Okt. -nov. 2011, 6e jg. nr.5. Eindredactie: Rob den Boer. Postbus 268, 4100 AG Culemborg. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 
VOORKANT ACTUEEL OPINIE AGENDA UITGELICHT DOSSIERS ARCHIEF COLOFON
Voorpagina
artikel
over kunst en kunstenaars meningen
en columns
actuele
exposities
opmerkelijke
kunstberichten
artikelen uit alle 
vorige nummers

de laatste  
drie nummers

Informatie over
Het Beeldende Kunstjournaal
 

Actueel

De diepgang van Jan Sluijters

De schilder Jan Sluijters (1881-1957) werd in zijn tijd geregeld neergezet als een kunstenaar met weinig diepgang, een na-aper, of een productiemachine, die teveel vlak werk afleverde. Een oordeel dat in onze tijd nog doorklinkt.

Door Peter van Dijk

Gebrek aan diepgang is gemakkelijk gezegd, maar diepgang is een lastig begrip. 'Oude man in stoel' van Rembrandt heeft ongetwijfeld diepgang, maar waarom? Omdat oude mannen met baarden diepgang hebben? Omdat Rembrandt wijsheid in zijn gezicht schilderde? Heeft het portret van kardinaal Willem van Rossum van Jan Sluijters geen diepgang? Ik zou zeggen van wel, maar criticus De Bois van het Haarlems Dagblad oordeelde in 1927: "een onverbiddelijke, bijna wreede scherpte (…) Een koude vivisectie, waaraan iets zeer fundamenteels nu eenmaal niet eigen is, en van Sluijters moeilijk te verwachten." Blijkbaar veronderstelde De Bois geen fundamentele visie bij Sluijters en had hij bij prelaten vooral zachte innemende gezichten voor ogen.

 
Jan Sluijters, 'Vrouwelijk naakt op sofa', 1919, 144 x 183 cm, Frans Hals Museum, Haarlem.

In mijn ogen is de Van Rossum van Sluijters wel degelijk een 'fundamenteel' portret, van een man vol mededogen en vergeestelijking. De conclusie lijkt onvermijdelijk: veronderstelde diepgang of het gebrek eraan komt voor een deel voor rekening van de kijker.

Een na-aper is Jan Sluijters zeker geweest. Na-apen is een vrij gewoon onderdeel van de artistieke opleiding. Iedere academieleerling werd vroeger met een schetsboek het museum ingestuurd om erkende meesters na te tekenen. Zo leren kinderen, zo leren artistieke talenten. Vakmannen leerden vroeger hun vak in een meester-gezel verhouding. De vraag in het geval van Sluijters is of het na-apen uit een tekort aan eigen artistiek vermogen voortkwam en dus zijn hele artistieke leven heeft geduurd of uit puur enthousiasme over het werk van zijn buitenlandse collega's en uiteindelijk overging in een eigen stijl?
Het laatste is het geval. Uit allerlei getuigenissen blijkt dat Sluijters de eerste helft van zijn schildersloopbaan zocht naar een eigen stijl, maar voortdurend enthousiast raakte door nieuwe stromingen die hij in Parijs gezien had. Impressionisme, kubisme, luminisme, pointillisme, maniërisme, fauvisme, expressionisme. Al het nieuwe inspireerde hem. In zijn werk tref je invloeden aan van Bonnard, Van Gogh, Mondriaan, Cézanne, Van Dongen, Modigliani, Franz Marc en anderen. Het is niet na-apen dat hem in het bloed zat, maar oprecht plezier in schilderen, waarachtige schildersdrift. "Mijn beste schilderij," zo heeft hij vaak gezegd, "dat is het volgende dat ik ga maken." Sluijters had een hekel aan dogma's. "Stel dat ik een groot picturaal talent heb, ik zou wel gek zijn het op te offeren aan een bepaalde theorie."

In 1911 bezocht hij samen met Leo Gestel Parijs en zag tentoonstellingen van Picasso en Braque. Prompt brak er weer een nieuwe episode van experimenten aan. En waarom ook niet? Welke schilder heeft geen invloeden van voorgangers ondergaan? Invloeden van voorgangers is zelfs een nieuwe mode onder tentoonstellingmakers. De grote tentoonstelling De meesters van Picasso in Parijs in 2008-2009 trok ongeëvenaarde drommen bezoekers naar het Grand Palais. Het Parijse Musée d'Orsay toonde dit voorjaar Manet in zijn historische context. Onafzienbare rijen buiten en binnen. Het Van Gogh Museum in Amsterdam geeft permanent onderricht in de geestelijke vaders van Vincent van Gogh, in Amsterdam en in zijn annex in Den Haag, de Collectie Mesdag. Het heeft overigens wel lang geduurd voordat Sluijters zijn eigen constante stijl ontwikkeld had, ruwweg tot 1920, zo'n 15 jaar.

Tenslotte de productiemachine-Sluijters. Het is waar, het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag is nog altijd aan het tellen hoeveel werken Sluijters gemaakt heeft en de tellers worden voortdurend verrast door nieuwe werken die door particulieren aangeboden worden op veilingen. Schattingen geven aan dat Sluijters een oeuvre heeft nagelaten van zo'n drieduizend schilderijen. Veel prachtig naast veel vlak werk.

Hoogtepunten
Met deze kennis gewapend is het een genoegen de tentoonstelling Sluijters 1881-1957 in het Museum Singer Laren te bezoeken. De samenstellers hebben alleen hoogtepunten uit Sluijters oeuvre opgehangen, in totaal 75 schilderijen. Het minder interessante werk is geweerd en dat maakt de tentoonstelling tot een belevenis. De ontwikkeling van Sluijters komt evenwichtig tot zijn recht, ook de invloed van anderen als Mondriaan en Van Dongen. Chronologische, zorgvuldig geselecteerde tentoonstellingen geven de bezoeker de mogelijkheid greep te krijgen op de artistieke drijfveren van de kunstenaar. Bij Sluijters worden die gaandeweg overduidelijk: dichtbij de realiteit blijven, kleur, vrouwen, natuur, experiment en verstilling.

De allereerste confrontatie met de schilder is overdonderend. De bezoeker staat na het openen van de deur van de eerste tentoonstellingszaal oog in oog met 'Bal Tabarin', een doek van 2 meter bij 1.40 uit 1907, een knetterend dansfeest in Parijs, in kleine driftige verfstreken geschilderd, feestende mensen, uitgelaten onder een stuwende kolking van licht, het eerste elektrische licht in Parijs, dat tot een zelfde vervoering en vrolijkheid leidde op de Parijse boulevards als de gasverlichting twintig jaar eerder, taferelen die door Vincent van Gogh zijn vastgelegd. Sluijters hoopte dit zinderende schilderij te exposeren op de 'Vierjaarlijksche', een prestigieuze tentoonstelling in Amsterdam. Het werd geweigerd. Het was niet de eerste keer. In artistieke ontwikkeling en kennis van de nieuwste stromingen liep Sluijters ver vooruit op de Holland-
Jan Sluijters, 'Bloemen in een vensterbank', 1913, 76,5 x 93 cm, Museum de Fundatie, Heino/Wijhe en Zwolle.

se kunstnotabelen en botste herhaaldelijk met hen. In die zin was hij waarlijk een modernist op Hollandse bodem.

Aan welke schilderkunstige beelden die artistieke notabelen gewend waren wordt in dezelfde eerste zaal mooi gedemonstreerd door 'Eliza wekt de zoon op van de Sunamitische vrouw', het zeer classicistische schilderij, zoetsappig als een echte Arij Scheffer, waarmee de tweeëntwintig-jarige Sluijters de Prix de Rome won in 1904. De prijs was een reisbeurs voor vier achtereenvolgende jaren, waarvan Sluijters er maar twee vol mocht maken. Na een bezoek aan Parijs schilderde hij als een Hollandse Toulouse-Lautrec twee zoenende vrouwen, de een roze gekleed de ander zwart, vuurrode lippen, elkaar in een zinnelijke vloeiende beweging omhelzend. De jury van de Prix de Rome oordeelde dat het goede geld niet aan dergelijke "drieste veronachtzaming der schoonheid in de vrouwelijke vormen, de quasi-schitterende maar pijndoende kleuren-wreedheid" verspild hoefde te worden en trok de reisbeurs doodleuk in.

Onder deze juryleden bevonden zich zijn leraar prof. August Allebé, Pieter Josselin de Jong en Willem Maris, alle drie bekende schilders. Allebé was een fundamentalist, hij verbood aan het begin van de twintigste eeuw zijn leerlingen van de Rijksacademie de naam Vincent van Gogh in mond te nemen. Een halve eeuw eerder werd dergelijk autoritair regentengedrag ook nog in Frankrijk in de Academie gesignaleerd bij schilders van naam die bang waren voor concurrentie, maar na 1870 eigenlijk niet meer. Nederland leefde wel erg geïsoleerd van de grote wereld. De 'Femmes qui s'embrassent' werd ook op een tentoonstelling in Utrecht en door het Stedelijk Museum in Amsterdam geweigerd wegens "onzedelijke strekking."

De afgewezen schilder trok zich enige tijd terug in Renkum en ging voor het eerst gedurende een lange periode buiten schilderen. Door het tumult rond zijn schilderijen van "onzedelijke strekking" was zijn naam wel bekender geworden en de kunstcritici begonnen zijn werk ook voorzichtig te prijzen. De criticus W. Steenhoff vond Sluijters begaafder dan Mondriaan. "Kwaliteiten in zijn werk moeten erkend zijn." En dan volgt de onvermijdelijke kritiek: "'Bal Tabarin' is niet zozeer een mislukking, maar een overmatigheid, een zeer handige pastiche der werken van sommige machtige ultra-moderne Fransen, een artistieke brooddronkenheid." Na-aper dus. Verstoring van het vertrouwde leidt vaak tot afwijzingen die verpakt worden in kritiek als na-aperij of decadentie. De arts-schrijver Frederik van Eeden kwalificeerde het werk van Sluijters, na een tentoonstelling te hebben bezocht als ziek. "Nooit heb ik zulke zuivere gevallen van acute decadence zoo duidelijk voor ogen gehad." Maar Sluijters had ook fans, hij werd enthousiast gesteund door Conrad Kickert, de criticus van de Telegraaf.

In Parijs was Sluijters onder de indruk geraakt van het uitbundige kleurgebruik en de verfstreek van de impressionisten en zijn landgenoot Van Gogh. Tijdens een verblijf in Laren rond 1910 ging hij landschappen schilderen in felle kleuren en in pointillistische stijl, een techniek waarbij de gebruikte puntjes, blokjes en kleine streepjes van verf over het doek lijken te bewegen. Zelf schreef hij in een brief dat het gebruik van deze techniek niet voortkwam uit "een zoeken naar effect, door met kleur te patsen, niet vanuit een onmacht van gewoon realistisch te zijn (…) maar van een heviger voelen van een superioriteit van geest, die ontroerd wordt door de dingen, die boven het gewoon optisch waarneembare staan." Later gebruikte hij de term 'gevoelskleur'. Kortom, hij poogde de ziel van een landschap vast te leggen. Op de tentoonstelling hangen ettelijke spetterende Larense landschappen, 'Zonsopgangen', 'Oktoberzonnen', bosgezichten en prachtige verinnerlijkte 'Maannachten', rode en blauwe vlakken, grillige boomschaduwen en in de hemel een gele maan met halo's van rood en paars. Sluijters lijkt evenals zijn vriend Piet Mondriaan het pad van de abstractie in te slaan.

Experimenteren met het uitdrukken van zijn emotie en de passende vormentaal was spannend, maar Sluijters bleef toch een realist in hart en nieren. Ook in zijn kubistische probeersels als 'Het ontwaken', 'Interieur', 'Bloemen in een vensterbank' (alle drie uit 1913) is duidelijk te zien dat Sluijters stukjes van zijn onderwerp herschikt, maar in feite niets anders kan doen dan een duidelijk naakt, interieur of vaas met bloemen schilderen. Dat blijkt ook wel uit het feit dat hij naast deze halfhartige experimenten in dezelfde maanden zijn buren in de Amsterdamse Jordaan ondanks de ongewoon felle kleuren op zeer natuurlijke wijze schilderde. Een wonderlijke periode is zijn experiment met het maniërisme in Staphorst gedurende de jaren 1915-1917.

 
Jan Sluijters, 'Het ontwaken', 1913, 85 x 106 cm, Singer Laren, bruikleen collectie, Nardinc, Laren.

Boeren en boerinnen stileren tot langgerekte wezens met verfijnde vingers is misschien een aardig esthetisch experiment in verf, maar de geschilderde figuren zijn ongeloofwaardig gezien het harde boerenbestaan. De 'Staphorster boerin' uit 1915 is een mooi portret, maar eerder van een frêle balletdanseres verkleed als boerin dan van een boerin. Stijl en realiteit botsen pijnlijk, zonder zichtbare reden.

Een logisch vervolg op de gestileerde boerinnen zijn de gestileerde naakten die Sluijters vanaf 1917 schildert. Deze naakten, dezelfde langgerekte figuren als in Staphorst, verbeelden door hun wonderlijke sierlijke vormen de wufte, verleidelijke stadse vrouwen. Ze zijn elegant, van een decoratieve schoonheid, lange ledematen, emotieloos, bijna in hun bleekheid doods, etalagepoppen. Ze doen sterk denken aan de portretten van Amedeo Modigliani. De truc van overstilering werkte beter in Amsterdam dan in Staphorst.
Op de tentoonstelling in Laren worden van deze serie naakten alleen 'Vrouwelijk naakt op sofa' en 'Bruidje' getoond. Maar deze twee werken demonstreren dat Sluijters' bedoelingen vooral decoratief waren. Op de gestreepte sofa steekt het bleke naakt nog duidelijk af tegen de licht paarse gordijnen en krijgt daardoor min of meer een eigen identiteit, maar het naakte bruidje met een sluier rond haar hoofd lijkt zelf onderdeel van de partij gordijnen te zijn geworden. Alles is decoratief op dit schilderij, sierlijk en emotieloos. Pure vorm, met een beetje kleur in het bloemboeket. Gedurende deze maniëristische periode schildert hij naast langgerekte vrouwen ook zijn eigen gezin, maar op realistische wijze. Hij beoefende als het ware zijn 'core business', maar experimenteerde er intussen flink op los.

Zijn maniëristische liefde duikt rond 1920 nog een keer op in een serie danseressen, geïnspireerd door de Duitse danseres Gertrud Leistikow, die een lange soepele gestalte had. Ditmaal weet Sluijters met deze stijlfiguur overtuigend een sierlijke dans op te roepen. Zijn bescheiden kleurgebruik in het schilderij 'Danseres' (1920), overwegend warm rood, een beetje strogeel en groen, tegen een donkere achtergrond, verhoogt het effect van verstilde concentratie van de danseres. Ongetwijfeld een van de vele hoogtepunten van de tentoonstelling. Sluijters is nu rond de veertig jaar en zijn stijl, kleur en thematiek worden bedachtzamer. De permanente vernieuwingsdrang is verdwenen. Overzichtstentoonstellingen in Nederland zijn ondenkbaar zonder zijn inbreng. Zijn naam garandeert in die tijd hoge bezoekersaantallen en zijn werk fungeert als norm voor de kwaliteit van zijn collega's. Iedereen is het er over eens dat Sluijters het modernisme naar Nederland heeft gebracht. BNers willen zich alleen door hem laten portretteren. De gevierde pionier verdient er een fortuin mee.

Na 1925 legt Sluijters zich in hoofdzaak toe op drie onderwerpen: stadsgezichten en landschappen, portretten en stillevens. In de interessante catalogus van de tentoonstelling, waarin overigens het kleurgebruik van Sluijters slecht afgedrukt staat, wordt deze rijpe Sluijters helder neergezet: realisme zonder opsmuk, forse expressieve techniek, veel kleur, primaire heldere thematiek zonder boodschap. Sluijters zelf zei in een interview: "Het gaat in de schilderkunst om de verdeeling van lijnen en vlakken, en wanneer het surrealisme evenals het futurisme uiting tracht te geven aan wat de kunstenaar in zijn onderbewustzijn voelt, dan acht ik dat alleen aanvaardbaar, wanneer hij inderdaad die gevoelens als schilder behandelt." Met een dergelijke opvatting maakte Sluijters zich kwetsbaar voor allerlei kritische opmerkingen in de trant van virtuoze schilder, maar lege vorm. Zeker van de kant van Nederlandse criticasters, voor wie diepgang blijkbaar een onmisbaar element in een kunstwerk is. Kunst zonder diepgang is hun ogen slechts decoratie.

Henri Focillon, in die tijd een bekend criticus schreef: "Men zou kunnen zeggen dat er in zijn borst twee zielen leven, die van de virtuoos en die van de dichter, het zou jammer zijn als de eerste het van de tweede won, want de eerste is minder van kwaliteit." Focillon slaat de dichter hoger aan dan de virtuoos. De bravoure van de boodschap staat hoger genoteerd dan de esthetische bravoure. Deze tweedeling doet denken aan de typisch Hollandse tegenstelling koopman-dominee. Op de tentoonstelling kan de bezoeker zelf constateren dat dergelijke kritiek op het werk van Sluijters in deze rijpe fase gratuite en aanvechtbaar is. Soms maakt virtuositeit diepgang overbodig. Zie bijvoorbeeld 'La joie de peindre', uit 1946, een naakt op een sofa, het heeft inderdaad geen diepgang, maar welk een fantastisch gebruik van kleur, wat een schilder-plezier! Het schildersbeest Sluijters schildert de somberte van de oorlogstijd en van zijn lidmaatschap van de Kulturkammer in een klap van zich af. Maar in deze rijpe fase en met name in zijn portretten is het ook mogelijk de dichter in Sluijters aan het werk te zien.
Jan Sluijters, 'Zelfportret', 1924, 132 x 117 cm, Stedelijk Museum, Amsterdam.

Mengelberg wordt met zijn poenige bontkraag als een hautaine maestro neergezet, de natuurkundige prof. De Sitter wordt getypeerd door zijn verlegen maar intelligente ogen, kardinaal Van Rossum straalt spiritualiteit uit en zijn eigen vrouw heeft hij raak getroffen als 'grande dame'. Zijn portretten bewijzen dat Sluijters een karakter kon peilen en neerzetten. Hij zag meer dan alleen oppervlakte.

Maar ook zijn virtuoze kant krijgt in deze periode dichterlijke allure. Een van zijn mooiste werken vind ik 'Stilleven met naakt' (1933). In stemmige kleuren -grijs, taupe, lichtbruin, roomwit, - schildert hij fruit, een paar vazen, een schaal, een kopje, een Afrikaans beeldje en een uitdrukkingsloze naakte vrouw, een helder wit overhemd losjes over de rechterschouder. De vrouw is geheel in zichzelf verzonken, stil en roerloos. Het naakt is zelf stilleven geworden, levenloos onderdeel van de compositie, los van sensualiteit en erotiek, elementen die Sluijters' vroegere werk vaak kenmerkten. Het enige leven op dit schilderij zit in de priemende oogjes van het Afrikaanse beeldje. Een zelfde poëtisch effect heeft 'Vrouwelijk naakt op de rug', de draai van de vrouw, haar armen en de ronding van haar billen ziet men terug in de witte amfoor op het tafeltje naast haar. In veel van Jan Sluijters' werk, dat binnen geschilderd is, treffen we vazen met bloemen, fruitschalen, flesjes, beeldjes uit Afrika. Ze zijn niet alleen mooi, maar geven ook accent aan de kleur en vorm van de andere objecten. Door al die aandacht voor detail en compositie, voor vorm en kleur gaf Sluijters zijn latere schilderijen, naast zijn beste portretten, een eigen diepgang. De diepgang van de harmonie en schoonheid.

Sluijters, t/m 20 januari 2012, Museum Singer Laren, Oude Drift 1, Laren.
Website: www.singerlaren.nl.

Peter van Dijk is journalist.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Interview: Kunstenaars vertellen het verhaal van hun streek
over een museum in transformatie

Museum De Oude Wolden in het Groningse Bellingwolde wil van een typisch 'klassiek' streekmuseum, waar de uiteenlopende collecties gescheiden in diverse zalen worden getoond veranderen naar een museum waar (regionale) kunstenaars de geschiedenis van de streek vertellen. Voor dit doel wordt het huidige museum op dit moment ingrijpend verbouwd. Daardoor kan meer betekenis worden gegeven aan de collecties streekgeschiedenis en moderne kunst, zodat een bezoek aan het museum een ware belevenis wordt. Een interview met de directeur die dit proces begeleidt, mevrouw Obby Veenstra.

Door Rob den Boer

Museum De Oude Wolden is gelegen aan misschien wel de langste straat van Nederland, met de meeste bushaltes. In de anderhalf uur die ik heb uitgetrokken om het dorp te bekijken, slaag ik er niet in om het hele lintdorp af te lopen. Wel zie ik de imposante Oldambtster boerderijen die langs de Hoofdweg staan, met klassieke voorgevels van landhuisformaat, aangebouwde grote schuur in het verlengde van het woonhuis en prachtige siertuinen ervoor. Dit type boerderij is kenmerkend voor deze streek; nergens in Nederland was het klassenverschil tussen de boeren en de landarbeiders zo groot en dat uitte zich ook in de omvang en decoratie van hun huizen: alles of letterlijk niets.

 
Het huidige onderkomen van museum De Oude Wolden.

Het museum bevindt zich aan dezelfde weg, in de stenen schuur van een herenhuis dat is afgebroken. De schuur heeft vervolgens, na een verbouwing waarbij ook ramen in de muren werden aangebracht, tot woonhuis gediend. Binnen is de oude haard nog steeds te bezichtigen in wat nu de ontvangstruimte is, waar ook wisselexposities worden gehouden. Daarachter bevindt zich nieuwbouw, doorsneden door een lange gang met glasoverkapping. Directeur Obby Veenstra leidt me rond.

We beginnen in de grootste zaal waar foto's van arbeiders hangen, in of om hun huis. De foto's zijn gemaakt door de huisarts Pieter Bloemers Middendorp uit Bellingwolde en de fotograaf Tonnis Post uit Winschoten, die hiermee vanaf circa 1913 aandacht wilden vragen voor de erbarmelijke leefomstandigheden van de arbeiders uit de streek. Hun huizen waren eigenlijk niet meer dan bouwvallige hutten, met benauwde bedsteden en ramen die niet open konden, waarin men vaak met grote gezinnen op een kluitje leefde. Ze stonden meestal niet langs de weg maar achteraf op het land, want de armoede mocht niet worden gezien. Ook de werkomstandigheden bij de boeren waren zeer zwaar; er moest van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat worden gewerkt, met het hele gezin.

Naast deze foto's zijn in de museumzaal ook oude kasten, gebruiksvoorwerpen en winkelinventarissen uit vroeger tijden te bezichtigen.

In de ontvangstruimte hangt de collectie met werk van De Ploeg, van de schilders Dijkstra, Altink en Walrecht. Er staan ook twee oude sofa's, waarin Hendrik Werkman in zijn stamcafé met zijn vakbroeders over de kunst placht te filosoferen. Toen ik het museum bezocht was hier ook de tentoonstelling 'Garden of Eden' te zien (t/m 14 augustus) met grote bloemschilderijen van Theo Leijdekkers en een conceptuele tuin van Daniël Levy. Mede door het formaat en het kikvorsperspectief van waaruit geschilderd is, krijgen de bloemen van Leijdekkers een welhaast sculpturale waarde.

Obby Veenstra

Een aparte zaal is gereserveerd voor de collectie Bruckman. Lodewijk Bruckman (1903-1995) was een Nederlandse fijnschilder, geboren in Den Haag, die te karakteriseren is als Magisch Realist. Hij had behoorlijk succes in de Verenigde Staten waar hij jarenlang woonde, maar nooit in Nederland. Ik herinner me een programma op de Nederlandse televisie ergens begin jaren '90 waarin hij zijn teleurstelling hierover duidelijk liet merken. Het Museum De Oude Wolden is het enige museum in Nederland dat een collectie van behoorlijke omvang van zijn schilderijen bezit, merendeel stillevens uit zijn latere jaren. Het is wel werk waar je van moet houden, maar Bruckman had in ieder geval een fenomenale techniek. Terug uit Amerika woonde hij met zijn levenspartner Evert Zeeven in verschillende plaatsen in Nederland, waaronder een hotel in Bellingwolde, dat tegenover het museum staat en nog steeds een hotel is. Het verblijf beviel kennelijk goed want in 1988 schonken Bruckman en Zeeven de genoemde collectie aan het Museum De Oude Wolden.

Het museum wordt momenteel grondig vernieuwd en ik ga in gesprek met Obby Veenstra over het doel hiervan en het artistieke beleid voor de toekomst.

Den Boer: "Wat is doelstelling van Museum De Oude Wolden (MOW)?"

Veenstra: "Het MOW is een aparte stichting die als doel heeft om een stuk cultuurhistorie uit deze omgeving te behouden. Daarnaast organiseren we exposities met werk van locale kunstenaars. Je zou onze doelstelling samen kunnen vatten in de trefwoorden: kunst – streek – geschiedenis. Die drie zien wij niet als losse thema's, maar kunnen elkaar juist goed aanvullen."

Den Boer: "Welke functie vervult het MOW in de streek?"

Veenstra: "De gemeente is de belangrijkste subsidiegever van het MOW en wil een nieuwe impuls geven aan het museum om het aanbod voor toeristen en bewoners naast de mooie natuur uit te breiden met een goede voorziening op het gebied van kunst en cultuur. Dat is uniek in deze tijd van bezuinigingen. Om dit transformatieproces vorm te geven ben ik als directeur benoemd, een functie die hiervoor niet bestond. Het museum heeft altijd kunnen bestaan door de inzet van een kleine vaste staf en circa twintig vrijwilligers en dat worden er hoop ik nog meer."

Den Boer: "Wat was de voornaamste drijfveer voor de gemeente om deze nieuwe impuls te genereren en wat betekent dit voor het huidige gebouw?"

Veenstra: "Het museum kende tegenvallende bezoekersaantallen, terwijl het een spilfunctie zou moeten vervullen in het recreatief-toeristische aanbod. Daarnaast is de opzet van het gebouw erg 'hokkerig'; alle collecties hangen en staan op dit moment ieder in een aparte ruimte zonder logische samenhang.

 
De historische collectie in de huidige opstelling.

Het nieuwe museum zal geen compleet nieuw gebouw worden; op basis van de bestaande structuur zal een ingrijpende verbouwing plaatsvinden waarvoor het geld al is gealloceerd, ook vanuit particuliere fondsen. We streven naar oplevering in april/mei 2012."

Den Boer: "Wat wilt u vooral veranderen in het nieuwe museum?"

Veenstra: "We willen meer eenheid in het museum. Kunst en de historische collecties moeten samen de verhalen vertellen die achter de grote gevels in de omgeving spelen. Een kunstenaar kan dat bij uitstek op een interactieve manier vormgeven. Verder willen we de zichtbaarheid verbeteren door de ingang van de zijkant naar de voorkant van het complex te verhuizen en deze opvallender vorm te geven. Binnen moet een logische looproute komen zodat de bezoeker als het ware door het museum wordt geleid. Het vernieuwde gebouw moet de kunst dienen en zal daarom van binnen als een 'white cube' worden uitgevoerd. Daarentegen zal de 'oudbouw' waar nu de ontvangstruimte in is gevestigd en wisseltentoonstellingen worden gehouden, in originele staat worden hersteld. In het vernieuwde museum zal ook ruimte komen voor lezingen en performances want we willen van vijf tentoonstellingen per jaar terug naar twee tot drie, die dan wel groter van opzet zullen zijn met een aantrekkelijke randprogrammering die daarop voortborduurt."

Den Boer: "Kunt u iets meer vertellen over de nieuwe programmering?"

Veenstra: "Wij kiezen niet voor één onderschei-dende optie. We organiseren wisselexposities als dragende kracht naast de Bruckmancollectie en de Ploeg. De streekgeschiedenis zal niet meer permanent te bezichtigen zijn, maar wordt in wisseltentoonstellingen gepresenteerd die ook artistiek interessant zullen zijn. Overigens zullen we de streekcollectie in de komende jaren wel online beschikbaar gaan stellen. Verder willen we bijvoorbeeld ook cultuurhistorische routes uitzetten, met informatie via de smartphone of begeleiding door kunstenaars, zodat de streek meer een persoonlijk verhaal wordt in plaats van puur inhoudelijk. Zo kan meer beleving ontstaan vanuit verschillende perspectieven."
Arie Zuidersma, 'Verwoesting', 1976, acryl, De Ploeg.

Den Boer: "Kunt u een voorbeeld geven van zo'n interactief kunstproject over de streek dat u in het nieuwe museum wilt tonen?"

Veenstra: "We kunnen bijvoorbeeld kunstenaars opdracht geven foto's te maken van locaties in de omgeving aan de hand waarvan we de geschiedenis van de streek kunnen vertellen. Zo kunnen we tegelijkertijd regionale kunstenaars promoten."

Den Boer: "Is een plaggenhut in de tuin van het museum een optie, zodat mensen de leefomstandigheden van de arbeiders van toen zelf kunnen ervaren?"

Veenstra: "Nee, die staan al in openluchtmusea. Ik kan me wel voorstellen dat we een keer zo'n grote herenboerderij op schaal in kijkdoosvorm namaken. Zoiets moet je dan ook museaal overdrijven, zoals ik dat noem. Het interessante aan een museum leiden is dat je je kunt onderscheiden door betekenis te geven. Waar gaat het over? Wat wil ik vertellen? Hoe creëer ik een verrassende blik op alledaagse zaken? Het MOW van nu heeft de losse ingrediënten wel, de vraag is hoe we die op een zinvolle wijze kunnen samenbinden."

Den Boer: "Waar wilt u over vijf jaar met het MOW staan?"

Veenstra: "Dan wil ik dat mensen het MOW bezoeken omdat ze weten dat het goed en verrassend is wat ze te zien krijgen en dat er wat te doen is. Daarnaast willen we laagdrempelig blijven. Verder kunnen door samen te werken met andere streekmusea in de regio een complete schil vormen, waarbij de diverse collecties elkaar aanvullen en versterken. Het belangrijkste van onze nieuwe opzet is dat we de mensen er bewust van maken dat kunst luikjes in hun hoofd kan openen die anders gesloten blijven."

Museum De Oude Wolden, Hoofdweg 161, Bellingwolde, www.museumdeoudewolden.nl.

Rob den Boer is beeldend kunstenaar en publiceerde over beeldende kunst in diverse media.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Lodewijk van Deyssel en de schilderkunst van Matthijs Maris

Waarom zijn sommige schrijvers zo gefascineerd door schilderkunst? Kunnen schilders met verf en penseel dichter bij de essentie van het leven komen dan schrijvers. Of is er sprake van een diepgaande verwantschap? Een zoektocht naar de kracht van licht en donker.

Door Wim Adema

Toen ik het boek 'Bijlichtingen' van de Belgische schrijver Bernard Dewulf las, was ik reeds verrast door zijn diepgaande interesse in schilderkunst, het leven van schilders en hun werk. Het leek alsof hij met woorden de magie van kleur, lijn, vorm en compositie trachtte te vertalen in schilderkunstige taferelen, alleen nu met een visualisatie in woorden. Van de Nederlandse schrijver Lodewijk van Deyssel (1864-1952) was eveneens bekend dat hij een grote voorliefde voor kunst en kunstenaars had. Hij was een liefhebber van 'Het ware schoone' en had een grote bewondering voor de kunstschilder Matthijs Maris (1839-1917).

'Het ware schoone'
In De Hallen te Haarlem werd in 2006 reeds een grote expositie gehouden over deze grote liefde van Lodewijk van Deyssel: kijken naar kunst. Met de titel 'Het ware schoone' werd toen uitgebreid aandacht gegeven aan zijn brede interesse voor kunst en kunstenaars.

 
Portret van Lodewijk van Deyssel op 29-jarige leeftijd, door Jan Veth (1893).

De schrijver had een grote bewondering voor de Gouden Eeuw, met name schilders als Rembrandt, Frans Hals en Vermeer. Met geestverwanten probeerde Van Deyssel (een pseudoniem voor Karel Alberdingk Thijm) opnieuw een nieuwe literaire bloeitijd te scheppen:

"Wij, troep jonge Nederlanders, schilders en schrijvers,....zouden in ons 'beroep', een nieuw tijdperk van bloei, zoo als er nog nimmer- en sedert de zeventiende eeuw zeker niet- een geweest was, doen ontstaan...Wij gevoelden ons aan onze zeventiende-eeuwsche schilders gelijk..."

Met opstellen over Jozef Israëls, Jan Toorop, Piet Mondriaan, Kees Verwey, Jacobus van Looy en Isaac Israëls toonde hij zich een scherpzinnig en gevoelvol observator, vaak heftig en kritisch, maar ook open en spontaan over zijn kunstbelevingen. Hij toonde zonder schroom altijd een rijk palet van zijn belevingen. Achter zijn soms breedvoerige zinnen, een pathos zonder gêne, verscholen zich echter de meeste subtiele kunstgedachten en -observaties. Zonder schaamte schreef hij over 'huilen bij kunst', liever gothiek dan Palladio, antipathiek, Van Meegeren, weemoed en 'leelyk' en superieur. Voor de schilder Matthijs Maris had hij een grote bewondering. In 1894 reisde hij naar Londen, waar Maris woonde.

Londen: Thijs Maris en Alma Tadema
Zijn bezoek aan Londen combineerde Lodewijk van Deyssel met atelierbezoeken aan Matthijs Maris en Lawrence Alma Tadema. In zijn boek 'Verbeeldingen' (1908) doet Van Deyssel uitgebreid verslag hiervan. Opmerkelijk is zijn waardering voor beide schilders, maar al lezend verschuiven de decors en hun attributen. Er ontstaat een zoektocht naar de essentie van schilderkunst. De rijkdom van een Griekse tempel bij Alma Tadema wordt minder van belang dan het uiterst armelijke werkkamertje van Maris, die de ziel toont van een gotische kathedraal.
Van Deyssel schrijft: "Toch zou ik alle witte terrassen en galerijen met hun roosbloemen willen ruilen voor een enkel schilderij: 'De vlinders' van Thijs Maris. Hoewel de schrijver niet weet wie er gelijk heeft, neemt de ziel van Maris schoone zichtbare vormen aan."

Een half open stoffig venster
De ateliers van Henri Boot en Kees Verwey doen denken aan het werkkamertje van Matthijs Maris. Lodewijk van Deyssel kende de ateliers van Boot en Verwey. Er is een zelfde afwezigheid van aandacht voor het interieur. Ook bij Matthijs Maris hangt een zelfde stofkleurige, grijze en gele atmosfeer. Een interieur waarin jarenlang niets veranderd is. Alles hangt en staat in een bepaalde compositie, direct beschikbaar om geschilderd te worden. De ruimtes zijn tijdloos, de verstreken tijd toont een grijze en stoffige atmosfeer. Een grijs laken ligt over het leven. Het huisje van Maris is zowel van buiten als binnen tijdloos. Slechts een half open stoffig venster vertelt aan de buitenkant over zijn aanwezigheid. Echter binnen twee stappen stond Van Deyssel in de ontzettende intimiteit der armoede. Hij begreep dat hij hier in 1894 op een der subliemste plaatsen van de wereld was, waarschijnlijk op de heiligste plek, althans in Europa aangetroffen.

Het gele witte licht....
"......Het tafeltje de banken, de voorwerpen waren zoo verkleurd en donker en oud en vuil, dat het geen voorwerpen meer waren, zij waren als vastgegroeid samen en getransfigureerd, zij hadden de kleuren van vreemde, donkere voetpaden, waarover een leven schrijdt dat niet van deze wereld is....dat er een licht schijnen kan, dat maar zelden door de meest uitverkorenen der menschen wordt aanschouwd...Het was er vreemd-soortig-, het was er wonder-prachtig...Het leven, het schoone, vrouwelijk, leven was hier verdord en versteend, het was er ook als tot asch geworden, en het licht, het gele witte licht, dat er zoo overvloedig schoon, gelijk het innerlijk licht van Hem...De vuilheid bestond in al het bruine, maar opmerkelijk zuiver was de vuilheid-geen
liggend vuil was aanwezig..en al donker door het fijne, sterke licht en niet duidelijk te onderscheiden..."

Groote schilderijen...
"...stonden, alle met hun ruggen naar ons toe... de schilder is klein-hoekig en mager...een fel wit licht, opmerkelijk veel lichter dat men vermoeden zoû dat van deze donker grijze hemel buiten kon dalen...En in dat licht...stond hij de eenzame kunstenaar...Het licht viel op zijn gezicht, zijn lichte oogen waren in het licht...want 's-nachts als het veel stiller is, dan op de dagen...brengt hij zijn hoofd naar de lampenschijn van onder het groene papier, die op het doek valt, waarvan hij bezig is en schildert... men moest niet schilderen voor de markt, maar schilderen moest men met zijn hart...Eindelijk dan, keerde hij een der schilderijen om... met haar doffe fijne kleuren als een mijmering verscheen..beeltenis van een schoone vrouw en meisje...moeder en haar dochter..mijne meening is dat Thijs Maris dwaalt, maar dat zijne dwaling schooner is en hem hoger heeft gevoerd, dan wie ook sinds de renaissance."

'De Vlinders'
Dit olieverfschilderij uit 1874 verbeeldt voor Lodewijk van Deyssel misschien de schilderkunst van Matthijs Maris. Een meisje met een zachtgroene jurk en kanten kraagjes, liggend in een veld vol bloemen, omringd door vlinders. Een romantische verbeelding, maar tegelijkertijd een olieverfdoek waarin men een zacht diffuus daglicht kan ervaren. Een licht dat de kleuren verzacht en een introverte atmosfeer geeft. Een schilderij waarin Lodewijk van Deyssel pure schilderkunst zag.
Hij schrijf hierover: "Mij dunkt, dat het al mooi zou zijn als de ziel van Thijs Maris kon leven in de vormen van Alma Tadema. Thijs Maris vertegenwoordigt echter, vooral in zijn later werk, een subliem exces - dat iets meer dan volmaakt en dus niet volmaakt, - want de mensch is niet ziel alleen, maar eene ziel die schoone zichtbare vormen heeft aangenomen."

Als men zijn 'Verzamelde Opstellen' of het boek 'Verbeeldingen' leest, dan wordt steeds meer duidelijk dat Lodewijk van Deyssel met woorden de verbeelding van schilders wilde aanvullen. Bij Thijs Maris ervaarde echter hij een grens. Je voelt echter ook zijn schroom om verder te vragen.

Bronnen:
1. 'Verbeeldingen', 1908, uitgave Scheltema & Holkema's Boekhandel, Amsterdam;
2. 'Verzamelde Opstellen', (1894-1912) (elf bundels) uitgave: Scheltema & Holkema's Boekhandel, Amsterdam.

Wim Adema is beeldend kunstenaar en fotograaf en publiceert regelmatig artikelen over beeldende kunst in diverse media. Klik hier om zijn website te bekijken.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Twee haiku's van Ria Giskes. Verder op deze pagina vindt u er nog twee (RdB).

Haiku: Ria Giskes-Pieters; foto: ©John Giskes. Meer haiku's van Ria Giskes vindt u hier: http://tjilp.blogspot.com.

Terug naar boven

 

Een regenboog in het ziekenhuis
De collectie van het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis

Het is de blikvanger in de centrale hal van het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis: 'De Regenboog' vervaardigd door Maria Roosen, tenminste als je even een moment omhoog kijkt bij binnenkomst. Dit kunstwerk, bestaande uit 400 handgeblazen bollen in alle kleuren van de regenboog, is door de kunstenares speciaal voor de entreehal ontworpen voor de officiële opening van het nieuwe ziekenhuisgebouw in 2004.

Door Damiët Kuin

Tussen de gekleurde bollen hangen uitvergrote bedels, voorwerpen van een alledaagse orde: een pinguïn, een rookworst en een fles chocomelk, die van het hemelgewelf een kunstwerk maken van persoonlijk formaat. En dit is dan ook precies de bedoeling.

Frederieke Trouw, kunsthistorica en lid van de kunstcommissie: "De voorwerpen tussen de bollen kunnen mensen doen denken aan thuis en hen hoop geven, als je daar oog voor hebt natuurlijk. Het maakt het werk toegankelijk en brengt het heel dichtbij. De opdracht aan de kunstenares was om een kunstwerk te vervaardigen dat de hal van het ziekenhuis tot een prettiger plek maakt. Dat is, naar mijn mening, prima gelukt. Je raakt als bezoeker in ieder geval niet meteen gedeprimeerd van de sfeer wanneer je dit ziekenhuis binnenkomt."

Kunstcommissie met een missie
Sinds 2003 heeft het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis een zeskoppige kunstcommissie die zich bezighoudt met het zo aangenaam mogelijk decoreren van het interieur van het gebouw. De drijvende kracht achter deze commissie is manager en kunsthistoricus Hans Schoo.

 
Maria Roosen, 'De Regenboog', 2004

Frederieke Trouw: "Wij zorgen ervoor dat er in de algemene ruimten objecten staan en hangen die esthetisch prettig zijn om naar te kijken, plezierig voor de ogen. We willen graag een omgeving creëren waarin mensen zich op hun gemak voelen. Daarom kopen we geen confronterende kunst, die patiënten in het ziekenhuis onaangenaam kan treffen. Daarmee is niet gezegd dat de kunst die hier te zien is alleen makkelijke of populaire kunst is. Het zou mooi zijn als de patiënten het fijn vinden om te kijken naar de aanwezige kunst en we hun interesse wekken, maar we begrijpen dat velen te ziek zijn om zich hier met kunst bezig te houden. Het effect dat wij als kunstcommissie daarom met de kunstwerken willen bereiken, is patiënten even afleiden van hun ziek-zijn en hun zorgen."

De kunstcommissie verwerft jaarlijks twee à drie nieuwe kunstwerken door middel van opdrachten. Kunstenaars worden door de commissie benaderd om een kunstwerk te ontwerpen voor een specifieke plek in het ziekenhuis. De kunstenaar wordt betaald voor het ontwerp. Na beoordeling van het ontwerp geeft de commissie al dan niet de opdracht om het kunstwerk te vervaardigen. De aankopen van nieuwe kunstwerken worden gefinancierd met gelden uit fondsen en door middel van schenkingen van bedrijven en particulieren.
"Mensen die in contact zijn geweest met het ziekenhuis of zelf in het ziekenhuis zijn verpleegd, geven geregeld heel substantiële bedragen om het ziekenhuis te verfraaien," vertelt Frederieke.
Het komt ook voor dat kunstenaars en particulieren kunstwerken aanbieden voor de collectie van het ziekenhuis. De kunstcommissie gaat heel selectief om met dergelijke aanbiedingen. Er wordt kritisch gekeken of het aangeboden werk bij de reeds bestaande collectie past. Zo nu en dan is dit het geval, zoals bij een serie zeefdrukken van Milou Honig, welke een plaats heeft gekregen in de gangen van de medewerkers en in de patiëntenrestaurants.

Healing environment
In diverse ziekenhuizen in Nederland, waaronder Tergooiziekenhuizen – locatie Hilversum, het Martini Ziekenhuis in Groningen, het Erasmus medisch centrum in Rotterdam en het VU medisch centrum in Amsterdam, wordt onderzoek gedaan naar en geëxperimenteerd met het veraangenamen van de omgeving voor en het effect daarvan op de patiënt. Kunst kan er voor zorgen dat mensen zich meer op hun gemak voelen in een gebouw, zeker wanneer dat gebouw een groot, wit en wellicht beangstigend ziekenhuis is. Kunst kan contact maken met en iets weergeven van het leven buiten het ziekenhuis en de communicatie tussen de psyche van de mens en de wereld buiten op gang brengen. Onderzoek wijst uit dat patiënten zich beter voelen in een mooi en sfeervol ingericht gebouw. Zij ervaren tevens minder stress en genezen sneller. Kort gezegd is dit de gedachte achter de 'healing environment'. Een heel scala aan omgevingsfactoren kan bijdragen aan het genezingsproces van een patiënt: licht, kleur, geur, het uitzicht, materiaalgebruik en kunst.

Het begrip 'healing environment' werd in de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw al veel gebruikt in Amerika en is sinds het begin van deze eeuw ook steeds meer doorgedrongen in Nederland. Ook het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis speelt in op de ontwikkelingen op het gebied van de 'healing environment'.
Frederieke: "Je kunt merken dat er steeds meer aandacht komt voor allerlei aspecten van de inrichting van het ziekenhuis. Als je hier om je heen kijkt, dan zie je dat het ziekenhuis met heel veel zorg is ingericht. Een van de leden van onze kunstcommissie, Peter Vanca, is de binnenhuisarchitect van het ziekenhuis. Hij houdt zich bezig met de inrichting. Het is iemand die weet te toveren met kleur en vorm, binnen het budget van het ziekenhuis. De gehele omgeving hier is daardoor net wat mooier en prettiger vormgegeven."

De collectie
Ook met de kunstcollectie en de werken die hiervoor worden aangekocht, probeert de kunstcommissie in te spelen op het aspect van de 'healing environment': het veraangenamen van de omgeving. Dit begint al bij binnenkomst onder het gebouw in de parkeergarage. Kunstenares Karien van Assendelft heeft in samenwerking met Hans Kuiper het niveau verbeeld, waarop je als bezoeker in de garage staat. Rondom is in lichtbakken een serie foto's geplaatst, waarop de wortels en onderste delen van bomen te zien zijn. Het zijn prachtige, rustgevende natuurfoto's waarin door de kunstenaars kleine grapjes zijn verwerkt, zoals een hondje dat op het punt staat tegen een boom aan te plassen. De pilaren in de parkeergarage zijn op ooghoogte versierd met gekleurde vlakken in hetzelfde kleurschema als de foto's.
Frederieke: "Je merkt dat mensen zich hier op hun gemak voelen en zich niet direct de garage uithaasten, zoals vaak het geval is in andere parkeergarages."
Bij binnenkomst vanuit de garage stuit je als bezoeker op een aantal uitvergrote foto's van rozen, onder de naam 'Stop and smell the roses' van fotografe Sylvia Dudok van Heel. Zij heeft in 2002, vlak voor haar overlijden, een deel van haar omvangrijke fotocollectie geschonken aan het ziekenhuis, met als doel deze foto's te gebruiken ter decoratie van het nieuwe ziekenhuis.

In de collectie bevindt zich verder werk van onder meer Claudy Jongstra, Nynke Deinema, Michiel Hoogenboom, Larry Horowitz, Hazel Ling, Jeroen Henneman, Jan Tervoort, James Beckett en Barbara Broekman. Laatstgenoemde kunstenares kwam in contact met het ziekenhuis omdat haar moeder daar verpleegd werd ten tijde van haar ziekte. Na het overlijden van haar moeder maakte Broekman in opdracht de wandvullende collage 'Tribute to life' voor het Piet Borst Auditorium. Het werk is speciaal gericht op artsen en onderzoekers en is een ode aan de schoonheid van het menselijk bestaan in al haar complexiteit. Het is opgebouwd uit foto's van menselijke cellen afgewisseld met foto's van groepen mensen.
©Karien van Assendelft en Hans Kuiper

In een repeterende compositie zoomt dit kunstwerk herhaaldelijk in en uit: van celniveau, de oorsprong van ons bestaan, naar 'overview' van het menselijk bestaan, door gebruik van satellietfoto's van de aarde. Van een afstand is in het werk het gezicht van de moeder van Broekman te zien. Eenmaal dichtbij zijn er diverse portretten zichtbaar van bekenden van de kunstenares die in de loop der tijd geraakt zijn door kanker. Dit maakt het werk tegelijkertijd kwetsbaar en confronterend.

Op de tegenover gelegen wand hangt een werk van Broekman, waarop in zwart en wit enorm grote cellen van planten en bomen zijn geborduurd. Dit zijn de cellen die Antoni van Leeuwenhoek in 1670 tekende in een van zijn studies. Een heel ander werk van Broekman hangt in een van de gangen van het ziekenhuis.
Frederieke: "Ik krijg vaak te horen dat het werk 'Energy' van Barbara Broekman geliefd is bij patiënten. Het levert hen energie op als ze er langs lopen. Het sprankelt aan alle kanten en het is daarmee een heel levendig werk. Een andere favoriet is het schilderij 'Forest' van Larry Horowitz. Een van de patiënten die hier regelmatig komt voor dagbehandeling vertelde mij laatst dat ze altijd eerst even voor dit schilderij gaat staan omdat het haar letterlijk ruimte en lucht geeft."

In de wachtruimte voor de dagbehandeling hangt een kunstwerk van Hazel Ling. Het werk heet 'Ribbon' en het lijkt op een lint, dat over de muur loopt en voortdurend overgaat in verschillende kleuren. Frederieke: "Die kleuren zijn een 'link' naar de veelkleurige bollen in de grote hal."
De loopbrug over de wachtruimte bij de polikliniek is door kunstenares Nynke Deinema ingevuld met foto's van mensen die in de lucht springen en draagt de titel 'Een zwevend moment'. De kunstenares ziet een brug als een overgang van het ene naar het andere moment, een verbinding over een diepte. Om de locatie, de brug, te onderstrepen, heeft de kunstenares gezocht naar een krachtige menselijke beweging. Dit is in haar ogen de sprong. In een sprong zit tegelijkertijd kracht en energie maar ook een onzeker zweefmoment. De emoties die een mens ervaart tijdens een sprong, ervaart een patiënt mogelijk ook terwijl hij onzeker afwacht in de wachtkamer.

In het ziekenhuis zijn er naast de vaste collectie ook wisselende tentoonstellingen te zien van jonge en oudere kunstenaars in en rondom de wachtruimten. Het getoonde werk kan worden aangekocht. Kunstenaars kunnen zich bij de kunstcommissie aanmelden als zij in het ziekenhuis willen exposeren, zo vertelt Frederieke. Zij kunnen, wanneer ze geselecteerd worden, ongeveer drie maanden werk tentoonstellen.
"De tijdelijke exposities zijn heel verschillend van aard. Er is bijvoorbeeld een tentoonstelling geweest met foto's van katten en honden. Dat geëxposeerde werk was heel herkenbaar en aaibaar. We tonen echter ook heel verstild en abstract werk.
De vaste collectie van het ziekenhuis telt inmiddels 15 kunstwerken. Met het oog op de geplande uitbreidingen is er dus nog genoeg ruimte voor opdrachten aan kunstenaars."
Op mijn vraag of er een depot is, moet Frederieke lachen: "We hebben wel een depot, maar dat is de kamer van onze voorzitter, Hans Schoo."

Stichting Patiëntenzorg NKI

Een bijzondere dienstverlening in het ziekenhuis is, naar Engels model, opgezet door de Stichting Patiëntenzorg NKI. Een grote groep dames schenkt dagelijks koffie en thee voor de wachtende patiënten, zij organiseren twee keer per jaar een bijzondere patiëntenmiddag en ze voorzien de algemene ruimten in het ziekenhuis van bloemen en planten. Daarnaast gaan zij wekelijks langs de bedden met een rijdend winkeltje. Iedere dinsdag verrichten de dames van de Stichting Patiëntenzorg een unieke activiteit. Zij gaan met een kar vol ingelijste reproducties langs de bedden van de patiënten in het ziekenhuis.

 
Barbara Broekman, 'Tribute to life', 260 x 2600 cm, gelamineerd, glossy fotopapier, 2008. Fotograaf: Gert Jan van Rooij.


Onder de ruime collectie reproducties bevinden zich schilderijen van Miro, Kandinsky en Monet, maar ook kleurrijke posters van dieren en bloemen. Patiënten, die in het ziekenhuis verzorgd worden, mogen een reproductie uitkiezen die ter plekke op hun kamer wordt opgehangen, zodat ze er vanuit hun bed naar kunnen kijken en van kunnen genieten.

Frederieke: "Patiënten kiezen vaak voor een reproductie die een bepaalde herinnering of gevoel bij hen oproept. Sommigen kiezen voor een afbeelding met boten omdat zij veel gevaren hebben, of voor een afbeelding van een bepaald land waar ze gereisd hebben. Ook zijn er patiënten die afbeeldingen kiezen van honden of katten speciaal voor hun kinderen en kleinkinderen die op bezoek komen. We proberen de omgeving hier zo aangenaam mogelijk te maken voor de patiënten. Soms willen patiënten een reproductie zelfs mee naar huis nemen na afloop van hun ziekbed. In bijzondere gevallen geven we daar gehoor aan. Onlangs hebben we een reproductie meegegeven aan een patiënt die naar huis ging om te sterven. Een bijzonder verhaal is dat van een patiënte die erg ziek was en 's morgens een reproductie uitkoos van een abstract landschap van Nicolaas de Staël. 's Middags overleed ze. Haar echtgenoot vroeg ons of hij de reproductie mee mocht nemen naar huis. Een paar maanden later kreeg ik een telefoontje dat hij de reproductie terug wilde komen brengen omdat hij deze niet meer nodig had. De reproductie had hem geholpen tijdens zijn rouwproces. Als dank heeft hij een serie zelfgemaakte foto's, van bloemen uit zijn tuin, geschonken aan het ziekenhuis. Deze foto's hangen nu tegenover de kamer waar zijn vrouw werd verpleegd."

Tot slot
De kunstcommissie van het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis is een relatief jonge maar zeer gedreven commissie die het interieur van het ziekenhuis graag zo aangenaam mogelijk wil maken voor patiënten, bezoekers en medewerkers. De commissie bestaat inmiddels ruim acht jaar, dat is een relatief korte periode voor het opbouwen van een bedrijfskunstcollectie. Het is dan ook niet vreemd dat er nog geen hard verzamelbeleid of strenge visie is omschreven. De commissie opereert vooralsnog met name vanuit gevoel en smaak, en zeker ook vanuit kunsthistorische expertise. Zij stellen zich vragen als: Wat past er qua kunst bij dit ziekenhuis? Hoe kunnen wij het ziekenhuis zo aangenaam mogelijk maken voor de patiënten, bezoekers en medewerkers? En welke kunstwerken passen bij de kunst die reeds aanwezig is?
De Stichting Patiëntenzorg ondersteunt de kunstcommissie bij het zo aangenaam mogelijk maken van het verblijf van patiënten in het ziekenhuis.

Een wens van de kunstcommissie voor de toekomst is het op een heldere manier ontsluiten van de collectie, via een eigen website, om, zo voegt Frederieke toe, die op deze wijze nog toegankelijker te maken.

Antonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis, Plesmanlaan 121, Amsterdam. Website: www.nki.nl. U komt rechtstreeks op de pagina van de kunstcommissie.

Dit is het zevende artikel uit een serie over bedrijfscollecties van Damiët Kuin. De vorige afleveringen stonden in Het Beeldende Kunstjournaal 2010-nr.2, 3 en 5 en 2011-nr.1, 2 en 3.

Damiët Kuin studeerde Algemene Cultuurwetenschappen (BA) en heeft de master voor Museumconservator afgerond.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Cabaret Voltaire te Zürich en het ontstaan van Dada

Een recente expositie in het Joods Historisch Museum te Amsterdam 'Van Dada tot Surrealisme' gaf aandacht aan Joodse avant-garde kunstenaars uit Roemenië. Het betrof de periode van 1910 tot 1938. Zonder twijfel vormde deze tentoonstelling voor veel bezoekers een eerste kennismaking.

Door Wim Adema

Men kon uitgebreid schilderwerken zien van Victor Brauner, M.H. Maxy, Arthur Segal en de jongere kunstenaars Jules Perahim en Paul Pãun. Inhoudelijk vormden zij duidelijk een verbindingslijn met Tristan Tzara en Marcel Janco, dadaïsten uit het befaamde 'Cabaret Voltaire' te Zürich. Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog bood dit internationale kunstcentrum ruimte aan kunstenaars voor experiment en confrontatie. Het was een ware smeltkroes van creatieve talenten en vernieuwing binnen Europa. Waarom werd 'Cabaret Voltaire' zo belangrijk?

'I went discreetly away'
In 1916 zochten Hugo Ball en zijn partner Emmy Hennings een ruimte voor een literair cabaret. Zij vonden dat in Spiegelstrasse nr. 14 in Zürich. Een café, genaamd 'Tavern Meierei', bleek een geschikte plaats en werd veranderd in 'Künstlerkneipe Voltaire'. Hugo Ball gebruikte de naam van de Franse filosoof Voltaire, omdat de Fransman het boek 'Candide' had geschreven, waarin hij kritiek had op zijn tijd. Deze kritische instelling sprak Hugo Ball bijzonder aan. Het ontstaan en verloop van de Eerste Wereldoorlog was voor hem dermate traumatisch dat Ball zocht naar een mogelijkheid om op allerlei manieren de heersende politieke opvattingen te bestrijden.

 
© Victor Brauner, 'Voor mijn geliefde Sasa Pana', 1930. Collection Vladimir Pana. C/o Pictoright Amsterdam 2011.

Hij schreef onthutsende woorden hierover:

"I didn't like the death hussars.
And not the howitzers with girl's names
And at the end when the great days come
I went discreetly away"

De dramatisch verlopende Eerste Wereldoorlog was voor Hugo Ball een volstrekt zinloze menselijke vernietiging, zodat hij innerlijk zocht naar een plaats waar hij en andere kunstenaars zich konden verzetten tegen de poltieke, maatschappelijke en culturele ontwikkelingen in Europa. In het liberale klimaat van de Zwitserse stad Zürich was het mogelijk om 'Cabaret Voltaire' te laten ontstaan.

Künstlerkneipe Voltaire: All abendlich, Musik, Vorträge, Rezitationen
In de Spiegelstrasse te Zürich startte dus 'Cabaret Voltaire', hoewel het aanvankelijk nog 'Künstlerkneipe Voltaire' heette. De oprichters Hugo Ball (schrijver en theaterdirecteur) en Emmy Hennings (zangeres en danseres) begonnen aanvankelijk met een traditionele opzet, een Franse soireé met Ubu Roi en Alfred Jary. Al snel ontwikkelde men een experimentele vorm. Men was dol op onzin en irrationaliteit. Bizarre voordrachten en experimentele toneelacts zorgden voor hilariteit en dadaïstische 'Spielerei'. Marcel Duchamp, Tristan Tzara, Jean Arp en Marcel Janco waren de eerste enthousiaste deelnemers aan dit cabaret.

'Willkommen sollen alle sein!'
'dadaistische hokuspokus'
'Tummelplatz verrückter Emotionen'

Mouvement Dada
Zonder twijfel waren de Frans-Roemeense dichter Tristan Tzara ((1896-1963) en de Roemeense schilder Marcel Janco (1895-1984) belangrijke promotors van de Dada-beweging. Het Manifest uit 1918 van Tzara gaf uitstekend het dadaïstische anarchisme verbaal vorm. Als dichter beschikte hij over een grote taalrijkdom en kon hij de Dada-ideeën trefzeker verwoorden. Ook de Franse kunstschilder Francis Picabia (1878-1953) toonde een groot enthousiasme voor Dada. Zijn agressieve en nihilistische visie zorgden voor veel commotie in de toenmalige kunstwereld. In een schilderij 'Portret van Cézanne' portretteerde hij de befaamde schilder als opgezette aap. Picabia schreef eveneens Dada-poëzie en beheerde het belangrijke tijdschrijft '391' (1917-1924).

Dada als beweging had echter geen bepaald plan of theorie. Allerlei kunstenaars in Keulen, Berlijn, Parijs en New York hadden soortgelijke ideeën en zorgden mede voor een snelle verbreiding van het Dadaïsme. Volgens de Franse schrijver en filosoof André Breton (1896-1966) was 'Dada meer een geestesgesteldheid'. Men had zich als doel gesteld om de gevestigde waarden in maatschappij en kunst te vernietigen. Dat deze vernietiging tegelijk het zoeken naar nieuwe kunstvormen inhield, was een ironisch feit. Dada hield zich bezig met toeval en irrationaliteit. Men schreef beledigende teksten en hield agressieve en spottende voorstellingen om het publiek te shockeren. In Berlijn kreeg de Dada-beweging zijn meeste politieke vorm.

Gallery Dada
Hoewel talrijke Voltaire-avonden in de Spiegelstrasse volgden, werd 'Cabaret Voltaire' toch snel gedwongen te verhuizen. Aan de Bahnhofstrasse, eveneens in Zürich, vond men in maart 1917 een nieuwe ontmoetingsplek. Hier ontstond 'Gallery Dada' en werd ook het tijdschrijft 'Dada' in 1917 opgericht. In 'Gallery Dada' presenteerden Kandinsky, Arp, de Chirico, Feininger, Ernst, Janco, Modigliani en Kokoschka hun werk. Tussen juli 1917 en mei 1919 werden verschillende edities van het blad 'Dada' uitgegeven. In het derde nummer verschenen artikelen van Francis Picabia. Ook de groep uit Parijs publiceerde in dit blad.

Een noodlottige avond

In de Kaufleiten Saal in Zürich werd op 9 april 1919 een Dada-soiree gehouden. Tijdens een lezing van Marcel Server werd het echter heel onrustig in de zaal. Er volgden vele interrupties en sommige aanwezigen kwamen het podium op. Iedereen was in rep en roer. Dada-Zürich beleefde toen een onverwacht en anarchistisch einde. Een idealistische anti-kunstbeweging met een maatschappelijk protest ondergroef die avond haar eigen manifest. In tumult en chaos eindigde Dada-Zürich, een stad waar in 1916 het verzet tegen de normen en waarden van Europa begon, een protest tegen de zinloze Eerste Wereldoorlog. Een paar jaar later schreef Tristan Tzara een kroniek over Dada-Zürich.

Dada in de 21e eeuw
Het Kunsthaus Zürich beschikt thans over de grootste Dada-verzameling. Er is een groot Dada-Archief en -Bibliotheek aanwezig. (zie: www.kunsthaus.ch) In de Verenigde Staten heeft de University of Iowa Libraries in 1979 een Dada-Archive en Research Centre gestart. Men beschikt over meer dan 45.000 titels van boeken, artikelen, microfilms met dataverzamelingen en videofilms. zie: www.lib.uiowa.edu/dada/). Opmerkelijk is ook de verbindingslijn tussen 'Cabaret Voltaire' met Roemenië. Dat werd in de recente expositie in het Joods Historisch Museum duidelijk.

© Marcel Janco, 'Masker voor Firdusi', 1917-1918. Sylvio Perlstein Collection, Antwerp. C/o Pictoright Amsterdam 2011.

Talrijke kunstenaars, zoals Victor Brauner, M.H. Maxy en Arthur Segal, waren actief betrokken bij de experimentele kunstontwikkelingen in Europa. Met name Marcel Janco speelde een bijzonder belangrijke rol bij de start en ontwikkeling van 'Cabaret Voltaire'. In de Kunsthal te Rotterdam werd in 1997 een tentoonstelling gehouden over Brancusi, Tzara en de Roemeense avant-garde. In 2003 hield de Kunsthal een speciale presentatie met werk van Marcel Janco. De Roemeense kunstenaar Adrian Ghenie maakte in het S.M.A.K. te Antwerpen een installatie 'The Dada Room' (2010). Dit bouwwerk was geïnspireerd op de 'Erste Internationale Dada-Messe' in Berlijn (1920). Het thema van zijn installatie heette 'Let's do it a Dada'.

Het 'Tavern Meierei' in Zürich bleek de bakermat voor een wereldwijde kunstenaarsreactie!

De tentoonstelling 'Van Dada tot Surrealisme' was van 1 juni t/m 2 oktober 2011 te zien in het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Website: www.jhm.nl.

Wim Adema is beeldend kunstenaar en fotograaf en publiceert regelmatig artikelen over beeldende kunst in diverse media. Klik hier om zijn website te bekijken.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

De glazen ruimte

In de architectuur wordt glas gebruikt om licht in een gebouw toe te laten, de omgeving van een gebouw te weerspiegelen, de illusie van ruimte te creëren en ruimtes onderling zichtbaar te maken. Door het gebruik van veel glas komt de buitenwereld het gebouw binnen, maar wordt anderzijds de binnenkant aan de buitenwereld getoond. De relatie tussen glas en architectuur is duidelijk, maar deze gaat veel verder dan louter de toepassing van het materiaal. Met glas kan men, meer dan met andere materialen, architectonische ruimtes scheppen.

Door Han de Kluijver

Bijna elk bouwproces wordt tegenwoordig ingezet aan de hand van een vooraf strak opgesteld plan dat zo nauwkeurig mogelijk wordt gevolgd. Hierdoor blijft er nauwelijks ruimte over voor de ontwikkeling van intuïtieve kwaliteiten binnen een ontwerp tijdens het bouwproces. Dat vergt immers tijd – en kost dus geld - en het biedt geen garantie in de zin van what you see is what you get.

De communicatie in de bouw verandert hierdoor wezenlijk. Ontwerpen is een activiteit waarbij je vanuit een eerste schets het gebouw steeds verder brengt, organiseert en detailleert.

 
Het idee ontstaat niet rationeel, het ontstaat uit allerlei hoeken. Van de helaas verwoeste beelden in Bamiyan, de beelden van de moai's tot het monument van de gedode Armeniërs.

Daarbij wordt de eerste schets telkens opnieuw gemaakt en verbeterd. Een ontwerper werkt daarbij vaak van de grote schaal, van de ruwe opzet naar het detail, dat uiteindelijk op een schaal van een op een wordt gemaakt. Zo hoef je als architect niet alles in keer te tekenen en te ontwerpen. Je kunt stappen maken om tot een oplossing komen.

Chronologie
Tot vrij recent kenden het ontwerp en het bouwproces een zekere chronologie. Na de programmafase volgde het ontwerp, de bestekfase, de aanbesteding en de oplevering. Al deze activiteiten vonden na elkaar plaats. Mede door de digitalisering in de bouw worden genoemde fasen steeds meer in elkaar geschoven. Dat betekent dat in een steeds vroeger stadium moet worden nagedacht over bijvoorbeeld de uitvoering en de exploitatie, het beheer en het onderhoud.

De schets – gedachten en ideeën bevriezen
Architectuur gaat over ideeën. Architecten geven door middel van hun ontwerp een antwoord op de vragen van de opdrachtgever. Het ontwerp vertegenwoordigt daarmee de positie die je als architect inneemt tegenover de opgave. Het laat zien welke ideeën je hebt over een project en over de ruimtelijke en materiele organisatie daarvan. Als architect kun je je ideeën in feite alleen op papier realiseren en vormgeven in maquettes. De tekening fungeert als bemiddeling tussen idee en ontwerp, tussen waarneming en verbeelding.

Tekenen is het instrument bij het zoeken naar goede verhoudingen, het visualiseren van ruimtes of objecten of het vastleggen van observaties. Naarmate de tijd vordert, gaan verbeelding en waarneming steeds meer door elkaar lopen en wordt tekening letterlijk ontwerp.

Schetsen is de ultieme manier om gedachten en ideeën te bevriezen en voor lange tijd te bewaren. Ook helpt schetsen tot de kern van de opgave te komen en nieuwe gedachten te vormen. Tijdens de ontwerpfase herhaalt dit proces van kruisbestuiving tussen schets en gedachte zich vele malen. Vaak met de prullenbak als stille getuige.

Van model naar mal

Functionaliteit
Anders dan in beeldende kunst is functionaliteit in de architectuur van groot belang. Een architect maakt een gebouw dat dienstig moet zijn aan de wensen van de opdrachtgever en aan het gebruik van zijn creatie. Van de architect wordt dan ook verlangd, dat hij zijn ontwerp voortdurend aanpast, en hij zal zich daaraan moeten conformeren. Daarnaast is een gebouw plaatsgebonden, en is het van belang om op de hoogte te zijn van specifieke zaken als keuze van het materiaal en hoe daarmee details aan te brengen.

Wat in dit proces voorop staat, is de idee, de grondslag voor een project. In eerste instantie is deze vaak nog onuitgewerkt en associatief, maar in die fase dienen zich ook de eerste aanknopingspunten aan. Vervolgens gaat het erom de meest adequate idee te vinden. De ontwerper moet trachten zo blanco mogelijk te beginnen, opdat nieuwe ideeën zich kunnen vormen.

Zo'n idee ontstaat bovendien niet alleen rationeel, maar ook intuïtief, vanuit het gevoel. Scheppende ideeën roepen associaties op met van alles, met de stad, het landschap, de constructie, maar ook met volume, spel, lichtinval, materiaal en afwerking. Het ontwerpproces vraagt om een specifieke attitude en een bepaalde bezetenheid. Wie zich die houding eenmaal heeft eigen gemaakt, moet in staat zijn zowel objecten te ontwerpen als gebouwen of zelfs een deel van een stad.

Uiteindelijk moet de uitgewerkte idee, het ontwerp, resulteren in waar het in de architectuur de facto om gaat: het in letterlijke zin creëren van ruimte. Dat is, zoals ik hiervoor heb trachten uiteen te zetten, een proces dat zeer strak is gebonden aan wensen, eisen en voorschriften. Daarmee zijn de creativiteit en de inventiviteit van de architect slechts in bepaalde fasen van het ontwerpproces cruciaal.

Architectuur en glaskunst: overeenkomsten en verschillen
In de (glas)kunst, waarmee ik mij naast de architectuur bezighoud, is het proces tot op zekere hoogte vergelijkbaar, maar er zijn wel een paar wezenlijke verschillen. Ook hier begint het met de idee, de gedachteninval, het intuïtief zoeken naar de juiste vormen. Deze worden eerst in schetsvorm uitgewerkt. Na talloze aanpassingen en wijzigingen vormt zich een beeld dat in een model kan worden vastgelegd. Net als in de architectuur zijn er tijdens het vervaardigen van dat model dus nog allerlei veranderingen en verbeteringen aan het ontwerp mogelijk.

Voordat het glasobject kan worden vervaardigd, moet er eerst een gietmal worden gemaakt. Deze kan alleen worden geproduceerd als er zo'n model van het object beschikbaar is. Daartoe wordt het model omkleed met een vuurvast materiaal. Bij het gieten in de mal worden vorm en structuur overgenomen, want glas neemt elke tactiele verschijningsvorm aan. Pas dan is er ook aan de vorm van het object niets meer te veranderen, vergelijkbaar met de architectuur wanneer de uitvoeringsfasen zijn begonnen.

Het gegoten glasobject is, net als een architectonische schepping, een onveranderlijk massief in de ruimte. De mal is het negatief van het beeld en ontsluit dezelfde ruimte als het massief inneemt. Het scheidt daardoor eigenlijk een stuk ruimte af. In de architectuur hebben wanden dan ook dezelfde functie als de mal van het glazen object, namelijk het omhullen en afscheiden van ruimtes in de grotere, natuurlijke ruimte. De wanden en hun compositie resulteren zo in een architectonische, gesloten ruimte.

Door die ene bijzondere eigenschap van glas, de transparantie, ontstaat de mogelijkheid om met glas architectonische ruimtes te creëren, ook in glas(giet)kunst.

 
Han de Kluijver, 'Gemummiceerde leegte', h 220 x 40 x 25 cm.

Een verschil tussen ruimtewerking in de architectuur en mijn glasobjecten is echter de ondoordringbaarheid van het materiaal. Creëer je als architect in je ontwerp met behulp van glazen wanden en gevels open ruimtes, in glasobjecten wordt er door de transparantie slechts ruimte gesuggereerd. Anders gezegd: glasobjecten creëren alleen ruimte in figuurlijke zin. Daarmee zijn ze een metafoor van de concrete, letterlijke ruimtebeleving waarin de architectuur voorziet.

Han de Kluijver is architect bna bni bnsp.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Mass Moving, kunst naar de straat

Tussen de jaren 1969 en 1976 was een Vlaamse artistieke beweging actief die de kunst naar de straat wilde brengen: weg uit de stoffige musea en galeries: 'Mass Moving'. Zij was als een artistieke en politieke beweging in België ontstaan in het kielzog van de studentenprotesten van mei 1968.

Door Wim Adema

De groep zette zich af tegen de gevestigde normen en waarden van die tijd en wilde het creatieve van kunst vergroten. Ecologisch bewustzijn speelde een grote rol, hetgeen tot uitdrukking kwam in een positieve relatie met de natuur en de dieren. Misbruik van landschap en dieren werd actief bestreden. Aansluitend vonden in Nederland, Frankrijk, Japen en elders wereldomvattende acties plaats. Met hun werk balanceerde 'Mass Moving' op de grens van performances, politieke provocatie en ecologische bewustwording. In de groep waren echter ook vaak tegenstellingen en afwijkende ideeën over te voeren acties. Soms werden op persoonlijke titel toch ingrijpende acties uitgevoerd.

 
Mass Moving, 1974

10.000 vlinders
Kunstenaars en ingenieurs zochten samen naar nieuwe kunstuitingen op onbekende plaatsen en een intensieve samenwerking met het publiek. Opmerkelijk was de grote aantrekkingskracht van hun vlindersactie op het San Marcoplein. Duizenden mensen waren op een vroege ochtend geschaard om een reusachtige witte cocon, waarin 10.000 vlinders nog in een coconslaap verkeerden. Het was ten tijde van de Biënnale van Venetië. Toch zouden de vlinders op deze ochtend vrijgelaten worden; teruggegeven worden aan de natuur. Met veel inspanning lukten het de kunstenaars om de diertjes wakker te maken en weg te laten vliegen. Een schitterende bewegende wolk was het gevolg. Ook in Kassel voltrok zich op de Dokumenta V een zelfde gebeurtenis. Op autoloze zondagen zorgde 'Mass Moving' voor een bijzondere maatschappelijke gebeurtenis. Een wandelende bus verzorgde het openbaar vervoer. De bus werd echter gedragen door mensen. Ook hun reis naar het Himalayagebergte trok de aandacht. In ijskoude omstandigheden ging men op zoek naar waterreserves. Steeds opnieuw gaf 'Mass Moving' aandacht aan een belangrijk maatschappelijk probleem en vond zij een spontaan en creatief antwoord.

Soundstream
Uitzonderlijk was hun project in 1974 en 1975, waarmee een spectaculaire reis naar Afrika en de Noordpool werd gehouden. In Kameroen en op de Noordpoolcirkel plaatste men grote geperforeerde lange bamboestokken. Wind en talloze bamboegaten veroorzaakten een onverwacht en aangrijpend windorgel. Imaginaire muzieklijnen leken Afrika en de Noordpool te verbinden via de lange tussenweg die men bereisd had. Van die reis resten nu alleen nog foto's; herinneringen aan een unieke ecologische kunstactie. Na afloop van de reis besloten de deelnemers tot verbranding van al het materiaal. Een drastische ingreep die ook in 1976 plaatsvond. Na veel conflicten, spanningen en tegengestelde opvattingen besloot 'Mass Moving' om in 1976 de beweging te ontbinden. Al het beschikbare documentatiemateriaal van hun acties werd verbrand. Alleen de herinneringen zouden resteren. Onlangs, dertig jaar later, probeerden enkele deelnemers te weten Rafael Opstaele en Bernard DeWille de geestelijke draad van hun acties weer op te nemen. In een groot graslandschap leken zij echter vergeefs naar referentiepunten met het verleden te zoeken.

Verbeke Foundation

In België bleek echter het erfgoed van 'Mass Moving' te zijn voortgezet. Nog steeds worden er exposities gehouden waarin ecologisch bewustzijn, maatschappelijke betrokkenheid en artistieke verbeelding centraal staan. De Verbeke Foundation te Kemzeke (B) vormt reeds jarenlang het platform voor deze tentoonstellingen. Kunstenaars krijgen hier gelegenheid hun ecologische zoektocht beeldend vorm te geven. Grootschalige projecten vertellen over groeiend beeldhouwen door Maarten Vande Eynde, een compleet fotografisch overzicht van alle flora op het terrein van de Verbeke Foundation. De fotografische resonanties en picturale praktijk van Bruno Van Dijck: Genus Loci
Bruno Van Dijck, 2011. Foto: Bruno Van Dijck.

toont de groeikracht van de natuur, haar fysieke vormgeving en ruimtelijke c.q. picturale eigenschappen. De lijn van 'Mass Moving' lijkt nog steeds actueel. Haar erfgoed vindt men terug op de Verbeke Foundation.

Verbeke Foundation: www.verbekefoundation.be; Mass Moving: www.blaakmeer.blogspot.com; project Anne Geene: fotografisch flora-overzicht Verbeke Foundation: www.annegeene.nl.

Bron artikel: documentaire RTBF/Avro Lichtpunt.

Wim Adema is beeldend kunstenaar en fotograaf en publiceert regelmatig artikelen over beeldende kunst in diverse media. Klik hier om zijn website te bekijken.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Nog twee haiku's van Ria Giskes (RdB).

Haiku: Ria Giskes-Pieters; foto: ©John Giskes. Meer haiku's van Ria Giskes vindt u hier: http://tjilp.blogspot.com.

Terug naar boven

 

Het kapitaal van ideeën

Het kan moeilijk kiezen zijn tussen alle activiteiten waarmee de creatieve sector het begin van het nieuwe seizoen opent en het publiek verleidt. In Rotterdam werd een kleine manifestatie 'Manifeessie', georganiseerd in de Witte Slagerij door Janna Kool, grafisch vormgever, Vera Harmsen, beeldend kunstenaar en Theo Huijgens en het was een succes. Waarom?

Door Lea Nieuwhof

Circa 50 kunstenaars waren uitgenodigd om speciaal voor de feestelijke manifestatie op 11 september op A4 formaat werk te maken en dat te complementeren met een manifest waarin ze hun visie op het belang van kunst gaven.

De organisatoren wilden hiermee reageren op de recente bezuinigingen in de kunstsector en op veranderingen, die door ingrijpende gebeurtenissen veroorzaakt kunnen worden. In plaats van herdenken, evalueren en analyseren van de gebeurtenissen van 11 september 2001, kozen zij voor opbouwen en inspireren. Beeldend werk en manifest werden naast elkaar tentoongesteld in de Witte Slagerij.

De Witte Slagerij heeft een enigszins vervallen uitstraling. Witte tegelmuren, een paar overgebleven vleeshaken, een licht verzakte vloer. De ruimte ligt in een gedeelte van Kralingen-Crooswijk, dat langzaam leegloopt in het kader van renovatie en wederopbouw. Ze is beschikbaar voor iedereen met een goed idee. De belangrijkste voorwaarde is dat je bereid bent de handen uit de mouwen te steken, om het pand naar je hand te zetten.

 
Publiek verzamelt bladen voor catalogi.

Bij de informele, pretentieloze en rommelig door elkaar heen opgehangen expositie, werd de show gestolen door een ring en door de ongeveer honderd losse bladen met twee gaten die door de ring met elkaar verbonden konden worden. De losse bladen, die op volgorde in de Slagerij hingen, konden tijdens de expositie door de bezoekers samengevoegd worden tot een catalogus. Het publiek was met veel plezier aan het verzamelen en het puzzelen wat de juiste volgorde was. Ook kunstenaars konden nog werken toevoegen. Naast het beeldmateriaal variëren de bijdragen van oneliners, stripverhalen, cryptische boodschappen, liefdesverklaringen aan de kunst tot serieuze verhalen en de lege witte pagina. De catalogus werd later ook aan de heren Zijlstra en Rutte aangeboden. Of het veel effect heeft, valt te betwijfelen, maar moet je het daarom niet doen…?

Verschillende sprekers, dansers, muzikanten en dichters verzorgden een afwisselend programma. Arjo Klamer, hoogleraar economie aan de Erasmus universiteit en een van de auteurs van PAK AAN, was uitgenodigd als spreker. PAK AAN bundelt in een klein boekje inzichten, voorstellen en tips van Arjo Klamer en Cees Langeveld. Ook ervaringen en plannen van kunstenaars, die reageerden op een oproep in het NRC, zijn er in verwerkt. PAK AAN gaat ervan uit dat je mensen bewust moet maken van de culturele, sociale, artistieke, maatschappelijke en financiële waarden van kunst. Dan zijn ze ook bereid tijd, aandacht en geld eraan te besteden. Ze bespreken uitgaande van vier sferen, namelijk de markt, de overheid, de sociale sfeer en de directe leefomgeving, ideeën om anderen voor kunst te interesseren en aan je te binden.

De middenstand van de wijk, die klanten ziet vertrekken, was betrokken bij het project als sponsor. Niet door geld te geven, maar door hun diensten te verlenen. Een aantal bakkerskisten met plaatcake, fruit, bloemen, kip en allerlei hapjes werden gul geleverd. Aan alle deelnemers was gevraagd om met een kleine bijdrage actief mee te werken. Als resultaat was er genoeg te eten en drinken om in een feestelijke en ontspannen sfeer het programma te volgen. De organisatoren betrokken concurrerende activiteiten, zoals die zich afspeelden in de Wereld van de Witte de With, bij de manifestatie door een aantal keer per dag fietstochten te organiseren vanuit die locatie naar de Witte Slagerij.

Manifeessie, de Witte Slagerij, Rakstraat 2 en 4a, Rotterdam. Website: www.dewitteslagerij.nl.

Lea Nieuwhof is beeldend kunstenaar.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Slow art
een kritisch antwoord op de hedendaagse Chinese schilderskunst

Naast de groot opgezette expositie 'Facing China' werd recent in het Singer Museum te Laren ook de expositie 'Chinese Abstract' gehouden. In dit artikel wordt nader ingegaan op een bijzonder aspect van schilderkunst, dat in de tentoonstelling 'Chinese Abstract' aanwezig was: namelijk 'Slow Art'.

Door Wim Adema

Een zevental Chinese schilders toonde in Laren een kritisch antwoord op de welbekende realistische Chinese kunst, waarin steeds grotere formaten, een snelle produktie, een jacht naar geld en roem de onderliggende drijfveren zouden zijn in het hedendaagse Chinese kunstklimaat. Tegenover de indrukwekkende schilderwerken van 'Facing China' bleken zij terug te willen keren naar de essentie van de schilderkunst. De kunstverzamelaar Lao Fu toonde een grote aandacht voor hun werk.

Wang Guangle: "De Chinese kunstwereld kun je vergelijken met een auto zonder remmen. Slow Art is voor mij een manier om te reflecteren op mijzelf en de wereld om mij heen."

 
Chen Ruobing, 'Zonder titel', 2008, acryl op doek, 170 x 200 cm.

Langzaam schilderen
Bij de zeven Chinese kunstenaars die abstract werken blijkt de factor tijd niet belangrijk. Hun werkwijze lijkt gebaseerd te zijn op eindeloos geduld, toewijding en precisie. Laag na laag bewerken zij hun canvas. Er is sprake van een zoektocht naar de ontstaanswijze van schilderkunst. De kunstschilders mijden de confrontatie met teveel kleuren, maar proberen reeds met een of twee kleuren de structuur van het canvas te veranderen. Laag na laag werken zij op een trage maar zeer geconcentreerde manier aan hun doeken. En toch is bij iedereen sprake van een autonome manier van schilderen. Vaak subtiel, harmonieus, warm en poëtisch. Wanneer men naar hun werk kijkt, zijn gestolde tijd-oneindigheid in een doolhof-een illusie van ruimte-wolken met blauw, rood en zwart-issues van verstedelijking-het ritme van een ademhaling of een intuïtief contact met Chinese kunstobjecten uit oude dynastieën waarneembaar en beleefbaar.

De weg naar het doel, is het doel (Lao Tse)
Bij deze abstract werkende schilders valt dus een groot bewustzijn van handelen op. Een sterke concentratie op verf, penseel en schilderslinnen. Hun langzame manier van schilderen lijkt gestuurd te worden door tijdloosheid, geduld, ervaring en innerlijk evenwicht. Men is vaak terughoudend bezig. De kleuren lijken slechts langzaam te groeien naar een definitieve vorm. Wang Guangle spreekt over gestolde tijd en zoekt via de kleurlagen naar de jaarringen van leven en dood, terwijl Shen Chen praat over leeg is vol /vol is leeg. Xu Hongmin zoekt naar een uitdijend geometrisch perspectief, maar Ding Yi probeert in bewegende rasters de verstedelijking vorm te geven. Bij Zhou Yangmin kan men het schilderen als religeuze beoefening ervaren. Hij lijkt te werken op het ritme van de ademhaling. Op het canvas van Chen Ruobing groeien kunstvoorwerpen aarzelend naar een nieuwe vorm.

Wat lijken deze schilders ons te willen zeggen: schilderen vanuit innerlijke rust en ritme is mogelijk. De tijd speelt geen rol. Binnen een balans van onszelf zijn de diepste kleurlagen te maken en te beleven. Door hun langzame manier van werken ontstaat laag voor laag op het canvas een diepere bewustwording van hun schilderkunst. Zij geven een kritisch antwoord op 'Facing China'.

De tentoonstelling 'Chinese Abstract Art' was van 29 mei t/m 28 augustus 2011 te zien in het Singer Museum, Laren, gebaseerd op kunstverzameling van Lao Fu, www.chinese-abstract-slow-art.com.

Wim Adema is beeldend kunstenaar en fotograaf en publiceert regelmatig artikelen over beeldende kunst in diverse media. Klik hier om zijn website te bekijken.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Onder de wolken

Het Groninger landschap is vlak land dat de beschouwer toestaat tot de horizon te kijken en alles wat er in is helder laat zien. Een fietser lijkt dichtbij, maar is in werkelijkheid veel verder. Ieder dorpje is van grote afstand zichtbaar; de landkaart ontvouwt zich als het ware voor je ogen. De jongeren zijn vaak weggetrokken op zoek naar werk in andere delen van het land en daarom wordt er nauwelijks nieuwbouw gepleegd. Je rijdt daarom welhaast de middeleeuwen binnen als je in zo'n dorpje komt, dat soms niet meer dan 150 inwoners telt. Karakteristiek zijn de vele mooie kerkjes, soms meerdere per dorp, voor elk van de aanwezige kerkelijke gezindten. Gelukkig worden die niet gesloopt, maar gerestaureerd en herbestemd, verrassend vaak voor kunstexposities. Een van de weinige nieuwe ontwikkelingen in het dorpslandschap is het bordje 'Bed&Breakfast' waarmee steeds meer inwoners een centje bij proberen te verdienen.

 
Foto: Henk Rijzinga

Houwerzijl in de gemeente De Marne is zo'n dorpje. De ene kerk is omgebouwd tot De Theefabriek, een theemuseum met theeschenkerij, de andere is galerie geworden, de Ruimtela. Een mooie witte ruimte waarin de schilderijen uit de tentoonstelling 'Onder de Wolken' in salonopstelling, dicht naast en boven elkaar zijn opgehangen. Aan de rand van het dorp heeft Henk Rijzinga op uiteenlopend terrein, van boerenerf tot binnendijk, vijf sculpturen gebouwd, die lijken op reusachtige schildersezels, met voor ieder ervan, op een kleinere ezel, een wolkenschilderij dat in verhouding veel kleiner is. De wolken in de lucht, die langs drijven, worden op het schilderij in verf verstild. Maar het meest opvallend zijn de monumentale sculpturen zelf, ranke lijnen van hout, zwart geschilderd, wachters in het landschap. Henk zelf ziet het als 'antennes die op zoek gaan naar de teloorgang van de beschaving in Nederland', daarmee verwijzend naar de recente, rigoureuze bezuinigingen op onder andere kunst en cultuur. Een van de sculpturen, die op een binnendijk staat, vlak voor het dorp, ontvouwt zich als het ware om een impressie van de – al dan niet aanwezige – wolken achter zich, aan de toeschouwer te tonen op het schilderij op de ezel ervoor.

Samen met twee collega's werkte Henk drie weken full-time aan de sculpturen, die hij ter plekke maakte en die hij bij plaatselijke boeren op het erf mocht installeren. De schilderijen die hij ervoor zette, maakte hij simultaan, door steeds een stukje verder te werken aan ieder schilderij tot ze na de laatste ronde allemaal af waren. Een project als 'Onder de wolken' bereidt Henk nauwkeurig voor. Hij maakt talloze werktekeningen en bouwt eerst maquettes voordat hij aan de uitvoering op werkelijke grootte begint. Een aantal van die maquettes is ook in de Ruimtela te zien. Een buitenobject van een bepaalde hoogte moet een fundament van een bepaalde afmeting hebben om te blijven staan, zeker in een vlak landschap met veel wind als dat van Groningen. Henk zette zijn sculpturen gewoon in het landschap neer. Dat ze om kunnen waaien neemt hij op de koop toe. Als geboren Groninger houdt hij ervan om de elementen uit te dagen, te spelen met wind en de zwaartekracht. Als er een keer een beeld omvalt of een schilderij er af waait, plaatst hij het gewoon weer terug. En zo is het goed.

De tentoonstelling 'Onder de wolken', met werk van Henk Rijzinga, Ben Steijn, Huib van der Stelt, Johanneke Dun, Josefien Alkema, Sita Geerling en Theo Onnes, was te zien t/m 25 september 2011 in de Ruimtela, Hollemastraat 16, Houwerzijl. Website: www.ruimtela.nl; een filmpje over dit project is te zien op http://www.marnecultuur.nl/Films/expohouwerzijl.html; website Henk Rijzinga: www.weerentegenweer.nl.

Rob den Boer

Rob den Boer is beeldend kunstenaar en publiceerde over beeldende kunst in diverse media.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Verdachte portretten

Op 22 september jongstleden werd in het Persmuseum in Amsterdam de tentoonstelling 'Verdachte portretten' geopend. De opening werd verricht door schrijver en journalist Piet Hagen, voorafgegaan door de presentatie van het boek met de gelijknamige titel, geschreven door journalist (schrijver!) Paul Arnoldussen.

Door Joke M. Nieuwenhuis Schrama

Presidente van de Amsterdamse rechtbank, Carla Eradus, mocht het eerste exemplaar in ontvangst nemen. Piet Hagen projecteerde een van de vroegste 'rechtbanktekeningen' ooit: het oordeel van de Bijbelse koning Salomo. Dit tafereel is al sinds eeuwen in beeld gebracht, met tekeningen, schilderijen, gravures en fresco's door bekende en onbekende kunstenaars.

Deze tentoonstelling is een samenwerkingsproject van het Persmuseum en de Amsterdamse rechtbank, dit binnen het kader van 200 jaar Rechtspraak in Nederland. Het Persmuseum is een geëigende locatie voor deze expositie. Originele tekeningen van genoemde tekenaars/kunstenaars zijn achter perspex aangebracht op panelen die

 
Tekening van Felix Guérain. Zaak: Vuurwerkramp Enschede.

weer zijn bewerkt met gescande afbeeldingen van pagina's uit kranten en tijdschriften, met verslagen van de betreffende rechtszaken. Maar ook anekdotes van de tekenaars zelf, over bijvoorbeeld verdachten en hun raadsheren in hun (doorgaans) geruchtmakende rechtszaken uit de laatste 50 jaar. Ook zijn er illustraties te zien van vroegere datum, behorend bij verslagen van spraakmakende rechtszaken van weleer. Het museum zelf laat 400 jaar Pers in Nederland zien.

Naar rechtbanktekeningen kijk ik graag. Artistieke journalistiek. Ik beschouw deze tekeningen als 'kunst in opdracht'. Het is niet eenvoudig om in korte tijd (dus trefzeker) met pen, inkt, krijt, een penseel, water, een situatieschets met waarheidsgetrouwe portretten neer te zetten. Hoe groot of klein de werkplek zal zijn, dat is maar afwachten en de te portretteren personen poseren niet. Meestal 'en profil', voor wat de verdachte betreft. Het is interessant om te bekijken hoe tijdens dezelfde rechtszaak de ene tekenaar soms bijna een karikatuur maakt van verdachte, rechter of advocaat (al of niet luisterend naar een betoog) en dat het evengoed gelijkenis vertoont. Scherpe trekken, een grote neus, flaporen, diepliggende ogen of juist wallen, slappe wangen! Dit kan buiten proporties raken bij het accentueren en dan wordt het wel cartoonachtig. Dat is zo gebeurd met een tekening. Terwijl de andere tekenaar weer in staat is een verdachte iets zachts te laten uitstralen, alleen door zijn of haar gelatenheid op dat moment, wat zij ook hebben misdreven.

Hoe dan ook, rechtbanktekenaars weten er een dimensie aan toe te voegen. De Amerikaanse rechtbanktekenaar Paulette Frankl beschrijft dat heel goed: "Being a courtroom artist is like capturing lightning in a jar." Ook technieken hebben invloed. Aloys Oosterwijk werkt met sepia inkt, dat geeft iets droevigs, dramatisch. Het zijn immers ook serieuze zaken. Rechtbanktekenaars zullen een rechter nimmer lachend afbeelden. Het gebeurt weleens dat een grillige advocaat de tekenaars verbiedt te werken en de zaal moeten verlaten. Dan moeten zij elders de tekening 'uit het hoofd' afmaken.

Het originele formaat van de tekening wordt niet in krant of tijdschrift afgebeeld, tenzij de tekenaar klein werkt. Felix Guérin's tekeningen zijn fors, A2 schat ik in, gemengde techniek op meestal grijs papier, puur zwart en gewassen inkt, met kleine accentjes in wit krijt. Hierdoor ontstaat een glansje op bijvoorbeeld kaalhoofden of blonde (dan wel grijze) lokken van verdachten, rechters, officieren van justitie, of advocaten. Mooi! Van zijn tekeningen wordt gebruikt gemaakt door cameramensen van TV nieuws en journalistiek, zij kunnen inzoomen op de verschillende personen in de getekende situatie, alsof het om een werk van 2.00 x 2.00 meter gaat.

Helaas lijken deze kranige tekenaars te behoren tot een min of meer verborgen of op de achtergrond geraakte beroepsgroep en dat terwijl hun werk door miljoenen ogen wordt bekeken.

Rechtbanktekeningen van Felix Guérain, Jan Hensema, Marlèn Nolta, Aloys Oosterwijk, Waldemar Post, Chris Roodbeen, Peter van Straaten, Petra Urban en Annet Zuurveen. Nog te zien t/m 6 november 2011. Noteer het snel, want de tijd gaat als een oordeel! Daarna gaat de tentoonstelling reizen -vandaar de paneel constructie- en zal in verschillende Nederlandse rechtbanken te zien zijn. Het Persmuseum is evenwel toegankelijker.
Website: www.persmuseum.nl.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Een gedicht van Ingrid van den Bergh

© Ingrid van den Bergh. Weblog: http://ingridvandenbergh.wordpress.com.

Terug naar boven

 

Kunstflitsen

Een rubriek waarin medewerkers van Het Beeldende Kunstjournaal tips geven over mooie tentoonstellingen en evenementen die een bezoek waard zijn of een mooi boek aanprijzen.

Op zondag 6 november aaanstaande wordt de expositie Abstract Modern-Traditioneel Afrikaans geopend (15.00 uur) in De Buytensael te Arnhem. In samenwerking met Graphics International zijn zeven gerenommeerde kunstenaars uitgenodigd uit Engeland, Duitsland en Nederland. Zij werken allen in een abstracte stijl op een eigen, unieke manier. Im combinatie met de traditionele Afrikaanse kunst, die de De Buytensael gewoon is te exposeren. Deze confrontatie levert spannende contrasten op. Deelnemende kunstenaars: Barbara Koch, Anita Ford, Eileen Martin, Lucas Silawanabessy, Didi van der Velde,Thijs van Kimmenade en Bert de Wilde. De expositie duurt tot en met zondag 18 december 2011. De Buytensael, Utrechtseweg 74, Arnhem. Website: www.debuytensael.nl. De ligging is tegenover het Museum voor Moderne Kunst Arnhem. (WA)

Marc Mulders bundelt van 29 oktober 2011 tot 15 januari 2012 een aantal vrije kunst olieverf schilderijen met design-gebonden werk in vilt van Claudy Jongstra tijdens de expositie 'Pelgrimage' in de abdij OLV Koningshoeven te Tilburg. De installaties in de Kapittelzaal nemen de bezoeker mee op een spirituele reis van ontdekking en bezinning Een pelgrimage van actie en contemplatie. Meer informatie vindt u op de website: www.koningshoeven.nl. (MvW)

Terug naar boven

Inhoud

 

De diepgang van
Jan Sluijters
,
door Peter van Dijk

Interview:
Kunstenaars vertellen
het verhaal van hun streek;
over een museum
in transformatie
,
door Rob den Boer

Lodewijk van Deyssel
en de schilderkunst van Matthijs Maris
,
door Wim Adema

Haiku 1 van Ria Giskes

Een regenboog in het ziekenhuis;
De collectie van het
Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis
,
door Damiët Kuin

Cabaret Voltaire
te Zürich en het
ontstaan van Dada
,
door Wim Adema

De glazen ruimte,
door Han de Kluijver

Mass Moving kunst
naar de straat
,
door Wim Adema

Haiku 2 van Ria Giskes

Het kapitaal van ideeën, door Lea Nieuwhof

Slow art; een kritisch antwoord op de
hedendaagse Chinese schilderskunst,
door Wim Adema

Onder de wolken,
door Rob den Boer

Verdachte portretten, door
Joke M. Nieuwenhuis Schrama

Een gedicht van Ingrid van den Bergh

Kunstflitsen,
tips van
medewerkers