in de wereld houvast biedt en ons vervolgens uitdaagt de vraag naar het wie te stellen. Tegelijk is deze ervaring ook geest- en zielsverruimend, omdat het iets laat oplichten van een diepte in onszelf, die we vergeten of verdrongen hadden, maar waarin niettemin de kern van onze menselijke waardigheid als ook onze verbondenheid, onze zielsverwantschap met anderen resideert.

Ik hoop dat ik met deze lezing, geschreven op de grens van het verwoordbare, toch uw intuïtieve vermogens enigszins opgeroepen of op zijn minst aangewakkerd heeft, waardoor u met nog meer 'bezielde' ervaring of in ieder geval meer rust naar deze prachtige expositie zult kijken.

'Getekende gezichten' van Henk Chabot, Henk Chabot Museum, Rotterdam, t/m 12 september 2010. Website: www.chabotmuseum.nl.

Joke J. Hermsen is filosofe en romanschrijfster en publiceert geregeld in diverse landelijke media. Website: www.jokehermsen.nl.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Edvard Munch, een hommage

Er zijn niet veel schilders die bij het grote publiek bekend zijn door slechts één werk, eigenlijk alleen Leonardo da Vinci en Edvard Munch. De eerste is wereldberoemd door de 'Mona Lisa', de tweede is ietsje minder beroemd door 'De Schreeuw' Munch's schilderij uit 1893 wordt alom bewonderd als de verbeelding van de wanhoop van de eenzame en stuurloze moderne mens.

Door Peter van Dijk

Van Leonardo zijn slechts zeventien schilderijen en naar schatting honderdduizend tekeningen bewaard gebleven. Munch heeft ongeveer elfhonderd schilderijen nagelaten, 4.500 tekeningen en dertigduizend stuks grafisch werk.

Ondanks deze enorme hoeveelheid kunstwerken worden er zelden tentoonstellingen van Munch's werk (1863-1944) georganiseerd. Dit komt, deels, omdat Edvard Munch moet concurreren met zijn toegankelijker collega's uit het modernisme, zoals de schilders van het impressionisme, fauvisme, expressionisme, kubisme, enzovoort. Deels omdat de twee musea in Noorwegen die het leeuwendeel van het werk van Munch bezitten, kopschuw zijn geworden voor uitleen, sinds de twee diefstallen van 'De Schreeuw' (er bestaan vier versies) in 1994 en 2004. In beide gevallen is het werk teruggevonden.
In Nederland heeft bij mijn weten nog nooit een Munchtentoonstelling plaatsgevonden. In Chicago werd vorig jaar de laatste grote Munchtentoonstelling georganiseerd, waarin ook werk getoond werd van schilders die hem geïnspireerd hebben, zoals Monet, Gauguin en Van Gogh. De allereerste Amerika-expositie dateert van 1912.

De Fransen kunnen op dit moment na twintig jaar weer een Munchtentoonstelling bezoeken. De Noorse schilder is nogal ondergewaardeerd in het land waar hij tweemaal een aantal jaren woonde en zijn belangrijkste doorbraken beleefde.

 
Edvard Munch, Madonna, 1895-1902, litho in vijf kleuren, 70,8 x 50 cm, Particuliere collectie, ©Munch Museum/ Munch Ellingsen Group, Pictoright Amsterdam 2010.

In de Pinacothèque, vlak bij de Madeleine in het hartje van Parijs zijn honderdvijftig werken van Munch, schilderijen, tekeningen en grafisch werk, bijeengebracht uit uitsluitend particuliere verzamelingen. De Parijse tentoonstelling verhuist na de zomer naar Rotterdam en is vanaf 18 september tot 21 februari 2010 in de Kunsthal Rotterdam te zien. Dus, dat wordt de eerste Munchexpositie in Nederland.

Gekweld mens
De kennismaking met Munch in Parijs was een verrassing. Door 'De Schreeuw' heeft kunstenaar de reputatie was een gekweld mens gekregen. Op foto’s ziet hij eruit als een mooie, maar strakke sombere man. Maar in Parijs vallen ook vriendelijke landschappen, realistische portretten en elegante houtsneden te bewonderen. Veel stijlen, variatie, volop kleur en verschillende technieken. Een interessante kunstenaar.

Voor zijn reputatie van gekweldheid bestond overigens voldoende reden. Over het ontstaan van 'De Schreeuw' schreef Munch zelf: 'Ik liep met twee vrienden over een brug bij zonsondergang. De lucht kleurde rood als bloed. Ik stopte en leunde tegen de leuning, en voelde me eindeloos moe. Tongen van vuur en bloed likten de donkere fjord. Ik voelde een huiver van angst. Toen hoorde ik een sterke, eindeloze kreet van de natuur.' Hij voegde daar later aan toe: 'Ik was gek voor een aantal jaren. Ik werd uitgerekt tot mijn grens, de natuur schreeuwde in mijn bloed. Na 'De Schreeuw' heb ik de hoop opgegeven ooit nog te kunnen liefhebben.'

Munch was vermoedelijk, in moderne medische termen, manisch depressief of had in andere bewoordingen een bipolaire stoornis. Zijn leven gaf ook aanleiding voor depressiviteit. Het gezin Munch werd bezocht door ziekte en smart. Hij verloor zijn moeder toen hij vijf jaar was en zijn een jaar oudere zusje Johanne stierf negen jaar later. Van zijn vaders familie erfde Munch niet alleen de artistieke genen, voorvader Jacob Munch (1776-1839) was schilder, maar ook de depressieve trekken. Vader Christian, die twee maal zo oud was als zijn vrouw, was legerarts, maar ook een bigotte christen. Munch over zijn vader: 'Mijn vader was soms een zenuwenlijder en obsessief gelovig – tot het absurde. Van hem erfde ik het zaad van de waanzin. De zwarte engelen van ziekte, waanzin en de dood stonden naast mijn wieg, vanaf de dag dat ik geboren was.'

Christian, die de opvoeding van zijn vijf kinderen, bijgestaan door een tante, zelf ter hand nam, waarschuwde zijn kroost dat moeder vanuit de hemel toekeek en ontstemd was als ze stout waren. Edvard had al vroeg sombere bijgedachten en nachtmerries. Een zusje was geestesziek en alleen zijn broer Andreas bracht het tot een huwelijk, om een paar maanden na de inzegening te sterven. Het is te begrijpen dat Edvard zich in zijn artistieke loopbaan niet bezig hield met harmonische landschappen, stillevens of tevreden buitenlui. Zijn credo was 'mensen te schilderen die ademen, voelen, lijden en liefhebben'. Van lijden wist hij, maar met liefde, vrouwen en seksualiteit had hij een verwrongen relatie. Vrouwen worden door hem geregeld getekend naast een skelet, ziek in bed, als harpijen of alleen maar diepbedroefd.

Edvard deed eerst een technische studie en hoewel hij vaak ziek was, muntte hij uit in natuurkunde, wiskunde en chemie. Maar tot woede van zijn vader, die kunst een onwaardig vak vond, verliet hij de technische hogeschool om lessen te volgen aan de kunstacademie van Kristiana (tot 1925 de naam voor Oslo).

Redelijk beeld
Op de tentoonstelling in Parijs en dus straks in Rotterdam is een beperkt maar redelijk beeld te krijgen van Munch's ontwikkeling en kunstenaarschap. Ik schrijf 'beperkt en redelijk', omdat de topstukken van Munch in hun twee Noorse musea zijn gebleven en we in de Kunsthal vooral het resultaat van kleinere collectioneurs te zien krijgen. In zijn eerste Noorse periode, die loopt tot zijn eerste verblijf in Frankrijk (van 1889 tot 1892), schilderde Munch natuurgetrouwe landschappen, een beetje somber van kleurtoon, maar harmonieus. Zijn verfbehandeling was niet erg schools, hij bracht verschillende dikke lagen aan, drukte er korte strepen in, was vaak ontevreden over het resultaat en krabde weer delen weg en begon opnieuw, en legde een dunnere laag aan. Zijn leven lang zou Munch blijven experimenteren met de materiële kanten van het vak, vooral de behandeling van verf; in een latere periode legde hij zijn natte schilderijen buiten, om te experimenteren met de effecten van regen en wind.

Munch arriveert in mei 1889 in Parijs, tijdens de Wereldtentoonstelling, waar in het Noorse paviljoen zijn schilderij 'Ochtend' (1884) hangt. Hij neemt les bij Léon Bonnat, bezoekt de Salon van de Onafhankelijke Schilders en ontdekt het werk van Seurat, Van Gogh, Toulouse-Lautrec, Signac en Monet. Zijn verblijf in Frankrijk leidt net als bij Vincent van Gogh tot een ommekeer in de kleurzetting van zijn schilderijen. Het werk wordt opeens lichter en vrolijker. Hij komt onder invloed van het impressionisme en slaat aan het experimenteren met droge en vette pastelverven en dunne olieverflagen. Op de tentoonstelling in Parijs en dus ook in Rotterdam, getuigen verschillende schilderijen van deze verandering: een olieverfschilderij 'Een zonnige dag in Nice', een krijt- en pasteltekening 'Zomer', de pastel 'Een vissersjong uit Nice', alle drie uit 1891.

Lang zou Munch niet genieten van het Parijse leven. Zijn vader sterft in december 1889 en de kunstenaar haast zich terug naar Noorwegen om de familiezaken te regelen. De dood van zijn vader bezorgt Edvard weer een van zijn depressieve buien, hij speelt met de gedachte aan zelfmoord: 'Ik leef met de dood, mijn moeder, mijn zus, mijn grootvader, mijn vader. Dood jezelf en het is over. Waarom leven?'

Eenzaamheid
Begin 1890 is hij weer terug in Parijs en schildert het mooie 'La Seine à Saint Cloud', in gedempte gele en groene kleuren, met een stille man op de kade. Een beeltenis van eenzaamheid. Het jaar daarop zoekt Munch de zon van Nice op en laat sterke kleuren in zijn werk toe, zoals in de Kunsthal te zien is in 'Vrouw met de rode hoed aan het Fjord' en de 'Vissersjongen van Nice'. De Noorse Nasjonalgalleriet erkent zijn talent en koopt in dat jaar 'Melancholie'. Hij gaat naar Berlijn in 1892 en doet hij mee aan een kleine, nauwelijks opgemerkte tentoonstelling. In deze stad zal hij vier jaar blijven, tot 1896 en actief deelnemen aan de bijeenkomsten van een groep schrijvers en intellectuelen in de wijnkelder Zum schwarzen Ferkel, onder wie de Zweedse schrijver August Strindberg.

Een grote tentoonstelling van vijfenvijftig schilderijen in november van dat eerste jaar leidt vervolgens tot een publiek schandaal. De pers vindt zijn werk niet af en lelijk, 'geklieder van een waanzinnige', de bezoekers van de expositie in de Verein Berliner Künstler nemen dat oordeel over en schreeuwen ter plekke hun afkeuring uit. De organisatoren sluiten de expositie en Edvard Munch is in een klap beroemd. Zeker in Duitsland. Exposities, het jaar daarop, worden goed bezocht. Zijn Berlijnse jaren gebruikt Munch vooral om het lijden, de pijn, de liefde en dood te verbeelden. 'De Schreeuw' (1893) stamt uit deze periode. Hij schildert zonder of met dunne onderlagen, de schilderlaag van olieverf verdunt hij sterk. Het is in deze tijd dat hij begint te experimenteren met het klimaat als collega-kunstenaar.

Op de tentoonstelling in de Kunsthal zult u sombere tekeningen en litho's uit deze periode zien: 'Het zieke kind', 'Vrouwen naast het geraamte', 'De eenzamen', 'De Jaloezie', 'Vampire II'. Aangrijpend mooi en smartelijk is de serie van Madonnastudies, waaraan hij gedurende zes jaar heeft gewerkt. Munch begint zich in de herfst van 1894 te bekwamen in grafisch werk en zal een grootmeester van de houtsnede worden. Hij zoekt zelf zijn stukken hout uit, zaagt het hout zelf, altijd in de lengterichting, dus met de nerven van het hout mee. Op zijn gravures lopen de houtnerven altijd langs de verticale lijnen van de tekening en ondersteunen de kracht van de voorstelling. Mooie voorbeelden zijn 'Maanlicht I', 'Maanlicht IV' en uit een latere periode 'Vrouw in het zwart' (1912-13). In 1896 verhuist hij weer naar Parijs en geeft veel tijd en energie aan het graveren. Hij kijkt goed naar het grafische werk van Paul Gauguin.

Beroemdheid
Rond de eeuwwisseling is Munch vooral in Duitsland en in eigen land een beroemdheid. Zijn werk wordt grif gekocht en verzameld en hij krijgt opdrachten. 'Na twintig jaar van strijd en ellende komen eindelijk de krachten van het goede mij helpen in Duitsland.' Munch koopt zijn eerste buitenhuis, een vissershut bij Åsgårdstrand in Noorwegen. Zijn nieuwsgierige geest voert hem naar de fotografie en film, vooral de kwestie van het vastleggen van beweging boeit hem. Hoe overtuigend hem dat lukt, is te zien, behalve in de films die hij maakte, in de tekening 'De levensboom' uit 1910.

Op alle fronten gaat het hem goed. Hij krijgt zelfs op 34-jarige leeftijd verkering met de rijke, vrijgevochten vrouw Tulla Larsen. Ze maken een reis naar Italië en Munch schildert ook enkele plezierige scènes, zoals in 'De levensdans' (1899), het schilderij dat de serie 'De levensfries' afsluit. In deze serie vat Munch in tekeningen, water- en olieverven en grafisch werk al zijn thema’s en obsessies samen: de fases van het leven, de femme fatale, de hopeloosheid van de liefde, angst, ontrouw, jaloezie, seksuele vernedering, lijden en dood.

Voor het schilderij 'De levensdans' moeten we naar de Nasjonalgalleriet in Oslo, maar op de tentoonstelling in Rotterdam hangt een voorstudie in krijt, die vrolijker is dan het uiteindelijke schilderij. Van het schilderij straalt een licht macabere sfeer af, de maan schijnt, er lopen vrouwen met sacherijnige gezichten rond, maar er is ook een glimp van lol: een persoon trekt een soort grimas en er wordt gedanst. Dat komt in de richting van de tekening, die veel opgewekter is. Tulla wil graag trouwen, maar Munch's lutherse schuldbesef en neiging tot zelfvernietiging doen hem terugschrikken. Hij durft niet en neemt de benen naar Berlijn. De relatie eindigt dramatisch, Tulla zoekt hem op voor een verzoening, maar er ontstaat een heftige ruzie en Munch schiet twee vingers van zijn linkerhand af. In meerdere opzichten doet Munch aan zijn inspirator Van Gogh denken. Tulla heeft er nu genoeg van en trouwt een jongere collega van Munch, voor de laatste wederom een bewijs van vernedering. De emoties uit deze pijnlijke episode zien we onder andere terug in Munch's herhaaldelijke uitbeeldingen van de moord op Marat door Charlotte Corday.

Op basis van Munch's eerdere werk was de uitkomst van zijn relatie met Tulla niet moeilijk te voorspellen. Kijk maar naar de litho 'Vampire II': een vrouw lijkt een man op haar schoot te troosten, maar in feite bijt ze hem in zijn nek. Of naar de pastel 'Sirene', waarop een zwaarmoedige man, het hoofd in de handen, onbewogen blijft voor de verleidingen van een mooie meermin. Het is de wantrouwige Munch tweemaal ten voeten uit.

Opname
Zijn onvermogen om in liefde te geloven en zijn neiging tot zelfvernietiging doen hem steeds vaker naar de fles grijpen. In 1908 stort hij eindelijk in. Hij hallucineert, is zwaar paranoïde en krijgt verlammingsverschijnselen aan zijn benen. Ondanks zijn zwakke gezondheid en zenuwgestel heeft hij de gevolgen van langdurig en overmatig drankgebruik lang weten uit te uitstellen. Hij blijkt een oersterke kerel te zijn en overleeft zelfs de Spaanse griep, waar half Europa in 1919 aan stierf. In de psychiatrische kliniek van professor Daniel Jacobson in Kopenhagen, naar welke stad hij dat jaar verhuisd is, wordt hij acht maanden liefdevol verzorgd. Zijn ziekenhuiskamer mag hij inrichten als atelier. Na afloop van de therapie krijgt hij als advies van Jacobson: ga alleen met goede vrienden om en drink niet in het openbaar.

Een nieuwe periode breekt aan. Hij koopt een landgoed in Ekely, bij Oslo, en trekt zich terug. Munch gaat schilderen met losse penseelstreken en fleurige kleuren: boeren aan het werk, naakten, bezoekers van Ekely en manshoge portretten. Uiteraard ook een van zijn geneesheer Jacobson, dat niet in de Kunsthal hangt, wel zijn er prachtige exemplaren van andere goede Noorse vrienden.

Munch houdt zich aan de adviezen van zijn therapeut en leidt tot zijn dood in 1944, op tachtigjarige leeftijd, een redelijk stabiel leven in afzondering. Af en toe flikkeren de oude thema's op in zijn werk. In de Kunsthal hangt een veelzeggende litho, 'Zelfportret met een fles wijn'. Munch lijkt tevreden te kijken en dat is wel eens anders geweest.

Edvard Munch, Jaloezie II, 1896, litho op papier, 46,6 x 57 cm, particuliere collectie, ©Munch Museum/Munch Ellingsen Group, Pictoright Amsterdam 2010.


Ook Tulla heeft hij geestelijk verwerkt, getuige zijn vriendelijke aquarel 'Marat en Charlotte Corday' uit 1930. Het schilderij uit 1907 is veel grimmiger. Het in tijd allerlaatste werk op de Parijse expositie is 'Birgitte III', een perfecte houtsnede, met sterke verticale lijnen, die de schoonheid van de vrouw in een rode blouse accentueren.

De tentoonstelling geeft een goed en gevarieerd inzicht in de geest en het werk van Edvard Munch. Een smakelijk voorgerecht voor een hoofdmaaltijd, die hopelijk eens in Nederland geserveerd zal worden: een tentoonstelling bereid uit de rijke schat, die in Noorwegen geconserveerd wordt, aan indrukwekkende schilderijen als 'De Schreeuw', 'Dood in de ziekenkamer', 'Levensdans', 'Madonna', 'Vampier', 'Dame uit de zee', 'As', 'Het zieke kind', 'Dood van Marat', 'August Strindberg', enzovoort, enzovoort. Zo niet, dan maar op vakantie naar Oslo.

Onleesbare catalogus
Het is niet te hopen dat de Kunsthal verplicht is de typografie van de catalogus van de Parijse Pinacothèque over te nemen. Hij is te zwaar, te duur, maar vooral onleesbaar. Een typisch product van een vormgever die de vrijheid heeft gekregen zijn gang te gaan. Deze vormgever heeft geconcludeerd dat Munch behoorlijk gek was en heeft in die geest het boekwerk opgezet. De introductie is in hele dunne broodletters gedrukt die verdwijnen in een stroom van bruine golvende strepen, waardoor alles danst voor je ogen. De bibliografie, als zij dat tenminste is, is gedrukt in regels die vol lopen, dat wil zeggen dat de woorden regelslang doorlopen, zonder in te springen. Een snel overzicht krijgen, de essentie van dit soort lijsten, is onmogelijk.

Een inhoudsopgave wordt niet gegeven, wat consequent is, aangezien ook de paginering achterwege is gelaten. Het boekwerk is daardoor als naslagwerk onbruikbaar. De catalogus zit vol met loze transparante of olijfgroene pagina’s en is een ergernis voor de lezer, waar men in Parijs 45 euro voor durfde te vragen. Wel blij was ik met de prachtige foto's van de meester zelf en het gezin waaruit hij voortkwam. Het brengt de kunstenaar Munch nog dichterbij.

Carte blanche à Bedri Baykam, Hommage à Edvard Munch, Pinacothèque Parijs, tot 18 juli 2010, 28 Place de la Madeleine, Parijs, Frankrijk. Website: www.pinacotheque.com.

Deze tentoonstelling is daarna te zien in de Kunsthal Rotterdam, van 18 september t/m 20 februari 2011, info 010-4400301, openingstijden: dinsdag t/m zaterdag 10.00 - 17.00 uur, zon- en feestdagen 11.00 - 17.00 uur. Website: www.kunsthal.nl.

Peter van Dijk is journalist.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Twee haiku's van Ria Giskes. Verder op deze pagina vindt u er nog twee (RdB).

Haiku: Ria Giskes-Pieters; foto: ©John Giskes. Meer haiku's van Ria Giskes vindt u hier: http://tjilp.blogspot.com.

Terug naar boven

 

Nooit onloken rozen

Troostmeisjes. Een woord dat menigeen vreemd in de oren zal klinken. Een woord waarachter een wereld van leed schuilgaat. De Kunsthal te Rotterdam wijdt momenteel een foto-expositie aan deze aangrijpende zaak en wel met levensgrote portretten van Jan Banning. Hij wist de laatst levende Indonesische, hoogbejaarde vrouwen die dit alles meemaakten, over te halen hun verhaal te doen en zich te laten vastleggen op een in hun geval wel heel gevoelige plaat.

Door Anneke Haasnoot en Manja Herstel

Geweld tegen vrouwen is al zo oud als de wereld. Een onderdeel van dat geweld is verkrachting. Een fenomeen dat in elke oorlog telkens weer opduikt, zo leert de geschiedenis. De neiging om de vrouw puur als oorlogsbuit en lustobject te zien, blijkt een moeilijk uit te roeien kwaad. In de Tweede Wereldoorlog greep ook Japan naar dit machtsmiddel. Duizenden jonge Koreaanse, Indische, Chinese en Nederlandse meisjes, vrouwen en kinderen werden gedwongen te werken in bordelen, die speciaal voor de Japanse soldaten uit de grond waren gestampt.

De groep overgebleven slachtoffers hoopt nog steeds op genoegdoening. Deze blijft vooralsnog uit. Wel werd hun leed erkend door het zogenaamde Tokio-tribunaal. Het mocht niet baten. Nog even en dan sterft de roep om schadeloosstelling samen met de laatste getuigen uit. Een vergelijking met het ontkennen van de Holocaust ligt dan voor de hand. Vijfenzestig jaar na dato gaat verkrachting nog steeds samen met militarisme, vrouwenhaat, frustratie en waanzin. Het idee dat achter het verschijnsel troostmeisje ligt, het tegengaan van geslachtsziekten bij half krankzinnige soldaten, is niet te rechtvaardigen.

 
Rosa, 1929, Saumlaki, Tanimbar, Zuid-Molukken. Foto: Jan Banning.

House of sharing
In Korea, iets buiten Seoul, staat The House of Sharing. De bewoonsters zijn voormalige troostmeisjes. Zij protesteren nog wekelijks voor de Japanse ambassade om erkenning van het hun aangedane leed. Door schaamte, schuldgevoel en de vernedering een Japans afdankertje te worden genoemd, hebben zij zich tientallen jaren in zwijgen gehuld. Voor het ontroerende gedenkteken dat op het terrein staat, stond Kim Hak Soon model. Zij was de eerste Koreaanse die haar ervaringen openbaar maakte. Het toont een oude, naakte vrouw die vanaf haar heupen is weggezakt in de aarde. De titel van het werk is Nooit Ontloken Bloem. De meeste vrouwen doen er liever het zwijgen toe. Op hun oorlogsverleden rust nog steeds een taboe. Jan Banning en journaliste Hilde Janssen reisden kriskras door de Indonesische archipel om de persoonlijke ervaringen van de voormalige troostmeisjes vast te leggen in beeld en geschrift. Hilde Janssen deed dat in een boek getiteld Schaamte en Onschuld.

Jan Banning
Jan Banning (1954) is een maatschappelijk betrokken persoon. Zowel in binnen- en buitenland is zijn werk bekend. Hij studeerde sociale en economische geschiedenis en werkt sinds 1981 als fotograaf. Zijn werk is geworteld in zowel kunst als journalistiek. Hij is zelf van Hollands-Indische afkomst. Zijn vader en grootvader werkten in WO11 aan de Birma spoorlijn. Centrale thema's in zijn werk zijn het aan de kaak stellen van de machtsstaat, de gevolgen van oorlog op lange termijn en ook die van een logge bureaucratie. In 2004 won hij de World Press Photo voor het India hoofdstuk uit de serie Bureaucratics.

Hilde Janssen
Hilde Janssen (1959) is journaliste, antropologe en onderzoeker. Ze woont sinds 2003 in Indonesië. Ze studeerde kind- en jeugdwerk en culturele antropologie. Zij doet onderzoek naar de sociaal en cultureel bepaalde verschillen tussen man en vrouw en reisde met Banning mee om de hoogbejaarde vrouwen die hij op beeld vastlegde te interviewen. Ze schrijft over de politieke ontwikkelingen in Zuid- en Zuidoost-Azië, over sociale en economische thema's en over natuurrampen en de wederopbouw daarna.

Spiegels van de ziel
De uitdrukking in de ogen van de vrouwen op de immens grote 'pasfoto's' vallen als eerste op. Er spreekt gelatenheid uit. Soms ook grimmigheid, trots, berusting. De staar waaraan sommige vrouwen lijden, versterkt de waas van treurnis die om hen heen hangt. Wat heeft zich in hen afgespeeld dat hun blik zo troebel van ellende lijkt? Deze vrouwen zijn getekend voor het leven. Hoewel Banning hen niet als zielig wilde neerzetten, maar de portretten ziet als een protest tegen de ideeën van het Japanse leger, zijn de vrouwen zeer beklagenswaardig, al is dit woord bij lange na niet de vlag die de lading dekt. Ondanks hun opgelopen schade, stralen ze op hun huidige leeftijd ook iets uit van herwonnen zelfrespect, verfijning en zelfs van een deels geheeld zijn.

De taal van de huid
Hun gezichten hebben diepe groeven, vetbulten, soms wat wratjes en andere onregelmatigheden. Zoals hun ogen een verhaal vertellen, doet dat ook hun huid. Deze schetst het blootgesteld zijn aan de tropenzon, maar ook het blootgesteld zijn aan vernedering en geweld en een lang, vaak eenzaam leven. Voor fotograaf Banning lijken ze hun schaamte te overwinnen en proberen ze de wereld recht in de ogen te kijken. Van deze getekende vrouwen, eens jong en mooi geweest, heeft het merendeel geen kinderen kunnen krijgen en als ze al trouwden, strandde het huwelijk al snel. Tal van vrouwen proberen hun oorlogsverleden nog steeds voor familie en buren verborgen te houden. Dat lukt niet altijd. In kleinere dorpen weet iedereen wie en wat zij zijn. Naar wat hen precies is overkomen, durft vrijwel niemand te vragen. Van een van hen is bekend dat ze tien keer trouwde, maar geen kinderen kreeg.

Het verhaal van Emah (1926)
'Ik was zo graag lelijk geweest, want de lelijke meisjes stuurden ze al snel weer weg. Ik moest blijven, iedereen wilde mij hebben. Ze bleven maar komen, de een na de ander'.
Emah was 15 jaar, toen ze thuis werd opgepakt door Japanse militairen. Met haar berustende blik is ze door Banning op de gevoelige plaat vastgelegd. Door inwendige verminkingen kon ze geen kinderen meer krijgen. Ze verdiende tot op hoge leeftijd de kost met medicinale massages.

Het verhaal van Semi (1931)
Op dertienjarige leeftijd werd zij samen met haar oudere getrouwde zus en dorpsgenoten drie maanden lang dagelijks van huis opgehaald met een vrachtwagen en op verschillende locaties tot prostitutie gedwongen. Ze kreeg een kimono en lippenstift en moest zich een uur lang overgeven aan de soldaten. Daarna was de beurt aan een ander. Als het fluitsignaal klonk, verzamelden de meisjes zich weer bij de vrachtauto.

Het verhaal van Icih (1926)
Nadat haar man was doodgeschoten werd ze drie jaar lang mishandeld en verkracht door een kazernecommandant en een andere militair. Ze kreeg veel slaag, geen eten en kon niet meer lopen op een gegeven moment. 'Het deed zo'n pijn, het was alsof de hemel op de aarde stortte'. Haar lichaam kon het nooit vergeten. Ze kreeg geen kinderen.

Het verhaal van Ronahi (1931)
Zij werd meegenomen door soldaat Bakkebaard en drie maanden lang verkracht. Na de bevrijding kroop ze naar huis. Ze moest geopereerd worden aan haar inwendige verwondingen en trouwde vijf maal. Ze heeft nooit kinderen gekregen.

Het verhaal van Niyam (1933)
Slecht tien jaar oud werd ze verkracht in een tentje in het bijzijn van meerdere soldaten. Zij wist na twee maanden te ontsnappen. Haar lichaam was kapot. Toch heeft ze nog vijf kinderen gekregen.

Innerlijke beschaving
Al zijn ze lichamelijk en geestelijk deerlijk gehavend, het verstrijken van de tijd was ook soms als balsem. Daarbij komt, vernedering heeft zijn tegenpool in fierheid. Hun littekens zijn brandmerken, niet door een Middeleeuwse beul toegediend, maar door een equivalent in de twintigste eeuw; de folteraar die een uitwas van machtswellust is. Op de foto's is duidelijk te zien dat het hen aangedane en mensonterende leed diepe sporen heeft achtergelaten. Indische vrouwen. Er kunnen maar weinigen tippen aan de innerlijke beschaving en gratie die ze van nature lijken te bezitten en die Banning zo respectvol en gedreven heeft weten weer te geven.

Waarom u deze tentoonstelling in de Kunsthal van Rotterdam niet mag missen. De expositie probeert, voordat het voor de troostmeisjes te laat is, een eye-opener te zijn als het gaat om de positie van vrouwen ten tijde van oorlog. In tijden van liefde en oorlog is lang niet alles geoorloofd, dit in weerwil van wat het juiste spreekwoord daarover zegt.
Engel en beest voeren nog altijd een gevecht in de Adams van 'de kroon der schepping'. De vrouw delft hierbij maar al te vaak het onderspit.

Troostmeisjes, Jan Banning, t/m 29 augustus 2010, Kunsthal Rotterdam, info 010-4400301, openingstijden: dinsdag t/m zaterdag 10.00 - 17.00 uur, zon- en feestdagen 11.00 - 17.00 uur. Website: www.kunsthal.nl.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Kunstenaarsportret: Werner Bitzigeio, beeldhouwer

Door Wim Adema

Drahtzeichnungen: 'Mein Konzept war es, den Drahtkörper (Rhytmus) durch physische Kraft zu stören oder in seiner minimalistischen Struktur zu verändern. Ich habe in erster Linie nur den konkreten Bezug zur Objektivität der beiden Materialien gesucht.'

Drahtskulpturen
In zijn beeldhouwwerken van ijzerdraad combineert Werner Bitzigeio vakmanschap met een aparte artistieke visie. Zijn sculpturen worden draad voor draad opgebouwd en telkens binnen een groeiende ruimtelijke structuur geplaatst. De talloze draden worden met veel discipline en geduld geplaatst en gelast. Deze beelden kenmerken zich door een fijnmazige vormgeving, waardoor zij transparant en tegelijk dimensioneel beleefd kunnen worden.

De beeldhouwer heeft een sterke verwantschap met het landschap waarin hij woont, namelijk de Eifel.

  Werner Bitzigeio, Stille, 400 cm, gelaste betonstaalmatten, 2007.

In een aantal beelden vormt een zware steen een balans met de ijzeren vorm. Voor beide materialen heeft Bitzigeio een fascinatie. Anderzijds zijn een aantal objecten amorf van karakter. Met name in een aantal kleine objecten ervaart men een organisch zoeken, aftasten en intuïtief handelen. Soms ontstaat een contour van een vogel of van een abstracte beweging. De kunstenaar lijkt door zijn manier van werken de tijd te willen tarten. De talloze draden worden in een eigen werkritme gebruikt en gevoegd in een beeld dat gevangen lijkt in een tijdloze energie. Chaos en balans weerspiegelen zich. Soms lijkt een sculptuur pas tot rust te komen in de natuur.

'Denn die Bedeutung meines künstlerischen Werkes liegt nicht darin, was gesehen wird, sondern wie das Sehen als innerer Vorgang gelenkt wird.'

Tekeningen en kleine draadobjecten
De tekeningen van Werner Bitzigeio ogen als kleine beeldhouwwerkjes van draad. Vanuit een intuïtief tekenen ontstaan op papier autonome vormen, die soms naar de natuur verwijzen, maar ook raadselachtig kunnen blijven. Het handschrift lijkt hoekig en tegelijk wendbaar naar alle kanten. Het toont veel energie en chaos.

Opmerkelijk is de visuele overeenkomst tussen de beeldtaal van de tekeningen en de kleine objecten van draadijzer. Bijzonder is bijvoorbeeld de gedaante van een liggende vogel die langzaam zich losmaakt uit de ovale vorm van ijzerdraden. In een andere vorm, gesloten, klein en vierkant, zijn de draden in een doorzichtige binnenvorm zichtbaar. Het geeft een impressie van hooi en ruimtelijkheid, maar ook van verzadiging. In een transparant vierkant 'rust' een kleine staaf, een indringend contrast tussen materialen. De tekeningen en de kleine objecten tonen echter steeds een rusteloos ruimtelijk zoeken naar vorm en balans.

Stille 2007
Op een groot, glooiend grasveld tussen heuvels en dalen met hier en daar de aanwezigheid van groen doorschijnende bomen, staat 'Stille 2007'. Alsof een kleine planeet rust zocht in een glooiend groen landschap. De achter hem liggende flora komt op een doorzichtige manier door zijn open structuur heen, waardoor de omgeving visueel een geheel wordt met de ijzeren constructie van horizontale en verticale draadlijnen. In het werk van Werner Bitzigeio lijkt dit beeldhouwwerk een centrale plaats in te nemen.

In aantal beelden komt de titel 'zen' veelvuldig voor. Ook 'Stille 2007' lijkt door zen geïnspireerd te zijn. In de doorzichtige ijzeren bolvorm ervaart men vooral rust van de materie. Het evenwicht tussen horizontaal en verticaal, de aanwezigheid van het licht en de plaats van het beeld geven de kijker een ervaring van harmonie en rust.

De metershoge (vier meter) sculptuur krijgt ruimtelijk een eigen plaats door de haar omringende natuur. De zwarte fijnmazige draadlijnen geven de aardbol een haast magische aanwezigheid. Door de omringende planten, struiken en bomen lijkt het beeld een natuurlijk onderdeel van haar omgeving. De horizontale lijnen zijn zwaarder van materiaal, terwijl de verticale beweging haar lichtvoetig en toegankelijk maakt. Het lijkt alsof Werner Bitzigeio 'Stille 2007' ter plekke gemaakt heeft. De aarde lijkt teruggekeerd uit haar universum en een definitieve rustplaats gevonden te hebben. Het is geen inslag van een asteroïde, maar een zachte landing. Een geschenk van een beeldhouwer.

Werner Bitzigeio, ZEN V en ZEN VI, 160 cm, lasdraad, 2008.

Profiel van een beeldhouwer
Op Huntenkunst 2010 ontmoette ik Werner Bitzigeio en raakte onder de indruk van zijn vakmanschap en begeestering. Zijn oogopslag is donker en doordringend, maar ook onrustig en toont een felle levenskracht. Hij lijkt doelbewust, sociaal assertief en tegelijk solitair. Zijn beelden en tekeningen lijken een weerspiegeling van zijn persoonlijkheid. In zijn kunstenaarschap kan men rusteloos zoeken naar identiteit en balans. Hij ervaart de hem omringende wereld als een 'scheinbare Welt'. In zijn werk lijkt de beeldhouwer doorlopend een eigen werkelijkheid te moeten realiseren.

'Man hat mich gefragt, 'Warum arbeiten Sie mit Kunst?'

'Künstlerisch zu arbeiten hilft mir, Abstand von der Realität (scheinbare Wirklichkeit) zu halten, um meiner - nur gedanklichen - Realität form zu geben.'

Een zen-evenwicht
Schijnbare chaos van ijzerdraad is doorlopend aanwezig in het werk van Bitzigeio. Vanuit de complexiteit en omvang van dit materiaal zoekt hij rusteloos naar eigen referentiepunten. Draad voor draad komt het materiaal tot rust en krijgt het een nieuwe dimensie. Zo ontstaat steeds opnieuw een nieuwe werkelijkheid. De rusteloosheid van zijn energie wordt door het ijzeren materiaal steeds opnieuw vormgegeven. Het contact met zijn beelden en tekeningen geven mij een indruk van doorlopend in beweging zijn. Soms bereikt Werner Bitzigeio een rustpunt wanneer een beeld gereed is gekomen, maar tegelijkertijd zoeken zijn ogen reeds naar nieuwe referentiepunten, andere vormen. De opmerkelijke aanwezigheid van zijn zenbeelden verschaft de kijker echter veel rust.

Werner Bitzigeio, beeldhouwer, website: www.bitzigeio.com, www.huntenkunst.org.

Wim Adema is beeldend kunstenaar en fotograaf en publiceert regelmatig artikelen over beeldende kunst in diverse media. Klik hier om zijn CV te bekijken.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Nog twee haiku's van Ria Giskes (RdB).

Haiku: Ria Giskes-Pieters; foto: ©John Giskes. Meer haiku's van Ria Giskes vindt u hier: http://tjilp.blogspot.com.

Terug naar boven

 

Jip in harmonie met Janneke & Yanneke
Leven en werk van beeldend kunstenares en actrice Jip Combes-Wijngaarden

Jip Wijngaarden, geboren in Amsterdam op 5 juli 1964, woont en werkt als beeldend kunstenares in het Zwitserse Sergy, maar komt nog regelmatig naar Nederland. Haar ontroerende olieverfschilderijen - vaak in compacte, bijna primaire kleurstelling - getuigen van haar diepgelovige grondhouding en haar verbondenheid met het Joodse volk.

Door Marianne van Waterschoot

Ze oogt bijna breekbaar wanneer ik haar ontmoet op de frisse zaterdagochtend van 10 april. Jip is dan nog herstellende van een virale infectie en de dag ervoor vanuit de Zwitserse Jura naar Nederland gereisd. De tocht heeft haar zichtbaar vermoeid.

We treffen elkaar in het huis van beeldend kunstenaar en musicus, Kees Huigen, in het plaatsje Den Ham bij Almelo (Overijssel). Jip logeert daar, omdat de volgende dag in Winterswijk een door haar vervaardigde plaquette onthuld

 
Jip van Wijngaarden voor haar werk. Foto: © Friesch Dagblad.

wordt ter nagedachtenis aan de tijdens de Tweede Wereldoorlog vierhonderd weggevoerde en vermoorde Joodse bewoners.

Voor mij is Jip nog altijd de personificatie van Anne Frank. Haar bekendheid dankt ze dan ook aan de theaterproductie uit 1984, 'Het dagboek van Anne Frank', met Jeroen Krabbé als regisseur én in de mannelijke hoofdrol van vader Otto Frank. Jip heeft helemaal geen ambitie om actrice te worden, vertelt ze, maar heeft zich op aanraden van haar vader, de chirurg Jan Wijngaarden (overleden in 1999), ingeschreven voor de auditie. Haar grote droom is beeldend kunstenares worden en ze volgt in die tijd een kunstopleiding aan de vakschool Nimeto in Utrecht.

Identiteitscrisis
De beeldende kunst raakt op de achtergrond. Jip zelf echter treedt des te meer op de voorgrond door haar succesvolle rollen in diverse theater- en filmproducties. Het acteerwereldje bevalt haar steeds minder, maar Hollywood lonkt en ze speelt nog een tijdlang met verve de rol van 'bekend Nederlands actrice'. Maar dat is slechts buitenkant, want van binnen 'brokkelt ze af' en het verlangen naar rust en verdieping en het niet langer meegezogen willen worden in die snelle wereld van 'schone schijn', eisen hun tol. Ze leeft een heftig leven in die tijd en wordt naar eigen zeggen 'zelfdestructief tot op het bot'.

Ze laat alles achter wanneer het haar echt teveel wordt en ontvlucht Nederland. Haar intense woede en teleurstelling is op dat moment zowel tegen zichzelf gericht als tegen de God die 'alle slechte zaken, die ze meemaakt en om zich heen ziet, maar laat gebeuren'. In 1990 trouwt Jip met de Fransman Philippe Combes, een geluidstechnicus, die zij tijdens een filmproductie heeft leren kennen. Ze vestigen zich in Frankrijk, trekken zich terug uit de glamourwereld en zoeken meer verdieping in hun leven. Die vinden ze binnen de christelijke en joodse religie en tradities. In een gemeentehuis in het vijfde arrondissement van Parijs net naast de Sorbonne, wordt Jip kort daarvoor 'met krachtige hand door God tot de orde geroepen' op het moment dat ze mentaal volledig aan de grond zit. Ze beseft dat haar hele leven een aanloop is geweest naar deze omkering en diepe loutering en een unieke kans op een authentiek leven. Een leven 'onder Het Woord' begint.

Rust en verkenning
In 1998 strijkt het echtpaar Combes uiteindelijk neer in het Zwitserse Sergy en kan Jip haar eigen atelier in de oude boerderij inrichten. Een plek, van waaruit ze nu nog steeds werkt. Dat is haar ankerpunt, waar ze zichzelf kan zijn en haar kunst tot volle bloei kan laten komen. In dat nieuwe leven hervindt Jip langzamerhand zichzelf. Een 'zelf' dat onlosmakelijk verbonden is met de beeldende kunst ook. Ze wordt zelfs weer met mate actief als actrice en schrijft en bewerkt onder andere een brief uit het 'Dagboek van Etty Hillesum' en gaat in Frankrijk het podium op met deze monoloog. Ze werkt aan een documentaire over de Shoah en start een studie Hebreeuws.

'Mijn werken geven veel van mezelf weer. Ik ben gefascineerd door de verhalen van het Oude Testament, die zo onlosmakelijk met mijn geloof verbonden zijn. Zo direct verbonden ook met het lot, maar ook met de kracht, van het Joodse volk. Dat wil ik in mijn werken tot uiting brengen door aan het afbeelden van tragiek altijd elementen van hoop, volharding en gemeenschap toe te voegen.'

Op dit moment worden haar atelier en tuin aangepast tot 'plek van bezinning en stilte, waar het goed zijn is', een grote klus waardoor ze momenteel niet de echte rust heeft om gestaag en geconcentreerd te kunnen werken.

'Jeremiah 31:31-33, Convenant', 2007, olie op doek, 110 x 140 cm.

Maar dat komt weer, geeft ze aan. Ze onderneemt projecten met anderen, zoals bijvoorbeeld een reis met onder andere Andries Knevel naar Jeruzalem, waar ze bij de Klaagmuur een schilderij maakt, geïnspireerd door haar geloof, de locatie en de indrukken van dat moment. Heel direct is ook nog steeds haar band met de Stichting Anne Frank Huis.

What's in a name
Op de vraag me uit te leggen hoe het komt dat ik Jip Wijngaarden, maar ook Janneke en Yanneke tegenkom, lacht ze. Haar officiële naam is Janneke, vernoemd naar haar oma van vaderszijde, Jantje. Maar de bijnaam Jip werd door haar hele omgeving gebruikt en dus werd het Jip. Ze voélt zich ook Jip. Het Franstalig gebied waar ze woont kent geen letter J en om te voorkomen dat er nog meer varianten ontstaan, gebruikt ze daar Yanneke.

Ik observeer de vrouw die haar verhaal doet en bemerk ontroering bij mezelf, door haar, haar openhartige manier van vertellen. Ze koestert een voelbare tederheid voor de oude Jip die ze was, dat zindert door haar werk en in haar woorden. In de onderstroom van deze door het leven gepokt en gemazelde nog jonge vrouw bevindt zich een kracht die ik enkel kan omschrijven als 'stralend en aanwezig'.

Waarheidsgetrouw werken

Behalve het Oude Testament zijn er nog een aantal inspiratiebronnen, waar Jip uit put, onder meer het werk van Paul Klee, Chagall, Willem de Kooning en William Turner en de muziek van Mendelsohn. Die zekere melancholie in muziek en werken van de mensen die ze bewondert, straalt ze zelf ook uit. Bij al deze grote kunstenaars vond ze een 'getrouwe waarheid', die ik ook in haar werken bespeur. Vooral in haar eigen sprekende ogen. Ogen, die ik in nagenoeg alle personages in haar werk terug zie.

Vooral de invloed van Marc Chagall is duidelijk terug te vinden in haar werken. Haar beroemde voorganger heeft de weg vrijgemaakt voor het afbeelden van joodse taferelen en personages. In wezen is dit verboden in het joods geloof. Net als Chagall zijn joodse taferelen haar centrale thema geworden en werkt ze met vrij primaire, confronterende kleuren en zijn de personages vrij grof weergegeven.

Bij het zien van het beeldje 'Troost' (2004) moet ik een natuurlijke neiging bedwingen om mijn armen rond de twee figuren te slaan. Ik wil de man en vrouw troosten, die buigen onder hun verdriet. De innigheid die het beeld toont, is van een menselijke warmte en saamhorigheid, die je iedereen toewenst. Het werk 'Kadosh' (2005) straalt behalve wanhoop ook hoop uit, verbeeld in de opgeheven armen van de figuur links. Geknield en het gelaat opgericht naar de hemel, trekt hij de aandacht weg van de wanhoop van de andere personages. Hoe erg de omstandigheden ook, er is en rest altijd hoop.

Het tweeluik 'Separation' (2007) bezit diezelfde contradictie: een enorme angst en paniek, verweven met tekenen van hoop, zoals het grote hart. Die dubbele laag is in de meeste werken van Jip te vinden. Zoals dat ook in het menselijk leven zelf ervaren wordt. 'Rebecca' (2008) is een onmiskenbaar zelfportret, waarbij me weer de ogen opvallen die met een verwonderde blik de wereld inkijken, zoals ook de ogen in het frêle gezicht van Jip doen.


'Genesis 3:8-10, Separation (dyptych)', 2007, olie op doek, 90 x 110 cm, 90 x 55 cm.

Kunstenaar ondergeschikt aan kunst
Ze geeft stellig aan, dat haar werk niet om haarzelf draait, maar om wat ze te zeggen heeft. En haar woord, is gebaseerd op Het Woord. In de woorden van Psalm 22, die haar zo dierbaar zijn geworden, herken ik de Jip die voor me zit: 'Waarom hebt U mij in de steek gelaten?' De lijdende Jezus en de lijdende mens staan centraal, die door datzelfde lijden de basis van geloof, hoop en liefde weer terug hebben moeten vinden. Werk, spiritualiteit, geloof en de ziel vallen samen.
Jip is na jaren van intensief strijden met zichzelf en de wereld weer in goede harmonie met Janneke en Yanneke.

Jip van Wijngaarden, beeldend kunstenaar, website: www.yannekewijngaarden.nl.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Kandinsky: horen en zien

'Ein Künstler, welcher in der wenn auch künstlerischen Nachahmung der Naturerscheinungen kein Ziel für sich sieht und ein Schöpfer ist, welcher seine innere Welt zum Ausdruck bringen will und muß, sieht mit Neid, wie solche Ziele in der heute unmateriellsten Kunst - der Musik - natürlich und leicht zu erreichen sind. Es ist verständlich, daß er sich ihr zuwendet und versucht, dieselben Mittel in seiner Kunst zu finden.' Uit: 'Über das Geistige in der Kunst', Kandinsky 1912

Door Lea Nieuwhof

Tijdens de koffiepauze van mijn bezoek aan de expositie Wassily Kandinsky (1866-1944) en Der Blaue Reiter (ongeveer 1911-1914) in het Gemeentemuseum Den Haag, las ik op de achterkant van 'NRC Handelsblad' twee gedichten. Ze gingen over dingen die je kunt horen, maar niet kan zien en over dingen die je kan zien maar niet kan horen. Deze simpele orde van de dingen, die we met elk zintuig apart waarnemen, wordt door de schilderijen van Kandinsky op zijn kop gezet. Synesthesie is het verschijnsel dat, wanneer een zintuig geprikkeld wordt door bij voorbeeld muziek tegelijkertijd ook een ander zintuig reageert door bijvoorbeeld kleuren te zien. Muziek was een vorm van kunst die voor Kandinsky heel inspirerend werkte.

 
Wassily Kandinsky, Impressie III (Concert), 1911, olieverf op doek, 77,5 x 100 cm, collectie Lenbachhaus München.

De expositie in het Gemeentemuseum toont de ontwikkeling van figuratief herkenbaar werk naar abstractie die Kandinsky in wisselwerking met leden van de kunstenaarsgroep Der Blaue Reiter heeft gemaakt. Door in de verschillende zalen werk uit bepaalde perioden samen te brengen met het werk van tijdgenoten worden bepaalde overeenkomsten en verschillen tussen Kandinsky en andere kunstenaars benadrukt.

Kleur

Zoals in het citaat hierboven uit 'Über das Geistige in der Kunst' te lezen, wil Kandinsky een innerlijke wereld uitdrukken. Terwijl dit bij muziek moeiteloos gaat, moet de schilderkunst zich bevrijden van de druk om de waarneembare werkelijkheid weer te geven. De middelen van de schilderkunst zijn voor hem vooral kleur, vorm, compositie. Niet alleen Kandinsky, maar ook andere leden van Der Blaue Reiter, zoals Jawlensky, Gabriele Münter ervoeren sterk hoe vorm en kleur een eigen leven en taal hebben.

Een prachtig portret van Münter toont Marianne von Werefkin, fier zittend met een grote hoed waaronder een groenig beschaduwd gezicht, een paars-roze sjaal tegen een goudgele achtergrond. Maar vooral met een portret van de schilder Jawlensky, zittend aan tafel onder het licht van de lamp, laat zij zien hoe kleur en vorm samen expressief kunnen worden. Een ovale roze vlek als hoofd met blauwe puntogen en een driehoekig groene baard, lui achteroverliggend; het overhemd wordt een roze baan, het licht van de lamp is een witgele halve cirkel, de tafel koud blauwwit. Alles wordt aangegeven door bijna geometrische vormen met een bepaalde kleur.

Schilders als Franz Marc en August Macke bewegen met hun kleurkeuze nog in het gebied tussen de kleur van de waargenomen werkelijkheid (het groen van een tuin enzovoort) en tussen een kleur die bepaald wordt door het zoeken naar expressie. Natuurlijke kleuren worden geïntensiveerd.

In de eerste schilderijen op de expositie van Kandinsky zie je vooral het gebruik van primaire en secundaire kleuren (de kleuren van de regenboog). Hij laat in zijn latere abstracte werk elke verwijzing naar de bestaande werkelijkheid los. Voor Kandinsky was de werking van koude (blauw) en warme (geel) kleuren, het wijken, naar de diepte gaan of naar de kijker toekomen en de werking van licht en donker belangrijk. Hij vond dat in combinatie met bepaalde geometrische vormen (cirkel, driehoek enzovoort) de kleurwerking nog sterker kon worden.

Binnen of buiten de lijntjes?

In zijn manier van schilderen, van toets- en penseelgebruik, is verf, verftoets en penseelstreek belangrijk. In een klein realistisch strandlandschap uit 1906 strooit Kandinsky pasteuze toetsen over het bijna kale doek op de voorgrond. Geschilderd met net zo pasteuze toetsen, maar dan samengesmolten tot kleurvlakken zijn de strandkorven, duinen en het blauw van de lucht en de zee in de verte. De streken verf hebben ieder hun eigen kleur.

Deze manier van schilderen, waarbij de streken als mozaïekstenen, vorm en vlak tegelijk zijn, zie je ook terug in de schilderijen die beïnvloed zijn door Russische sprookjes en volkskunst. Een paar kleine landschappen uit de beginperiode in Murnau zijn strak opgebouwd uit kleurvlakken, gevormd door een rechthoekige penseelstreek.

Steeds belangrijker wordt een vrijere en lossere penseelvoering. Losgeschilderde transparante of opake vlekken en lijnen worden ritmisch verspreid over het beeldvlak. In 'Oriëntale' (1909) wordt een groep staande en zittende mensen getoond tegen een vage achtergrond, waarin verticale vormen van minaretten opduiken. Gebaren en lichamen, houdingen zijn herkenbaar. In verschillende nuances zijn alle kleuren van de kleurencirkel gebruikt. Rood, geel, blauw en groen cirkelen rond de grote witte vorm op de voorgrond die gevormd word door kleding. Ruimtelijkheid wordt nog door overlappende vormen opgeroepen. De vlekken die de achtergrond aangeven, zijn net zo belangrijk en gelijksoortig als de vormen die de figuren aangeven. Stevige penseelstreken blijven binnen de grenzen van het vlak.

In 'Impressie VI (Zondag)' wordt de relatie tussen contourlijn en het beschilderde vlak verbroken. Het schilderij wordt beheerst door grote losgeschilderde blauwe vlekken. Samen met witte vlekken suggereert het een paar, buiten wandelend. Het blauw is met een los en groots gebaar afwisselend transparant en dekkend geschilderd. De kleur blijft niet meer binnen de contouren van de vorm. Wat zwarte lijnen schetsen stukken van de jurk van de vrouw, de hoed, schouders en benen van de man. Contrasterende kleuren, bruin, geel, rood benadrukken de rand van het doek.

In het latere abstracte werk ontwikkelt hij twee verschillende hanteringen. Een heel los, vrij en gevarieerd handschrift met krabbels, tekentjes, losse lijnen of een strakke bijna met een liniaal getrokken contourlijn, waarbinnen vorm en kleur zo intens mogelijk gemaakt worden.

Relatie vorm en achtergrond/organisatie beeldvlak

Bij alle leden van Der Blaue Reiter zie je het zoeken naar een manier om vormen en kleuren op het beeldvlak te organiseren. Een aantal schilders, zoals August Macke, Franz Marc en Heinrich Campendonk, gebruikt een overall compositie, waarbij lijnen en kleurvlakken, vorm en achtergrond verdeeld zijn in dezelfde soort sterke ritmische vlakken. Alle vormen worden ondergeschikt gemaakt aan het grote grid dat over het vlak ligt. Het zou een manier kunnen zijn om beweging te brengen in de statische vorm van kunst die schilderkunst is.

Franz Marc plaatst zijn dieren aanvankelijk in een landschap dat met ritmische golvende of rechte lijnen overal om de dieren heen wordt weergeven. Langzaam worden dier en landschap een geheel en op dezelfde manier gevormd. 'De tijger' (1912) ligt tussen hoekige vlakken, die stenen maar ook grond of vegetatie zouden kunnen zijn. Even hoekig zijn kop, lijf, poot en ruggengraat. Extreem ver zijn de overeenkomsten doorgevoerd in 'Deer in Monastery Garden' uit 1912. Met groene, paarse en blauwe kleurvlakken wordt een omgeving gesuggereerd. Diagonale, verticale lijnen en wat gebogen lijnen geven de vorm van vegetatie, gebouwen en het dier aan.

Opvallend is dat Kandinsky het meest vrij is en bijna geen herkenbare basisstructuur gebruikt. In de halfabstracte werken, bijvoorbeeld uit de serie improvisatie, is nog een vage compositie te herkennen. In de werveling van strepen en vlekken duiken herkenbare vormen en ordeningen op.

Franz Marc, De tijger, 1912, olieverf op doek, 111 x 101 cm, collectie Lenbachhaus München.

Een voorbeeld hiervan is: 'Improvisatie 26 (roeien)'. Zes zwarte lijnen bewegen naast elkaar vanuit de linkerhoek naar het midden, omcirkeld door een rozerode halve boogvorm als zij telkens in een grote boog met spanen in en uit het water gaan. Een paar zwarte lijnen zouden figuren kunnen suggereren. Kleinere donkere zwarte silhouetvormen drijven hoog. De vlekken groen, blauw, zachtgeel en de pastelkleuren roepen een heldere zonnige dag op. Een golvende lijn beweegt zich van links naar recht over het beeldvlak.

In het abstractere werk strooit hij gevarieerde vormen over een vlak, vaak in een wervelende beweging. In 'Painting with White Form' uit 1913 is elke herkenbare vorm en organisatie verdwenen. Donkere blauwe en rode kleuren die met wit en lichtere vormen sterk contrasteren, geven het schilderij een centrum. Blauw en zwart zinken weg in de diepte. Een lijn zwiert los over het doek. Je oog wordt vanuit het centrum in een excentrische beweging naar buiten geleid en je komt allerlei losse krabbels en tekens tegen. Lijnen worden in het centrum benadrukt als contourlijn van een vorm door er een donkere kleur tegenaan te zetten of ze gaan hun eigen gang en zijn golvend, dik en recht, krassend of los en vrij. Vormen zijn organisch, soms wolkerig, soms puntiger.

De denkwereld en inspiratiebronnen van Kandinsky en tijdgenoten worden met teksten en foto’s verduidelijkt. Jammer genoeg ontbreekt het geluid van de muziek.

De tentoonstelling Kandinsky en Der Blaue Reiter was van 6 februari t/m 24 mei 2010 te zien in het Haags Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag.
Website: www.gemeentemuseum.nl.

Lea Nieuwhof is beeldend kunstenaar.

Lees ook het artikel van Wim Adema over deze tentoonstelling.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Twee gedichten van Ingrid van den Bergh

Gedichten: Ingrid van den Bergh, weblog: www.vkblog.nl/blog/52977/Schrijvende_Wijs. Foto´s: Britta van der Laan.

Terug naar boven

 

The 2010 edition TEFAF

Er zijn nu diverse Europese steden die lonken naar deze fair, in het bijzonder Basel. TEFAF is dan ook niet meer bescheiden te noemen, met 263 galerieën/exposanten uit zeventien landen.

Door Joke Nieuwenhuis Schrama

Naar verluidt blijft The European Fine Art Foundation voorlopig tot 2015 in Maastricht en dat is beslist de juiste stad! Tenslotte is deze mooie fair daar in 1975 als kunstbeurs begonnen, bescheiden, maar wel internationaal en was drie jaar later succesvol samen in een kunst- én antiekbeurs veranderd. Er zijn nu diverse Europese steden die lonken naar deze fair, in het bijzonder Basel. TEFAF is dan ook niet meer bescheiden te noemen, met 263 galerieën/exposanten uit zeventien landen.

Maastricht is niet de oudste stad van Nederland maar wel de meest Europese en ook de meest Bourgondische. Tijdens TEFAF, die wereldwijd bekend is, deint de hele stad graag mee op het succes en niet alleen de stad zelf, in de wijde omtrek wordt een graantje meegepikt, wat ieder van harte is gegund. En we hebben het niet alleen over de horeca, die een oppepper momenteel wel kan gebruiken. Op ieder plein of mooie plek in de stad is wel een object d'art te vinden, mooi, leuk, aardig, inventief, zot of bizar. Ook winkeliers etaleren naast hun koopwaar, kunst uit bekende galeries of direct van de kunstenaar.

Bij gelegenheid wil ik nog wel een van de vele open dagen bezoeken in een keur van galerieën, die niet op TEFAF staan. Er zijn tal van exposities en ik heb een notitie gemaakt van 'the Cassini Cruise II' in de Maastrichtse

 
Kijkdagen op de TEFAF 2010. Foto: Loraine Bodewes.

Bouillonstraat, georganiseerd door www.appr-art.com; verder KiV www.kunstinvalkenburg.nl in Valkenburg aan de Geul en het blad MaasEuregio maakt melding van een nieuw museum in Vaals www.museumvaals.nl, met unieke heiligenbeelden, vorig jaar geopend door Henk Schiffmacher. Maar voorlopig 'even' TEFAF.

Tulpen
Met een uitnodiging in mijn tasje bezoek ik TEFAF op de enige dinsdag. Vooraf heb ik besloten de meeste aandacht te besteden binnen de nieuwe sectie: 'TEFAF on Paper'. Bij binnenkomst ruik ik aan een van de 23 duizend rozen, waarmee de entreehal is opgefleurd Verder zal ik nóg eens 27 duizend rozen en ongeveer 49 duizend tulpen tegenkomen als ik goed oplet ... De tulpen zijn vanuit Frankrijk ingevoerd. Waarom, vraag ik mij als bollendochter zijnde af, niet uit Anna Paulowna of uit Lisserbroek? Hebben ze daar geen papagaaitulpenkwekers? Nou ja, we hadden tenslotte een strenge winter, dus nog geen tulpen van de koude grond en bovendien, je bent 'European' of niet.

TEFAF on Paper
De nieuwe en negende sectie op deze beurs herbergt alleen al negentien galerieën uit acht landen en is als enig gedeelte op de eerste verdieping, daar waar vorig jaar TEFAF Design was en die sectie is nu beneden. De plattegrond en de persberichten bekijk ik nog even snel tussen de rozen en zoek dan mijn weg naar boven, werken op papier hebben altijd mijn speciale interesse.

Het is daar rustig en koel. In het centrum van deze sectie is een bibliotheek/boekentafel gesitueerd met een adequate collectie kunstboeken, zodat eventueel wat naslagwerk gedaan kan worden. De sectie belooft verrassende onbekende tekeningen, manuscripten, grafieken, foto's et cetera te tonen en ik begin in de galerie van E.H. Ariëns Kappers www.masterprints.nl. Deze galerie heeft inmiddels al de portfolio verkocht met 22 lithografieën, 'Le Café Concert' 46,5 x 29 cm; elf van Henri-Gabriel Ibels en elf van Henri de Toulouse-Lautrec, uitgegeven door L'Estampe Originale in Parijs, 1893. Te laat om te kopen, maar ik kan nog wel kijken!

Dan stap ik binnen bij www.galerie-laurentin.com. Deze stand heeft ruim tachtig werken op papier van Aurelie Nemours (1910-2005) en gezien haar honderdste geboortejaar zal dit een hommage zijn. Alle artistieke perioden uit haar leven zijn hier vertegenwoordigd. De meeste werken zijn nooit eerder tentoongesteld, vaak wel voorbereidingen van haar schilderijen.

Picasso
Van Aurelie stap ik naar de galerie ertegenover van www.evbaeyer.com. Daar is een notitie/schetsboekje met zestien bladen (32 pagina's) van Pablo Picasso (1881-1973) te koop voor 72 duizend euro. Het komt direct uit zijn nalatenschap (een relikwie!). De schetsen zijn uit de perforatie gehaald, jammer maar ja, wat voor schetsen het ook waren, het boekje zou waarschijnlijk duurder zijn uitgevallen. Geld speelt geen rol als het gaat om een icoon als Picasso … Picasso gebruikte het boekje in 1904/'05 en schreef er voornamelijk in welke kleurpigmenten hij nodig had voor het schilderij dat hij maakte van de Famille de Saltimbanques in 1905, een doek van 212,8 x 229,6 cm, dat nu in het bezit is van de The National Gallery of Art in Washington (www.nga.gov/object=46665). Misschien heeft dit museum belangstelling …

Irving Penn
Ik maak wat aantekeningen in de bieb en ga dan door naar www.hamiltonsgallery.com en bekijk daar 'Small Trades', een selectie van dertig foto's van Irving Penn. De maten zijn (even snel omgerekend) ongeveer 50 x 36 cm in een platinum palladium print. De bijzondere serie is voor het eerst te zien in Europa, na de tentoonstelling in het Getty museum in New York.

Bij de kolensjouwer heb ik een déjà vu, de kolenboer vroeger aan huis lachte ook zo vriendelijk met zijn wittetandenlach in zijn zwarte stofsnoet! Die jutezak die hij als een soort capuchon op het hoofd droeg ter bescherming, maakt het griezelig. In de vijftiger en zestiger jaren werd ten behoeve van de (zwarte) Jaarsmakachel deze brandstof aangeleverd bij ons ouderlijk huis. Ik hoor het geluid weer van het leegstorten van de zwart geworden zakken met kooltjes (antraciet nootje nummer …?) bovenin het kolenhok.

De 'kleine ondernemers' zijn gecast en gekleed in de originele beroepskleding en poseren met de bijbehorende rekwisieten. De studio-opnamen zijn gemaakt in Parijs, Londen en New York. Het is een prachtige serie! Voor wie nog naar Londen reist, het is daar te zien en te koop.

Inspirator
In de galerie van www.tanakaya.fr zie ik 'woodblock prints' van Katsushika Hokusai (1760-1849) en Utagawa Hiroshige (1797-1858). De eerste was de inspirator van de tweede. Zouden ze zich ooit hebben voorgesteld dat ze hier, in een westerse galerie gebroederlijk naast elkaar zouden hangen. Mijnheer Ikeda, de Japanse galerist en manager, knikt mij beleefd toe. Ik bekijk hier ook Shungaprints. Alle erotische kunst wordt in Japan Shunga genoemd. Het betekent zoiets als 'Lente!'. Ik zie enkele printen van een minnekozend paar (man en vrouw). De taferelen zien er door de gedrapeerde kleding zo fijnzinnig en teder uit. Het is evenwel heel direct getekend en gedrukt, met wel degelijk onverhulde handelingen. Als het foto's waren geweest waren het pornografiekjes, maar het zijn geen foto's. In deze stand is het alleen maar oosters subtiel en hoog verfijnd verkeren!

Ballotage
Ik ga naar beneden, op weg naar het eetpaviljoen, Grab & Co, kunst kijken maakt hongerig. Nu pas zie ik goed hoeveel bezoekers er zijn, want er is nauwelijks een zitplaats te vinden, wat doe je hier ook in lunchtijd? Hierna wil ik nog even naar de 'Showcase', een klein paviljoen waar nieuwe galeries worden geïntroduceerd. Als galeriehouder kom je niet zomaar op deze beurs. Er komen 26 ballotagecommissies met 187 experts aan te pas om de authenticiteit, kwaliteit en conditie te waarborgen van alle aangeboden voorwerpen op deze beurs. Deze uitverkoren galeriehouders in de 'Showcase', geven in een beperkte ruimte alvast een preview.

Beer of zeug
Op weg naar de nieuwe exposanten loop ik binnen bij www.haunchofvenison.com. Ik bekijk er prachtige video's van Bill Viola. Achter mij beweegt een installatie, twee eendere vitrines schuiven langs elkaar 'this little piggy went to the market, this little piggy stayed at home', met daarin het exact doorgesneden geformaldehydeerde varken van Damien Hirst. Ik heb niet gekeken of het gehalveerde varken een beer was/is of een zeug. Ik zag alleen een grauw, maar compleet spijsverteringskanaal, steeds weer langzaam tevoorschijn komen! Welk abattoir zou een zodanig gigantische Berkel (snijmachine) hebben staan om dit dier zo precies door de helft te snijden? Waarom ben ik altijd met praktische zaken bezig? Het is gewoon Stunt Kunst … Wie riep daar dat kunst begrenzingen heeft?

Kunst is beleving, een ondergaan. Wordt het, om het maar populair te zeggen 'gehyped'? Dan staat ons nog wat te wachten … Mij deed het denken aan een kermispanopticum op de 3-oktoberfeesten in Leiden, ergens in de zestiger jaren. Ik was daar samen met een vriendinnetje. Voor twee kwartjes konden we een collectie bizarre dingen bekijken. Ik herinner me een afgehakte vrouwenhand uit de middeleeuwen, ooit toebehoord aan een vrouw die iets had gestolen. Het was een hompje rookvlees geworden, met uitgegroeide nagels, dat net zo goed van een man had kunnen zijn. Als bakvissen stonden we erbij te griezelen.

TEFAF Maastricht 2010. Foto: Loraine Bodewes.

Sonsbeek 1970
Ik stap ook even binnen bij www.hauserwirth.com en daar zie ik aan de wand een aantal mixed media op papier van Christo. Hoe is het mogelijk! Enkele maanden terug bezochten we het Kröller-Müller Museum en reden daarna richting Arnhem, min of meer op zoek naar Park Sonsbeek, zolang het nog licht was. En kijk aan, ik krijg het nu hier ingelijst en wel. Christo (1935) heeft Sonsbeek al ingepakt in 1970! 'Wrapped Walk Ways Project for Sonsbeek, Arnhem, Holland'. Een zwart-witfoto van het park, ongeveer 71 x 56 cm, bewerkt met grafiet, houtskool, tape, nietjes, lijm en nog meer. Alleen de wandelpaden zijn ingepakt met zo te zien tafzijde of acetaat.

Showcase
In de 'Showcase' is de stand van www.hiddevanseggelen.com. Deze galerie had ik al opgemerkt en ik beschreef deze tijdens de PAN Amsterdam, voornamelijk de kunstenaars Pieter Laurens Mol (1946) en Andy Holden (1982). Galerie www.nomosag.com heeft een speciale collectie munten en medailles voor deze beurs samengesteld en minimalistisch, maar stijlvol geëtaleerd. Mr. Alan Walker geeft mij graag uitleg en doet dat met blijk van grote kennis. Hij heeft Griekse gouden munten, geld- uit 400 v.Chr. De stempel die een kunstenaar/meester vervaardigde en waarmee deze munten werden geslagen door middel van een hamer, ging zo ongeveer tienduizend keer mee. Niet te geloven, maar zilver en goud is zacht en laat zich makkelijk beslaan. Dit werk is voor mij iets tussen en kunst en ambacht in, zoals het maken van een etsplaat.

'In die tijd liep men in the Lowlands of Holland nog door modder en stro, slootjes graven, dijken opwerpen', zo stel ik vast. Geld was niet in omgang, alleen ruilhandel was van toepassing: pecunia.
Hij laat me geruststellend wat herdenkingspenningen zien uit de zestiende en zeventiende eeuw, die wel in Nederland zijn geslagen. 'Dat is iets later', zo merk ik op. 'In die tijd speelde geld inmiddels wel een rol! En het rolde ook … denk aan de (papagaai)tulpengekte!' Die Hollanders hadden ondertussen een band met (munt)geld ontwikkeld. Bij de Grieken is het nu wat minder, maar het zal een golfbeweging zijn, hopelijk …

Een bezoek aan de TEFAF Maastricht is de moeite alleszins waard. De volgende gelegenheid is van 18 tot 27 maart 2011. Website: www.tefaf.com.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Garden of Transformations

Amsterdam is dé stad der nationaliteiten en culturen. Er is geen enkele andere stad in de wereld die méér dan 178 nationaliteiten herbergt….
…Men schijnt zich thuis te voelen …

Door Joke Nieuwenhuis Schrama

In een van de ruimtes (Crossfire Project Base) van het Wilhelmina Pakhuis te Amsterdam was van 4 tot 14 maart de - pilot - presentatie Garden of Transformations te zien, een concept van de kunstenares Sabina Woerner en cineaste en documentairemaakster Petra Klimek. Het geheel was min of meer georganiseerd in het kader van Internationale Vrouwendag op 8 maart. Een bijzonder concept, twaalf vrouwen portretten -170 x 200 cm in acryl- van Sabina Woerner's hand, plus twaalf bijbehorende verhalen gefilmd door Petra Klimek.

Twaalf vrouwen met een andere nationaliteit dan de Nederlandse. Uitgenodigd voor de opening van deze presentatie, ga ik donderdag 4 maart

 
De schilderijen van Sabina Woerner in de Stopera in Amsterdam.

naar de Veemkade. Op een grote tafel in het midden van deze expositieruimte staan zes portable dvd spelers. Op elke daarvan wordt een video vertoond met het interview met een van de geschilderde vrouwen, twee vrouwen per portable om precies te zijn, in een willekeurige volgorde. Van deze twaalf vrouwen zijn er drie aanwezig, maar voor het diner op 8 maart zullen zij allen samenzijn!

Inhoudelijk zijn de gesprekken zeer divers, in een rustige sfeer wordt inzicht gegeven in de gevoelens en gedachten van deze twaalf vrouwen. Van iedere geportretteerde wordt wel ongeveer duidelijk hoe zij hier in Amsterdam terecht is gekomen en hoe zij zich in deze stad thuis is gaan voelen, zonder het land van herkomst te vergeten. Onder meer de lotgevallen van Trish, die hier te maken kreeg met een ernstige ziekte, die zij overleefde. Het succes waarmee Aysel de maatschappelijke ladder hier weet te beklimmen, maar waar zij heel nuchter onder blijft. Maite die dingen vertelt uit het dagelijks leven. Sommigen geven er de voorkeur aan in het Engels te spreken, omdat zij de Nederlandse taal (nog) niet perfect beheersen.

De interviews zijn zowel opgenomen door Petra Klimek en Sabina Het kunstenaarscollectief Polaroid is door Woerner in 2005 begonnen en binnen deze groep is onder andere het idee ontstaan voor dit concept. Dapper, in een stad waar zoveel initiatieven zijn die kunst tonen. Sabina heeft twaalf maanden nodig gehad om deze portretten te vervaardigen. Woerner schildert bijna feeëriek, maar bepaald niet ingetogen! Haar kleurenpalet is zeer uitbundig en ik stel me zo voor dat bij deze kleurenexplosies, zij af en toe haar ogen 'op adem' moet laten komen! Op haar website staat ook 'coloriste' en dat is geen superlatief!

Het is een levend project van Woerner en Klimek, na deze pilot wordt weer verder gewerkt in de garden of transformations. Immers, Amsterdam is dé stad der nationaliteiten en culturen Er is geen enkele andere stad in de wereld die méér dan 178 nationaliteiten herbergt. Voor een stad met krap 850.000 inwoners is dat niet onaanzienlijk!
Men schijnt zich thuis te voelen …

Garden of Transformations is van 7 juni tot 17 juli 2010 nog te zien in de Stopera tussen het muziektheater (ingang: Amstel 3 en Waterlooplein) en het stadhuis in Amsterdam.

Meer informatie kunt u vinden op de volgende websites: www.sabinawoerner.com/garden_of_transformations.htm; www.stamkunstprojecten.nl.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Kunstflitsen

Een rubriek waarin medewerkers van Het Beeldende Kunstjournaal tips geven over mooie tentoonstellingen en evenementen die een bezoek waard zijn of een mooi boek aanprijzen.

Stilstaan bij beweging. Het bezoekerscentrum van de Stichting Het Zuid-Hollands landschap 'De Tenellaplas' heeft een klein, informatief museum. In de maanden juni en juli exposeert de kunstenares Marieke van der Ploeg hier haar tekeningen uit de natuurserie 'Stilstaan bij beweging'. De tekeningen zijn een weerslag van 'letterlijk en figuurlijk' stilstaan bij de zee en het duinlandschap. Als beschermer van het Zuid-Hollands landschap kampeert zij al vijfentwintig jaar in dit gebied. Het zijn zeelandschappen op papier, die zij maakt. De golvende bewegingen van duinen en zee lopen in elkaar over en beïnvloeden elkaar. In de zee ziet de kunstenares duinlandschappen en in duinlandschappen de zee. Zoals het water, de wind en het zand sporen achterlaten in de zee en het landschap in de Oostvoornse duinen, zo laat zij haar ’handtekening’ achter op papier en drukt ze de schoonheid van schepping, energie en beweging op geheel eigen wijze uit. Deze expositie is zeker voor natuurliefhebbers zeer de moeite waard. Marieke van der Ploeg, 'Stilstaan bij beweging', tekeningen, juni en juli 2010, Bezoekerscentrum Tenellaplas, Duinstraat 12a, 3235 NK Rockanje. Website: www.zuidhollandslandschap.nl/tenellaplas (Anneke Haasnoot en Manja Herstel).

Lily Corver, graficus werkzaam in de buitenruimte. Wie als beeldend kunstenaar alle dagen aanwezig is op zijn atelier, heeft vaak een subsidie van het fonds, een werkende partner of kan bestaan van de opbrengsten van het beeldend werk. Niet altijd is dat werk in de eigen discipline. In Rotterdam is op verschillende plaatsen in de buitenruimte werk te vinden van Lily Corver. Doel is het eigen karakter en de gebruiksfunctie van de plek te versterken en een bepaalde lelijkheid en saaiheid te verbreken. Elektriciteitshuisjes, delen van een muur, hoeken waar altijd rommel terecht komt, gaan na beschildering een positieve bijdrage leveren aan de omgeving. Het Tiendplein ligt bij de West-Kruiskade, die een aantal jaren geleden nog berucht was vanwege overlast van drugshandel en daklozen. Hier is de plek, waar al jarenlang een bloemenstal staat, gemarkeerd door een beschilderd elektriciteitshuisje. Voor de bewoners van de Allard Piersonstraat krijgt de naam van hun straat een gezicht door kennis te maken met de betekenis van Allard Pierson als archeoloog. In veel opdrachten combineert Corver graag tekst en beeld. Teksten ontstaan in wisselwerking met de gebruikers van een locatie. Haar sterke ambachtelijkheid en aanpassingsvermogen in de omgang met aannemers en de communicatie met opdrachtgevers demonstreert ze in vier grote mozaïeken, waarbij het volledige proces van ontwerp tot eindproduct in eigen hand gehouden is. Wil je het werk bekijken in Rotterdam (Oude Westen), stippel dan een route uit langs de Gaffelstraat, Drievriendenstraat, Tiendplein, Allard Piersonstraat en Adrianaplein. Een fiets is handig. Lily Corver, website: www.lilycorver.nl (Lea Nieuwhof).

Terug naar boven

Inhoud