|
|
Dec.
2011 -Jan. 2012, 6e jg. nr.6. Eindredactie: Rob den Boer. Postbus
268, 4100 AG Culemborg. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
|
|||||||
| VOORKANT | ACTUEEL | OPINIE | AGENDA | UITGELICHT | DOSSIERS | ARCHIEF | COLOFON |
| Voorpagina artikel |
over kunst en kunstenaars | meningen en columns |
actuele exposities |
opmerkelijke kunstberichten |
artikelen
uit alle vorige nummers |
de
laatste |
Informatie
over Het Beeldende Kunstjournaal |
| Actueel Zonder doel is een pelgrim een gewone wandelaar Door Peter van Dijk
Aflaat Vanaf het jaar 1000 komt de pelgrimage naar Santiago op gang en heden ten dage is die als voettocht verreweg het populairst. In 2010 liepen 272.496 mensen op zijn minst de laatste honderd kilometer van deze religieuze tocht. Deze afstand is minimaal verplicht voor de officiële uitreiking van het certificaat. Op de fiets (in 2010: 32.763 mensen) moet die minstens 200 km zijn. Op de site van de 'Vereniging Voetreizen naar Rome' blijkt in 2010 een dertigtal Nederlanders de heilige stad te hebben gehaald. Tel daarbij andere nationaliteiten, misschien komt het totaal van pelgrim/wandelaars dan op 500. Laten het er tienmaal zoveel zijn, duidelijk is dat de aantallen van Santiago bij lange na niet worden gehaald. Een van de belangrijkste redenen waarom Rome minder populair is dat er geen duidelijke pelgrimsroute bestaat. Zoals het oude gezegde luidt: 'Omnes viae Romam perducunt'. Alle wegen leiden naar Rome. In Italië zijn drie hoofdroutes en een menigte subroutes. De pelgrims waren over het land uitgewaaierd en kwamen elkaar nauwelijks tegen. Er was geen gedeelde vreugde en pijn. De route uit Frankrijk naar Santiago brengt de pelgrims bij elkaar. Zodra je de Pyreneeën over bent is er nog slechts een weg: de 'Camino frances' langs de steden Burgos en Leon. In Frankrijk liepen twee routes. Een uit het noorden, voor de pelgrims uit de Lage landen, Duitsland, Engeland en Frankrijk zelf en een uit het oosten, voor de pelgrims uit Zwitserland en Italië. De mythe wil dat er in Frankrijk vier pelgrimsroutes via twee passen in de Pyreneeën naar Santiago liepen. Maar niets wijst er op dat de pelgrims vanaf het jaar 1000 via deze vier routes naar het zuiden gingen. De oudste reisgids voor pelgrims, als vijfde boek opgenomen in de 'Codex Calixtus' uit de 12de eeuw, genoemd naar paus Calixtus II (1119-1124), spreekt van twee routes, de Via Tolosana (Toulouse) en de Via Turonensis (Tours). Over een route vanuit Vézelay (Via Lemovicencis, Limoges) of Le Puy (Via Podiensis) geen woord. Ook in de wegenatlas uit de 15de eeuw van de Brugse abt Rafael de Mercatellis staan slechts twee routes getekend. Het eerste Franse routeboek van Charles Estienne uit 1553 vermeldt de routes Parijs-Bordeaux-Bayonne en Avignon-Toulouse. Ook boekwerken uit de 17de en 18de eeuw melden slechts twee pelgrimsroutes. De mythe van de vier routes is gelanceerd door Franse auteurs in de vorige eeuw om orde te scheppen in de verspreiding van de vele Romaanse kunstwerken in Frankrijk (vooral kerken) en zo de pelgrimsroutes naar Santiago en de Romaanse kunst te verbinden. Zie bijvoorbeeld 'Les chemins de Compostelle', uit 1970, uitgegeven door Zodiaque, de uitgeverij van de abdij 'La pierre qui vire', die gespecialiseerd is in Romaanse kunst. Dit benedictijner klooster ligt in het noorden van de Morvan, niet ver van Vézelay. Opvallend is dat een uitgeverij uit de buurt van Vézelay een pelgrimsroute propageert die in Vézelay begint en die voor de 19de eeuw in de literatuur niet vermeld werd. Behalve op een kaart uit 1648, die in 1960 herdrukt werd als 'Carte des chemins de S. Jacques de Compostelle'. In 2006 is deze kaart ontmaskerd als een meesterlijke vervalsing van de Franse tekenaar en schilder Daniel Derveaux. Inmiddels had de Unesco de vier routes in Frankrijk plus de Camino frances als werelderfgoed gezegend. Apostelen Aan de westkust van Spanje zijn resten van een Romeins mausoleum, van een vroegchristelijke kerk en een begraafplaats gevonden. Waarschijnlijk de overblijfselen van een vestiging van christelijke pioniers, die vervolgens door de islamitische verovering van het Iberische schiereiland in vergetelheid zijn geraakt. Maar in 813 wordt de grafheuvel herontdekt en bisschop Teodomir kende geen enkele twijfel: dit moest de laatste rustplaats van Jacobus zijn. Hij liet een kerk op de plek bouwen en verhuisde er zijn bisschopszetel in 847 heen. De vestiging kreeg de naam Santiago, San Jago ofwel Sint Jacob. (Compostela wordt door sommigen afgeleid van 'campus stellae' (sterrenveld), anderen wijzen op composteren in verband met begraven, ik zelf vermoed dat er in het oud-spaans een woord 'composter' bestond dat afstempelen betekende, zoals je nog altijd op ieder Frans station gevraagd wordt je kaartje te 'composter'). In de loop der tijden werd alles er groter, de kerk, het bisschoppelijk paleis, de nederzetting, het aantal kloosters, er kwamen hospitalen, herbergen, bruggen en wegen. In 997 verwoestte de kalief van Cordoba de stad en kerk van Santiago, maar beide werden snel herbouwd. Jacob kreeg een reputatie als Morendoder, Matamoros, opgeplakt, die vanaf het jaar 1000 gelijk oploopt met de christelijke herovering van Spanje op de Moren. Op de tentoonstelling in Utrecht wordt de geschiedenis van Jacob en de pelgrimage naar zijn stad in Noordwest Spanje verteld aan de hand van houten beelden, prenten, boeken, artefacten, snuisterijen, schilderijen en videobeelden (voor de hedendaagse tocht). Allereerst Jacob en zijn familie. Het Museum Catharijneconvent, dat de geschiedenis van het Nederlandse christendom conserveert, bezit een mooi en vermakelijk vijftiende-eeuws altaarstuk, waarop alle verwanten van Jezus in de vrouwelijke lijn staan geschilderd. Anna, de moeder van Maria, heeft drie huwelijken gesloten, uit alle drie is een dochter Maria geboren, uit het eerste Maria, de moeder van Jezus, uit het tweede Maria Cleophas, de moeder van de apostelen Jacob de Mindere, Judas Thaddeus, Simon en Jozef Justus en tenslotte Maria Salomas, de moeder van de apostelen Johannes de Evangelist en Jacob de Meerdere. Alle vaders en echtgenoten staan er ook op, een boeiend portret van de heiligste familie uit de westerse geschiedenis. De afgebeelde personen dragen hun naam op hun jas. Voor de kleine Jacob de Meerdere is dat niet nodig. Hij heeft zijn toekomstige pelgrimsattributen al bij zich: hoed, stok en tas.
kant, op deze rand zijn de schelp en de 'bordoncillos', de kleine pelgrimsstaafjes, afgebeeld, die beide het symbool van de pelgrim zijn. De schelp is het meest gebruikte. Andere vaste attributen zijn z'n zeshoekige pelgrimstas en de wandelstaf. Ook heeft Jacob vaak een rozenkrans, een kalebas of een lepel bij zich. Hij draagt meestal een onderkleed en daarover een korter tuniek, dat dikwijls bijeen geknoopt is en op de plaats van de knoop zit een schelp. De
pelgrim Slechts
een dag Propaganda Pelgrim-zijn is niet eenvoudig, vroeger niet en tegenwoordig niet. Volgens de populaire 13de eeuwse prediker Jacques de Vitry draagt de ideale pelgrim lichte kleren, neemt geen wereldlijke goederen mee, dus zeker geen geld. Voor zijn eten vertrouwt hij op God. Hij slaapt op een hard bed, is vroeg uit veren en neemt geen rustdag. Drank en vrouwen zijn taboe. Vermoeidheid en blaren zijn daarentegen welkom, dan leert de pelgrim afzien. Zijn oog is gericht op de eindbestemming, het doel is zonden biechten en boete doen. De vroegere gelovige pelgrims namen deze preek nauwelijks serieus. En waarom ook? In de eerste reisgids voor pelgrims, de geciteerde pauselijke 'Codex Calixtinus' uit de 12de eeuw, wordt de pelgrim al aangeraden een halte te nemen in Carrion de los Condes, "een vriendelijke plaats, rijk aan brood, wijn, vlees en alle vruchten des velds." Als zelfs de paus eten en drinken belangrijk vindt, waarom de gewone pelgrim niet? Tegenwoordig is het avondeten met een goed glas rioja een van de zalige beloningen van de pelgrim. Ook vroeger brak de pelgrim zich, onder het motto: wat je thuis laat is mooi meegenomen, het hoofd over wat mee te nemen. Staf, hoed, tas, waterfles, dat stond vast. Verder: rozenkrans voor de gebeden onderweg, aanbevelingsbrieven, identiteitsbewijzen en biechtbewijzen. Voor zijn vertrek moest de middeleeuwse pelgrim een aantal zaken regelen. Allereerst moest hij toestemming van de plaatselijke priester hebben. Dat gebeurde in de kerk. Na zijn biecht legde de pelgrim zijn bedelzak en staf op het altaar en knielde voor de priester. Deze zegende zak, staf en pelgrim. Op het moment dat hij de staf teruggaf zei de priester: "Ontvang de stok als steun tijdens vermoeienissen onderweg zodat je de hindernissen van de duivel zult overwinnen en in alle rust de kerk van Santiago bereikt en zal terugkeren." Nog altijd kunnen pelgrims in een Jacobskerk de zegen voor hun pelgrimstocht ontvangen. Testament De rechter pelgrim heeft geen voeten, maar roofvogelklauwen. Hij wijst naar een ruïne, waar gelig licht van de ondergaande zon achter drie vensters strijkt. Hij is de duivel, die de pelgrim probeert te misleiden. Dit prachtige schilderij van een anonieme meester toont de wereld van de pelgrim, hij lijkt vredig maar de verschrikkingen liggen op je pelgrimspad op de loer. Angstaanjagend volk
Pelgrimsroutes volgden de grote handelswegen en zorgden voor extra bedrijvigheid. Speciale kerken werden voor hen gebouwd. De Saint-Sernin in Toulouse, een indrukwekkende kerk, binnen en buiten opgebouwd van rood baksteen, behoort tot dit type open pelgrimskerk, een rondgang rond het koor, veel kapellen en abscissen, waardoor een vlotte doorstroom van pelgrims mogelijk werd. Grote ruimtes, waarin geslapen en gegeten kon worden. Locale
economie Vooral wandelaars rond de 30 en 50 jaar gaan op weg naar Santiago. Het zijn de leeftijden waarop dikwijls bezinning nodig wordt geacht. Ik zal deze tentoonstellingsbespreking niet verbreden naar een sociaal-psychologische of een maatschappelijk-culturele verhandeling, feit is dat bezinning door inspanning tegenwoordig populair is, en niet alleen in ons land. Wandelen is een activiteit die aanzet tot meditatie, reflectie, nadenken. Het loopritme leidt er toe en de harmonieuze schoonheid van de natuur, van cultuurland en dorpen en stadjes, waar doorheen de pelgrim trekt, versterkt dit effect. Dat dat al eeuwen waar is, laat de tentoonstelling in het Museum Catharijneconvent, naast nut en noodzaak van een pelgrimstocht, tot eind februari op aantrekkelijke wijze zien. Pelgrims. Onderweg naar Santiago de Compostela, t/m 26 februari 2012, Museum Catharijneconvent, Lange Nieuwstraat 38, Utrecht. Website: www.catharijneconvent.nl. Peter van Dijk is journalist. Terug naar boven | Print dit artikel!
De
droom van Claude Lorrain In de Italiaanse schilderkunst van de 17e eeuw was het licht in het landschap nog van ondergeschikt belang. Bij schilderijen kwam het op een tweede plaats. Bijbelse, mythologische motieven en antieke architectuur bepaalden het beeldverhaal. De Franse barokschilder Claude Lorrain was echter gefascineerd door de lichtwerking in het landschap en begon deze in zijn landschapsschilderingen en -tekeningen centraal te stellen. Hij zocht als schilder naar de werking van dag- en avondlicht en haar invloed op de beleving van natuurvormen. Door Wim Adema
Breisgau. Teken- en schilderlessen kreeg hij van de schilder Gottfried Wals (1590/5-1638/40). In 1617 trok Claude Lorrain naar Rome om bij de bekende frescoschilder Agostino Tassi (1578-1644) als leerling te gaan werken. Bijzonder belangrijk waren voor hem in Rome de contacten met de Nederlandse landschapsschilders Cornelis Poelenburgh (1594/5-1667), Bartholomeus Breenbergh (1598-1657) en Herman van Swaenevelt (1603-1655). Onder de naam 'Schildersbent' werkten deze drie kunstenaars samen. Toen reeds onderzochten deze schilders de werking van het licht in het landschap. Claude Lorrain leerde hen in Rome kennen en raakte onder de indruk van hun schilderwijze en was enige tijd lid van hun groep. In 1625 keerde de Franse schilder voor één jaar terug naar Frankrijk en werkte voor de hofschilder Claude Deruet (1588-1660). Hierna keerde hij weer terug naar Rome, alwaar hij tot zijn dood in 1682 als schilder en tekenaar heeft gewoond en gewerkt. De waardering voor zijn werk werd zeer groot. Opdrachtgevers waren de katholieke kerk en de adel uit onder andere Italië, Frankrijk en Groot-Brittanië. De kwaliteit van zijn werk werd zo bijzonder, dat collega's zijn stijl begonnen te kopiëren. Unieke
werkwijze Apollo
en de Muzen
Dat geeft aan het middendeel van het schilderij een bijzondere visuele spanning. De aandacht van de kijker verschuift steeds tussen het spannende middendeel en de andere romantische taferelen. De witte lucht verglijdt langzaam naar een lichtblauw. In dit schilderij toont Lorrain ons een sublieme synthese van licht, donker, kleur, atmosfeer en compositie. De omringende schilderijen van deze tentoonstelling benadrukken zijn meesterschap: het schilderen van het landschap. Ook het schilderij 'Kustlandschap met Perseus en de oorsprong van koraal' uit 1673 is heel hoog-romantisch. Hier toont de Franse schilder ons een imponerend en tegelijk intiem landschap. In dit schilderij domineren donkergroene hoge bomen (links) en een donkere hoge ruïneboog (rechts). In het midden liet Lorrain ruimte voor een sfeervol panorama van een laaggelegen landstrook met daarboven de zee en een fletse zon, die zacht weerkaatst in het water. Lichte wolken vullen de luchtruimte. Het is geen wonder dat schilders als Turner en Corot door deze schilderkunst van Claude Lorrain geïmponeerd werden. Dit schilderij toont ons een harmonie van nauwelijks waarneembare dansende nimfen, terwijl Perseus geduldig op de heuvel wacht, in het donker van een ruïne. Maar bovenal verrast het zachte zilvergrijs gefilterde licht van de lucht. Bij de hierboven genoemde schilderijen treft men tekeningen aan, die een eigen verhaal vertellen. In het onderwerp, de atmosfeer en de compositie ontdekt men hun onderlinge verbindingslijn. Claude Lorrain toont zich in het Teylers Museum ook een uitstekend tekenaar. In zijn tekeningen ziet men geregeld een voorstudie voor een schilderij ontstaan, maar vaak blijken het ook pure natuurstudies te zijn. Steeds is het landschap echter zijn inspiratiebron. In een aparte expositieruimte in het museum kan men zijn tekenwerk (facsimile) bekijken. Door de prachtige kopiekwaliteit van deze tekeningen is zijn tekenwerk een korte tijd van zeer dichtbij te bewonderen. Een
gouden licht Liber
Veritatis
Afscheid:
The Rest Unieke
presentatie Wim Adema is beeldend kunstenaar en fotograaf en publiceert regelmatig artikelen over beeldende kunst in diverse media. Klik hier om zijn website te bekijken. Terug naar boven | Print dit artikel!
Twee haiku's van Ria Giskes. Verder op deze pagina vindt u er nog twee (RdB).
Haiku: Ria Giskes-Pieters; foto: ©John Giskes. Meer haiku's van Ria Giskes vindt u hier: http://tjilp.blogspot.com.
Leven
in de kunst en kunst in het leven. Dat is het idee. Zes jaar geleden, tijdens de tentoonstelling 'H x B x D Rabo Kunstcollectie' in het Gemeentemuseum Den Haag, is de kunstcollectie van de Rabobank al eens uitgebreid te zien geweest. Heeft u dat gemist? Geen paniek! Vanaf juni dit jaar heeft de Rabobank namelijk haar eigen tentoonstellingsruimte in het nieuwe hoofdkantoor in Utrecht. Hier is een groot deel van de kunstcollectie dagelijks vrij toegankelijk voor een ieder die graag naar kunst kijkt. Een unicum voor een bedrijfscollectie. Door Damiët Kuin
Dit veranderde in 1995 toen de bank serieus begon met collectioneren en hiervoor ook beleid ontwikkelde. Klaassen: "In de loop der jaren is er verandering gekomen in de benadering van de kunstcollectie. Men is op een andere, meer museale manier naar de kunst gaan kijken. In het nieuwe kunstbeleid zijn het gebouw en de te vullen wanden niet meer het uitgangspunt voor de collectie." Het uitgangspunt voor het nieuw te volgen kunstbeleid werd het verzamelen van kunst van Nederlandse, in leven zijnde, kunstenaars uit verschillende generaties, die van belang zijn voor de ontwikkeling van de Nederlandse kunst. Dit uitgangspunt paste goed bij het coöperatieve karakter van de bank en haar nadrukkelijke wens zich te verankeren in en een bijdrage te leveren aan de Nederlandse cultuur. Van de kunstenaars werd geprobeerd een overzicht van toonaangevende werken uit hun oeuvre aan te kopen, zogenaamde sleutelwerken. "Om dit te kunnen realiseren," vertelt Klaassen, "is goed contact met de kunstenaars heel belangrijk. De kernkunstenaars uit de kunstcollectie van de Rabobank, dat zijn er ongeveer tachtig, worden daarom gevolgd in hun ontwikkeling." In de collectie bevinden zich momenteel ongeveer 2000 werken waarvan ongeveer 1200 werken behoren tot de kerncollectie. De oudste generatie kunstenaars, geboren tussen 1920 en 1950, vormen het fundament van de collectie. In deze categorie bevinden zich namen als Karel Appel, Constant, René Daniëls, Ad Dekkers, Jan Dibbets, Ger van Elk, Daan van Golden, Jan Schoonhoven en Carel Visser. De hierop volgende middengeneratie kunstenaars, geboren tussen 1951 en 1965, bevat kunstenaars als Marlene Dumas, Rineke Dijkstra, Rob Birza, Tom Claassen, Joep van Lieshout, Michael Raedecker, Aernout Mik, Marc Mulders en Maria Roossen. En dan is er nog de generatie kunstenaars, geboren na 1966, zoals Robert Zandvliet, Alicia Framis, Heringa / Van Kalsbeek, Mark Manders, Fiona Tan en Barbara Visser. Ook van heel jonge kunstenaars, tussen begin twintig en eind dertig, wordt zo nu en dan werk aangekocht voor de kunstcollectie. Dit zijn de kunstenaars die nog geen generatie vormen, maar het wel in zich hebben om mogelijk 'sleutelfiguren' in de collectie te worden. Te denken valt aan kunstenaars als Viviane Sassen, Guido van der Werve, Koen Delaere, Maaike Schoorel, Karen Sargsyan, David Jablonovski, Navid Nuur en Amalia Pica. Twee jaar geleden werd er een kleine, aanpassing in het kunstbeleid gemaakt door het toevoegen van internationale kunstenaars aan de tot dan toe nationale kunstcollectie. Klaassen: "De landsgrenzen, die we aanvankelijk hadden gesteld voor het aankopen van kunst, worden steeds minder rigide gehanteerd. Kunst houdt namelijk niet op bij de grens. We leven in een wereld die door technologische ontwikkelingen een steeds mondialer karakter krijgt. De Rabobank speelt in op deze ontwikkelingen en profileert zich steeds meer als een mondiale speler in het veld. De afdeling kunstzaken wil de kunstcollectie mee laten groeien met de ambitie van de bank. De kern van de kunstcollectie blijft bestaan uit Nederlandse kunstenaars. Zo nu en dan koopt de afdeling kunstzaken werk aan van bekende internationale kunstenaars, zoals William Kentridge, Yinka Shonibare, Hans Op de Beeck en Olaffur Elliasson. Deze werken kunnen gezien worden als ijkpunten die de bestaande collectie meer reliëf geven. Het werk dat van internationale kunstenaars wordt aangekocht, sluit altijd aan op de kunst die reeds aanwezig is in de collectie van de Rabobank, bijvoorbeeld door de gebruikte thematiek. De
Rabo Kunstzone
De ruimte heeft diverse gebruiksmogelijkheden en is bedoeld als een plek voor ontmoeting en inspiratie. Zo kun je er uitgebreid rondlopen om de kunst te bekijken, compleet met audiotour of begeleidende folder. Je kunt in de ruimte ook werken op een van de flexplekken die bedoeld zijn voor medewerkers. Zelf als passant kun je van de kunst genieten, wanneer je langs de enorme, glazen gevel wandelt. "De gevel is 's avonds mooi uitgelicht," vertelt Klaassen, "dat geeft weer een andere dimensie aan de opgestelde kunstwerken." De Rabo Kunstzone is voor iedereen vrij toegankelijk op werkdagen van negen uur 's morgens tot zeven uur 's avonds. Heb je een Smartphone? Dan kun je extra informatie bij een kunstwerk downloaden. Ben je nog niet in het bezit van de nieuwste elektronica? Dan kun je je laten rondleiden door speciaal hiervoor opgeleide Utrechtse studenten of medewerkers van de bank zelf. Op 16 juni is de Kunstzone officieel geopend met de prelude tentoonstelling 'Imagine Being There', een proef-opstelling die door de medewerkers van de afdeling kunstzaken is gebruikt om de ruimte te leren kennen. "De eerste maanden," zo vertelt Klaassen, "werd er nog niet actief naar buiten gecommuniceerd over de nieuwe kunstruimte en de tentoongestelde collectie, dit werd pas na een paar maanden opgepakt. Toch zijn er in deze relatief korte periode, een kleine vier maanden, al zo'n 4000 unieke bezoekers geweest. Ongeveer 20% hiervan was extern. De reacties van bezoekers vallen me heel erg mee. Vroeger bestond er bij het publiek veel meer weerstand tegen kunst in de bank. Dit kwam altijd ter sprake bij rondleidingen. De afdeling kunstzaken moest de collectie destijds veel meer verdedigen. Er werden geregeld vragen gesteld als 'Waarom heeft de bank kunst en waarom gaat daar zoveel geld naar toe?' Dergelijke gesprekken voeren we, sinds de Rabo Kunstzone is geopend, niet meer met bezoekers. Het is nu voor iedereen duidelijk dat de kunst een permanente plek heeft binnen de bank. De bank heeft, met de opening van de Rabo Kunstzone, haar kunstcollectie werkelijk omarmd en straalt dit ook uit naar buiten. Wij, van de afdeling kunstzaken, zeggen wel eens: 'We gaan een nieuwe fase in, niet de fase van het verzamelen maar die van het verzilveren.' Daarmee bedoelen we natuurlijk niet dat we de kunst te gelde gaan maken, maar juist dat we laten zien wat de collectie voor de bank en alle mensen die hier komen kan betekenen. Iedereen die hier binnenkomt, is enthousiast over de ruimte en over de kunstcollectie. Vooral omdat dit initiatief is neergezet in een tijd waarin veel wordt bezuinigd op kunst en de culturele sector toch vaak als een soort linkse hobby wordt weggezet. Wij laten hier zien dat kunst geen linkse hobby is en dat kunst voor je kan werken, waarbij we volledig recht doen aan kunstenaars en hun integriteit." IKJIJWIJ Momenteel is de collectie tentoonstelling 'IKJIJWIJ' te zien in de Kunstzone. In deze tentoonstelling draait het om de vragen Wie ben ik? Wie ben jij? Wie zijn wij? Welke rol spelen afkomst, werk, geaardheid of leefomgeving? Kortom, wat is onze identiteit? Het idee voor de tentoonstelling ontstond vanuit de drie verhaallijnen, die te onderscheiden zijn in de kunstcollectie van de Rabobank: de conceptuele kunst, kunst met betrekking tot het mensbeeld en geëngageerde kunst, vrij vertaald: het idee, de mens en zijn omgeving. Identiteit dus. Voor de tentoonstelling hebben de medewerkers van de afdeling kunstzaken gekeken naar wat identiteit is en hoe kunstenaars reflecteren op dit begrip. Je hebt als mens onder meer een sociale-, een culturele- en een groepsidentiteit. Eigenlijk is ieder mens een vergaarbak van verschillende stukjes identiteit. Kunstenaars stellen zichzelf geregeld wezensvragen over de identiteit van de mens en hoe deze gevormd wordt.
Naast de foto's staat het werk 'The Pursuit' van Yinka Shonibare. Het kunstwerk is een bewerking van een liefdesscène geschilderd door de 18e-eeuwse schilder Fragonard. De kostuums op de poppen zijn echter niet Frans, noch 18e-eeuws. Ze zijn gemaakt van Dutch Wax-textiel: een stof die in Nederland gemaakt wordt voor de Afrikaanse markt. De oorsprong ervan ligt in Indonesische batikstoffen die in de 19e eeuw door Hollandse kooplieden in Afrika werden verkocht. De Nigeriaans-Britse kunstenaar Shonibare geniet de laatste jaren een groeiende internationale bekendheid met zijn 'tableaux vivants' van in Afrikaanse print geklede historische figuren. Door deze 'Afrikaanse' stoffen veelvuldig in zijn werk toe te passen en daarbinnen te verwijzen naar de Westerse (kunst)geschiedenis, stelt Shonibare vragen als: wat is culturele identiteit, wat is de erfenis van het koloniale verleden en hoe verhouden deze zich tot elkaar? "Het werk van Shonibare," vertelt Verily, "sluit goed aan bij de kunstcollectie van de Rabobank omdat het het spanningsveld tussen de Westerse wereld en het Afrikaanse continent omvat. Daarbij bevat de kunstcollectie veel werk van Nederlandse kunstenaars met Afrikaanse roots, die ook op deze verhoudingen reflecteren."
Op de achtergrond is enkel het diep grommende geluid van de enorme ijsbreker te horen. De film toont de mens in al zijn nietigheid. De beschouwer heeft geen enkel idee wat hij het volgende moment kan verwachten en blijft daardoor aan het beeld gekluisterd. Naast bovengenoemde kunstwerken is er in de tentoonstelling werk te zien van onder meer Folkert de Jong, William Kentridge, Merijn Bolink, Fiona Tan, Marina Abramovic en Meshac Gaba. Een prachtige aaneenschakeling van kunstwerken die reflecteren op (culturele)identiteit in verscheidene vormen. Tot
slot De Kunstzone is een bijzonder initiatief voor een bedrijfscollectie en brengt letterlijk leven en beweging in het gebouw, in de kunstcollectie en in de kunstwereld. 'Leven in de kunst en kunst in het leven', een slogan van de afdeling kunstzaken, krijgt zo een dubbele betekenis: leven en werken tussen de kunst en een bijdrage leveren aan de kunst(wereld). Dat is het idee. De
tentoonstelling IKJIJWIJ in de Rabo Kunstzone nog te zien t/m 3 februari
2011 in het nieuwe bestuurscentrum van de Rabobank aan de Croeselaan
18 in Utrecht. Dit is het achtste artikel uit een serie over bedrijfscollecties van Damiët Kuin. De vorige afleveringen stonden in Het Beeldende Kunstjournaal 2010-nr.2, 3 en 5 en 2011-nr.1, 2, 3 en 5. Damiët Kuin studeerde Algemene Cultuurwetenschappen (BA) en heeft de master voor Museumconservator afgerond. Terug naar boven | Print dit artikel!
Interview: Paul Dikker, artist-in-residence in Noorwegen Hoe vind je als beeldend kunstenaar nieuwe impulsen voor je werk? Dat kan op vele manieren, onder andere door een werkperiode als 'artist-in-residence' in het buitenland. Schilder Paul Dikker (1959) uit Amsterdam werkt sinds 2006 ieder jaar een aantal maanden in Noorwegen. In dit interview vertelt hij op welke manier dit zijn schilderijen heeft beïnvloed, hoe de Noren ernaar kijken en onder welke omstandigheden hij in Noorwegen kon werken. Door Rob den Boer
figuratieve en hij maakt ook nu nog panoramische schilderijen. Maar zijn, tot nu toe, vijf werkperiodes in Bergen en Ålvik in Noorwegen hebben interessante nieuwe lagen aan zijn werk toegevoegd, die ook te maken hebben met zijn verblijf daar. Hij voelt zich helemaal vrij in Noorwegen en dan ontwikkelt zich in hem een grote scheppingsdrang. Naast het maken van nieuw werk, heeft Paul Dikker ook veel geëxposeerd in Noorwegen, onder andere in het IKM (Interkulturelt museum), dat vooral werk van buitenlandse kunstenaars toont. De galerie is een ontmoetingsplaats tussen kunstenaars en publiek en is een onderdeel van het Oslo Museum. Omdat we in Nederland nog niet zoveel weten van het kunstklimaat in Noorwegen, vraag ik Paul Dikker om hier meer over te vertellen. Den Boer: "Hoe kwam je in contact met Noorwegen?" Dikker: "In 2005 wilde ik graag weer naar het buitenland. Ik stuurde een email met een profiel van mijzelf naar ongeveer vijfendertig Nederlandse ambassades. De Culturele Attaché van de Nederlandse Ambassade in Oslo reageerde enthousiast. Via haar kreeg ik adressen van gastateliers in Noorwegen zoals de United Sardine Factory (USF) in Bergen. In 2006 diende ik een aanvraag in om drie maanden als 'artist-in residence' te komen werken en in hetzelfde jaar kon ik al komen, omdat iemand anders was uitgevallen." Den Boer: "Wat trok je in Noorwegen aan om juist daar te gaan werken?" Dikker: "Noorwegen was blanco voor mij. Sommige ambassades wilden een plan van mij zien, terwijl ik mij juist open wilde stellen voor iets nieuws. In Noorwegen kreeg ik die kans. Toen ik in mijn auto onderweg was naar Bergen, dacht ik wel eens 'wat ga ik daar eigenlijk doen?' Ik had ook het idee dat de mensen nogal koel en afstandelijk waren. Dat bleek bij aankomst erg mee te vallen. Ik werd gastvrij opgehaald bij de boot in Oslo door een medewerkster van het kantoor van de USF. Dit bleek een groot kunstencentrum te zijn met een jazzclub, culturele bedrijfjes, een schrijversvakschool, diverse podia, een café, een filmhuis en een groot terras. Ik werd bij aankomst meteen uitgenodigd voor een presentatie bij een designmeubelbedrijfje uit het complex, waarbij ik werd voorgesteld als 'special guest from Amsterdam'. Vervolgens kwamen er allemaal mensen naar me toe om kennis te maken. Dat zette voor mij de toon."
Vroeger ging het mij in de eerste plaats om de vlakverdeling en de compositie; nu is er meer ruimte voor intuïtie en spontaniteit tijdens het schilderen. Daardoor dring ik nu dieper door tot de essentie en ontstaat er een hele elementaire poëzie in mijn schilderijen." Den Boer: "Ik zou me kunnen voorstellen dat het moeilijk is om als schilder iets toe te voegen aan een landschap dat al zoveel schoonheid in zich draagt. Hoe ga je hiermee om?" Dikker: "Niet. Ik hoef niets toe te voegen want de natuur in Noorwegen is zo bijzonder dat die mij tot een schilderij prikkelt. Dat is een transformatie van de werkelijkheid, een verbeelding van de natuur. Het gaat mij niet om een nabootsing daarvan, dus ik ben vrij om te doen wat ik wil. Zo kan ik bijvoorbeeld heel ongebruikelijke kleuren gebruiken. Als schilder ben ik geïnteresseerd in de picturale verbeelding van de werkelijkheid. Er zijn in Noorwegen vooral veel ronde, grillige vormen die je in Nederland niet veel tegenkomt. Je ziet bijvoorbeeld wolken die over een berg heen hangen. En je passeert watervallen als je in de bergen wandelt. Er zijn ook heel veel soorten licht. Daar kun je mee spelen, als het ware je 'eigen' Noorse landschap creëren." Den Boer: "Hoe kijken Noren naar jouw werk?" Dikker: "Veel Noren vinden mijn werk bijzonder. Mijn vriend, de schrijver Bjørn Sortland, zei: "Door jouw schilderijen begrijp ik waarom al die toeristen hier komen." Ik geef het landschap zo weer dat je er de schoonheid en grootsheid van inziet. Het is het resultaat van mijn verbeelding."
Den Boer: "De beschouwer van je werk zou kunnen denken dat je een ideaalbeeld van Noorwegen schildert. Is daar nu helemaal niets lelijks wat je fascineert?" Dikker: "Een schilderij is altijd een ideaalbeeld. Als kunstenaar zoek je naar dat ultieme beeld. Mij gaat het ook niet om Noorwegen. Die bergen op mijn schilderijen zouden ook in Canada, of waar dan ook, kunnen zijn gesitueerd." Den Boer: "Kun je iets vertellen over de werk- en leefomstandigheden van beeldend kunstenaars in Noorwegen?" Dikker: "In Noorwegen kan ik tamelijk geïsoleerd werken. Je komt los van alles wat je in het normale leven en je gedachten beperkt. Ik ben veel vrijer om a-sociaal te zijn, hoewel ik ook in Noorwegen veel contacten heb in de plaatsen waar ik ben geweest. Verder heb ik er een goed atelier in een omgeving waar alleen maar wordt gewerkt. En mijn tijd is natuurlijk beperkt. Ik ben daardoor enorm geconcentreerd, met een veel hogere productie dan hier. Of ik er permanent zou willen wonen weet ik niet; dat zou ik moeten ondervinden door er daadwerkelijk te gaan leven." Den Boer: "Wat is je opgevallen aan de Noorse maatschappij die je hebt gezien in de plaatsen waar je hebt gewerkt?" Dikker: "De mensen in Noorwegen leven dichter bij de natuur. Vrouwen gaan er bijvoorbeeld vissen, ook voor de lol. Veel mensen bakken hun eigen brood. Een pak sneeuw leidt niet tot een weeralarm. Men weet er mee te leven. Het vliegtuig is in Noorwegen gewoon een vervoermiddel. De afstanden zijn veel groter. Dat realiseerde ik mij pas toen ik mijn paspoort zocht, terwijl ik een binnenlandse vlucht nam." Den Boer: "Hoe reageren de mensen op kunstenaars? En op jou als buitenlander?" Dikker: "Om te beginnen merk ik dat kunstenaars in Noorwegen in veel hoger aanzien staan dan bijvoorbeeld in Nederland. Ook 'gewone' mensen hebben belangstelling voor beeldende kunst. Het afgelopen jaar werkte ik in een dorpje met ongeveer 600-700 inwoners, waarvan de meeste in de plaatselijke fabriek werken. Zij waren erg geïnteresseerd en wilden graag op mijn atelier komen kijken. Een van hen zei tegen mij: "You as an artist give so much back to society." Hij vroeg zich ook af waarom ik in Nederland geen staatsinkomen kreeg. Er zijn in Noorwegen ook overal kunstverenigingen, zelfs in plaatsen met een paar honderd inwoners. Kunst wordt veel meer dan in Nederland als een belangrijke waarde gezien voor de maatschappij. Het boek 'Alt det som er' (Alles wat er is) dat ik samen met Bjørn Sortland heb gemaakt, is bijvoorbeeld door de Noorse staat aangekocht voor verspreiding over alle bibliotheken in het land. Dat ging om 1500 boeken." Den Boer: "Kun je iets zeggen over de werkomstandigheden van beeldend kunstenaars in Noorwegen?" Dikker: "Er zijn goede sociale regelingen voor kunstenaars. Degenen die hun sporen hebben verdiend krijgen bijvoorbeeld een gegarandeerd staatspensioen tot hun 67ste. Dat betreft natuurlijk een beperkte groep. Ook hebben beroepsverenigingen veel meer invloed dan hier. Ateliers zijn goedkoop. En er zijn veel mogelijkheden om allerlei subsidies aan te vragen, bijvoorbeeld voor exposities, opdrachten, publicaties, transporten en reizen. Veel van de kunstenaars die ik ken hebben presentaties in het buitenland, dat wordt aanzienlijk meer dan in Nederland door de overheid gefaciliteerd."
Den Boer: "Waarom zou een kunstenaar volgens jou naar Noorwegen moeten willen gaan?" Dikker: "Het kan goed zijn voor een kunstenaar om eens geheel ergens anders te werken, omdat zo'n verblijf iets nieuws brengt. Waar het ook is. Er komen dingen terug die je van te voren niet had kunnen bedenken." Meer informatie en vele foto's van schilderijen vindt u op de uitgebreide website van Paul Dikker, www.pauldikker.nl. Rob den Boer is beeldend kunstenaar en publiceerde over beeldende kunst in diverse media. Terug naar boven | Print dit artikel!
Museum De Lakenhal heeft in samenwerking met de Universiteit van Leiden - in het kader van het 125-jarig jubileum van de '3 October Vereeniging', die de jaarlijkse viering van het Leids Ontzet organiseert, de fotograaf Erwin Olaf met de opdracht vereerd een historiewerk te creëren bestemd voor dit museum. Olaf (1961) is daarin geslaagd op zijn zeer authentieke wijze. Op 31 oktober 2011 heeft Erwin Olaf de Johannes Vermeerprijs in ontvangst mogen nemen voor zijn gehele oeuvre. Door Joke M. Nieuwenhuis Schrama
Melkinrichtingen De Leidse werkwereld, die herinner ik me wel. Ik schrijf nu ruim zestien jaar verder, niet ver van mijn geboortehuis aan de Rijnsburgersingel. Het was een vakantiebaantje op het kantoor van een NV Melkinrichting. Dit verzin ik niet. Met mooi weer fietste ik naar de stad, ongeveer elf km. Mijn taken als vakantiehulp waren voornamelijk een zware 'Adressograph' bedienen, ten behoeve van de kassier, die een voorraad facturen wilde aanleggen. 4-laags gecarboniseerde formulieren, voorbedrukt, een soort vroeg Excel model, geperforeerd aan de bovenzijde. Melkafnemers c.q. aandeelhouders van deze Leidse melkfabriek werden wekelijks gefactureerd. Bij de 'Adressograph' hoorden honderden metalen drukplaatjes, één per adres. Die plaatjes waren in groepen verdeeld en per groep alfabetisch gerangschikt. Het geheel moest eerst worden gecontroleerd op volgorde, mutaties, beschadigingen en dergelijke. De kassier was uiterst nauwkeurig. Daarna kon het slaan beginnen. Handmatig. Mijn gram van de hele week ging erin zitten. Het apparaat maakte een kabaal. Dit werk moest dan ook gebeuren in een belendende ruimte, een archief met een raam op het zuidoosten. De deur diende gesloten te blijven. Hoogconjunctuur Milky
Haze 3
oktober Vrijheid!
Leidens Ontzet 1574-2011 Fijne Laeckenen
Inspiratie Oudste
Universiteitsstad van Nederland De auditie voor figuranten die in Olaf's tableau leven en voor dood liggen, werd in het Scheltema complex gehouden en leverde 160 gegadigden op, waaruit 36 figuranten werden gekozen, waarvan weer 28 Leidenaren. Daar kwamen enkele professionele modellen bij zoals Minerva en edelfiguranten zoals een dwerg en een vrouw met het syndroom van Down. Een jonge figurante van twee jaar. Eén figurant werd vanaf een terras gecast! Vanwege zijn bijzondere knevel. Deze man verbeeldt de beroemde Jonker, Jan van der Does, of Janus Douza, zijn gelatiniseerde naam. In het tableau staat hij nogal hautain te kijken, met iPod, kijk maar. Vooruitstrevend. Jan van der Does (1545-1604) kreeg na het Ontzet, vanwege zijn goede beleid en strategie, van Willem van Oranje het groene licht een Universiteit te stichten, de eerste, in wat toen Nederland was. Pieterskerk Rekwisieten en decors
Kostuums zijn gehuurd of gedeeltelijk ter plekke vervaardigd. Een grimeur heeft pestbuilen gemaakt. Heb je de pestpokken, dàn (dit klinkt Leids)? Of, je zult maar voor dood moeten liggen. Geen sinecure! Immers, het moest wel degelijk drama uitbeelden en geen spotprent. De lijkenpikker in het tableau, geheel links, aanvankelijk een man, werd uiteindelijk door een vrouw vervangen. Deze wandaad komt nog dramatischer in beeld als een vrouw die pleegt, meende Olaf. Hmm. Er werd hier en daar verplaatst en veranderd, ook wat studio nawerk. De eigentijdse details die Olaf heeft toegevoegd zijn een knikje van verstandhouding naar anno 2011, waarin zijn historiestuk tot stand is gekomen. Een teenslipper, de iPod, een leesbril aan een koord. Het is allemaal te aanschouwen, 200 x 265 cm chromogene afdruk op dibond, in barokke lijst en blijft in Museum De Lakenhal. De vertegenwoordiging van hedendaagse kunstenaars binnen dit museum, is nu aangevuld met Erwin Olaf. Tot 8 januari 2012 zijn de bijbehorende zes portretten en stillevens te bewonderen in de Universiteitsbibliotheek aan de Witte Singel te Leiden. Meer
informatie kunt u vinden op de volgende websites: Terug naar boven | Print dit artikel!
Nog twee haiku's van Ria Giskes (RdB).
Haiku: Ria Giskes-Pieters; foto: ©John Giskes. Meer haiku's van Ria Giskes vindt u hier: http://tjilp.blogspot.com.
NUL=0 Als reactie op het abstract expressionisme in de beeldende kunst onstond aan het einde van de jaren vijftig in de vorige eeuw ook in Nederland een tegenreactie: de informele schilderkunst. Men schilderde monochroom en zonder vorm. Schilders als Armando, Jan Schoonhoven, Henk Peeters en Jan Henderikse vormden samen de Nederlandse Informele Groep. Zij wilden het tegenovergestelde uitdrukken van kunstenaars als Ger Lataster, Karel Appel en Corneille en zochten naar een objectieve weergave van de werkelijkheid. Zij hadden een grote afkeer van het emotionele schildergebaar. Door Wim Adema
Een gebruiksvoorwerp kan door zijn vormgeving als uniek voorwerp gezien worden. Het is een afgeleide van de objectieve werkelijkheid. De kunstenaars van de Nul-beweging (gestart in 1960) vonden dat kunst gemist kon worden als 'kiespijn'. Men wilde het vervaardigen van kunstvoorwerpen beëindigen. Nul en nihil hebben echter geen inhoudelijke relatie met elkaar. Kunst moest een weergave worden van het gewone en dagelijkse leven. Men wilde geen commentaar geven op die werkelijkheid maar op een koele en afstandelijke manier de beeldtaal van het alledaagse visualiseren. Het kunstwerk mocht vooral geen artistieke uitstraling hebben; het vormde een radicalisering van een idee. Nul stond voor anonimiteit, het niets. Internationale
contacten Ook in Italië en Japan waren een aantal kunstenaars op deze wijze aan het werk: de Izamuth-groep (Manzoni) en de Gutai-groep. Henk Peeters, lid van de Nul-beweging, onderhield veel internationale contacten. Piero Manzoni (1933-1963) vormde voor de Nederlandse Nul-groep een belangrijk referentiepunt. Hij ondersteunde hen met raad en daad. Met de Duitse Zero-groep bestond een intensief contact. Toch waren er grote inhoudelijke verschillen tussen beide groepen. Bij Zero had men vooral veel interesse voor kleur, licht en dynamiek, terwijl de Nul-groep meer kontakt zocht met materiaal van de alledaagse consumptiemaatschappij. De Franse kunstenaars daarentegen wilden vooral de gevoeligheid voor alledaagse dingen vergroten. Zij gebruikten vaak industriële wegwerpartikelen. Jan Henderikse voelde zich nauw verwant met deze Franse kunstenaars. Nul-beweging
en identiteit In het werk van Armando, Peeters, Schoonhoven en Henderikse treft men heel grote verschillen in beeldtaal aan. Het gedachtegoed van de Nul-groep verbond hen onderling, maar hun artistieke invalshoeken bleven zeer uiteenlopend. Zij wilden de hen omringende werkelijkheid in objectieve kunstwerken vertalen, maar het gebruikte materiaal en hun individualiteit bleek weerbarstig en complex van vorm te zijn. Misschien bleef Jan Schoonhoven wel dicht bij de kerngedachte van Nul. In zijn reliëfs en tekeningen zocht hij met geometrische structuren naar een eindeloze herhaling en minimaliteit van de vorm in witte kleuren. Deze wandobjecten bleken echter gevoelig voor licht en schaduw, waardoor wel een subjectieve sfeer ontstond. Het verloop van de tijd zorgde tevens voor verandering van vorm en diepte. Armando werkte anders. De kleuren zwart en rood domineerden zijn werk. De nawerking van de 2e Wereldoorlog zorgden voor een agressieve en dramatische ondertoon. Het thema van herhaling vind men echter weer terug in zijn wand met autobanden, metalen platen met bouten en verfdrums.
Hij schilderde monochroom en hield van het wetenschappelijk berekende toeval. Na het verschijnen van de eerste twee nummers van het tijdschrift Nul=0 zorgde de vries tot 1963 voor de redactie van dit blad. De Nul-groep kende drie belangrijke exposities: 'Nul' in het Stedelijk Museum Amsterdam (1962); 'Nul en Zero' in het Haags Gemeentemuseum (1964) en de bijzonder internationale tentoonsteling van 1965 in het Stedelijk Museum Amsterdam: 'Nul negentienhonderdvijfenzestig'. Onthullingen
in Schiedam Zo zijn er meer van die opvallende verschillen. De Japanner Sadamaso Motonaga bijvoorbeeld laat met zijn werk 'Sahuku Mizu (1965, Waterwerk) een haast spirituele beleving ontstaan. Drie langgerekte hangvormen (oorspronkelijk bedoeld om tussen bomen te hangen) van transparant vinyl vormen rustpunten in de ruimte. Gepigmenteerd water met drie verschillende kleuren, dat in de onderbuik van de vormen verstild hangt, geeft een boeiend contrast met de lineaire vormen en eigenschappen van het vinylmateriaal. Van de Italiaan Piero Manzoni is een wit schilderij aanwezig: Achrome. Haar oppervlakte laat subtiele verschillen zien tussen wit en lichtgrijs. Van 'Zero op Zee' (1965), een internationaal maar nooit uitgevoerd project in Scheveningen, zijn een groot aantal ontwerpen (maquettevorm) aanwezig. Ook in dit project was sprake van een grote diversiteit in idee en uitvoering. De expositie in Schiedam
Dit kan
men nu in het Stedelijk Museum van Schiedam duidelijk ervaren. Binnen
de weerbarstige contouren van hun concepten lijkt een objectieve werkelijkheid
aanwezig, maar hun individuele karakters zorgden voor een bont spectrum,
waarin Nul als stijluitdrukking moeilijk herkenbaar werd. Internationaal
was er wel sprake van een wederzijdse acceptatie en waardering. De vogelvlucht
van de Nul-groep bleek echter van korte duur. In 1966, vijf jaar later,
hervond men weer een eigen traject. Nul=0, nu in Schiedam, toont de
bezoeker een spoor van herinneringen. Ook 'Zero op Zee', een nooit gerealiseerd
legendarisch project, krijgt opnieuw de aandacht. In Schiedam ontstond
een mooi vormgegeven kunsthistorisch document van de Nul-beweging. De
objecten van Duitse Zero-groep maakten echter in Schiedam op mij een
inspirerende indruk: Zero ist die Stille. Zero is der Anfang. Zero
is Rund. Zero dreht sich. Zero der neue Idealismus. Zero is Zero. Wim Adema is beeldend kunstenaar en fotograaf en publiceert regelmatig artikelen over beeldende kunst in diverse media. Klik hier om zijn website te bekijken. Terug naar boven | Print dit artikel!
Ter herinnering aan beeldend kunstenares Charlotte Salomon en dichteres Selma Meerbaum-Eisinger. Slachtoffers van waan en geweld. Door Marianne van Waterschoot
Is het de context van de duistere periode waarin de beide jonge vrouwen leefden, dat hun werk me zo raakt? Dat zal er zeker mee te maken hebben. Maar meer nog ligt de aantrekkingskracht in de manier van het vorm geven aan de diepste gevoelens. Die blijven universeel en tijdloos herkenbaar en de aandacht waard. Woord
en Beeld De grafstenen op de Joodse begraafplaats van Ouderkerk aan de Amstel zijn uniek. De tekst en de afbeeldingen op de zerken zijn namelijk bewust gescheiden. De vindingrijkheid zich toch persoonlijk te kunnen uiten en toch goed te verhouden met de wijzing in de Joodse leer, zou je heiligschennis kunnen noemen. Het is Joden namelijk bij Thora verboden te verbeelden. Zelfs de naam van God moet achter de lippen verzegeld blijven. Dat is ook bij bepaalde Christelijke groeperingen geen onbekend fenomeen. De joodse traditie beveelt de mensen de dialoog aan. Woorden zijn uitermate belangrijk. In de joodse Schrift, de Thora, door God aan Mozes gegeven, kent een aanvulling van mondelinge commentaren van meer dan 100 Joodse geleerden. Die leerstellingen worden 'Misjna' genoemd. Ook de nazi's hebben veelvuldig misbruik van woorden gemaakt om via camouflage en misleiding de verschrikkelijke werkelijkheid achter hun ideologie te verhullen. Wat het daglicht niet verdragen kan, beweegt zich in het duister. De Nazi-propagandamachine creëerde 'De Eeuwige Jood', een nauwelijks menselijk monster dat als een vraatzuchtig roofdier over de wereld sloop, azend op alle moois en onschuldigs. Een wezen zo verderfelijk en onmenselijk dat het vernietigd moest worden om het eigene te beschermen en zuiver te houden. Joodse kunst en wetenschap werd 'entartet' verklaard, ontaard. Sommige Duitse kunst werd ook verboden, maar de makers ervan mochten hun kunstzinnig werk niet meer uitoefenen. Joodse kunstenaars werden naar vernietigingskampen afgevoerd. Nu, achteraf, beseffen we dat 'entartet' nationalisme kan leiden tot gelegitimeerd en meedogenloos uitroeien van hele bevolkingsgroepen. Charlotte Salomon en Selma Meerbaum-Eisinger hebben elkaar nooit ontmoet, maar zijn door hun lot en hun nalatenschap in woord en beeld verwant geraakt. Gebroken
leven Temidden van alle duister kan de timide Charlotte de schoonheid van de natuur blijven zien en zo tracht ze in een toekomst te geloven. Ze trouwt en is vier maanden zwanger, wanneer ze in 1943 opgepakt wordt en naar Auschwitz gedeporteerd. Vlak voor haar deportatie heeft ze het meer dan 700 pagina's tellend werk veilig kunnen stellen: 'Bewaar het goed, het is mijn hele leven!' Op de dag van aankomst wordt ze vergast. Haar werk wordt drie decennia later ontdekt en door Jürgen Sterke in Duitsland uitgegeven. Leben?
Oder Theater? Edvart Munch schreef: "We should no longer paint interiors with men reading and women knitting. We should paint living people who breathe, feel, suffer and love." In 1325 autobiografische gouaches schildert en beschrijft Charlotte Salomon dat leven. Ze rangschikt het als was het een zang- of toneelspel. Niet verwonderlijk, haar stiefmoeder was een vermaard zangeres, haar grote liefde – waar ze overigens niet mee trouwde - was zangpedagoog. In kleuren en beelden die aan Chagall doen denken, naïef van vorm vaak, tracht ze al haar mooie momenten en breukervaringen te ordenen. Of misschien is het enkel registreren. In de pré-Hitler periode gebruikt ze nog veel lichte en felle kleuren. Daarna drukt de opkomst van de nazi's in Duitsland en de gevolgen ervan dusdanig op haar leven en dat is te merken in haar werk. Rond diezelfde tijd leert ze de waarheid over de dood van haar moeder. Diepe depressie en suïcide blijkt als een rode draad door haar familie van moederskant te lopen. In de schok van zowel de familiehistorie als het nazisme behoedt het schilderen haar om niet te bezwijken onder de chaos. Volgens de Griekse dichter uit de 7de eeuw v.Chr. Ar is de wereld een theater waar de slechtste lieden de beste plaatsen hebben. De Joden zaten in elk geval in de tijd van Charlotte Salomon niet vooraan. Ze keert zich letterlijk en figuurlijk steeds meer naar binnen. Haar kleurgebruik vernauwt zich door grotendeels paars, bruin en zwart in haar werk te gebruiken. In niet mis te verstane tekst of suggestief aangegeven lijkt ze de realiteit van zich af te willen houden. "Rache den Juden… und ihre Tempel die wollen wir zerstören…" of met een enkele blik of gebogen gestalte. Theater!
Dus leven!
Bij een dergelijke compactheid ervan en laatste, profetische regel kan een lezer alleen maar zwijgen. Herhaling
en leegte Beiden richtten zich op het onzichtbare, niet door uit de realiteit te vluchten, maar door op authentieke wijze iets toe te voegen aan diezelfde realiteit: hoop. Een onzichtbaar goed dat alle uiterlijkheden van de wereld kan overstijgen. En die hoop blijft zich op allerlei wijze herhalen in hun werk. "Vruchten en bloemen dragen op elke plek grond waar men geplant is, zou dat niet de bedoeling zijn?" Vroeg de eveneens vermoorde Etty Hillesum zich af. "En moeten wij er niet aan meehelpen deze bedoeling te verwezenlijken?" De paradox van moeilijke tijden doorleven en het creëren van het ellende overstijgend moois levert bij sommigen een spanningsveld op waardoor alle zintuigen in verbinding staan met de diepste gevoelens en zo op het hoogste niveau samenwerken. Zo ontstaan de mooiste dingen. Overlevering Selma zette in woorden, wat Charlotte tastbare vorm gaf. Het leven van jonge vrouwen, overrompeld door immense chaos, dood en verderf. Maar net zoals de mythische Endymion, sluimeren Charlotte Salomon en Selma Meerbaum-Eisinger voor altijd en zijn verzekerd van een eeuwige jeugd. Ze zijn nog altijd bronnen van inspiratie. Hun nalatenschap nog altijd aanleiding voor nieuwe werken. Ze zijn tijdloos en geliefd, omdat ze herkenbaar blijven ontroeren en omdat het kwaad nooit het laatste woord mag hebben.
"Der Wind singt sein Schlaflied (S. Meerbaum-Eisinger) Bronnen De permanente tentoonstelling van het werk van Charlotte Salomon in het Joods Historisch Museum is momenteel op reis en bevindt zich in het buitenland. Kijk op de website van het museum voor meer informatie. Terug naar boven | Print dit artikel!
Een gedicht van Ingrid van den Bergh
© Ingrid van den Bergh. Weblog: http://ingridvandenbergh.wordpress.com.
Een
rubriek waarin medewerkers van Het Beeldende Kunstjournaal tips geven
over mooie tentoonstellingen en evenementen die een bezoek waard zijn
of een mooi boek aanprijzen. Hands from 1961 until now: Jasper Johns. Tot en met 11 februari 2012 kan men in de galerie van de Stichting De 11 Lijnen in Oudenburg (Oostende/B) werk van Jasper Johns zien. Bijzonder de moeite waard is ook de architectuur van dit gebouw. De architect Alvaro Siza Vieira ontwierp een geïnspireerde minimalistische vormgeving voor stallen en schuren, welke tevens een relatie aangaat met haar omgeving. Licht en horizontaal karakter komen terug in de openingen van het gebouw. De kunstenaar Niele Torini verzorgde de inrichting van de binnenruimtes. Kortom: een architectonische synthese van galerie De 11 Lijnen. Hands from 1961 until now: Jasper Johns, t/m 11 februari 2012, galerie De 11 Lijnen, Groenedijkstraat 1, Oudenburg (B). Website: www.de11lijnen.com. (WA) Vrouwen
en de avant-garde. In de K20 van de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen
in Düsseldorf (D) is tot en met 15 januari aanstaande nog een expositie
te zien van acht kunstenaressen, die in de jaren twintig en dertig van
de vorige eeuw actief werkzaam waren binnen de avant-garde in Europa.
Onder de titel: 'Die Andere Seite des Mondes, Künstlerinnen der
Avantgarde' wordt de bijdrage van vrouwelijke kunstenaars onderzocht,
die vernieuwend werkzaam waren op het gebied van dada, kubisme en surrealisme.
Tot aan de zeventiger jaren van de 20e eeuw werden zij binnen hun eigen
vakgebied door mannelijke collega's en zeker ook door de musea niet
op hun juiste waarde ingeschat. De tentoonstelling in Düsseldorf
is een poging om dit beeld corrigeren. Er zijn kunstwerken te zien van
Florence Henri, Sonia Delaunay, Sophie Täuber-Arp, Dora Maar, Claude
Cahun, Hannah Höch, Germaine Dulac en Katarzyna Kobro. 'Die
Andere Seite des Mondes, Künstlerinnen der Avantgarde', t/m 15
januari 2012, Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen, Grabbeplatz 5, Düsseldorf
(D).
Inspiratie-, werkwerk op Chios, 3-10 oktober 2011
Het eiland Chios is een van de grootste scheepscentra en weerspiegelt de maritieme kracht van Griekenland, van deze geschiedenis is een en ander terug te zien in het Chios Maritieme Museum. Het eiland kent een enorme geschiedenis. De Chioten werden in de geschriften van de historicus Thucidides (ca 460 v Chr. - Atheens legeraanvoerder en geschiedschrijver) zelfs als 'rijkste Grieken' bestempeld. Naast een fameus handelscentrum zorgde Chios ervoor de binnenlandse productie te verhogen van de beroemde wijnen en de mastiek, die onder meer als grondstof voor medicijnen werd gebruikt. Het spreekt voor zich dat de scheepvaart dus onafscheidelijk is verbonden met het eiland. En ook nu behoort Chios dankzij de scheepvaart en uitstekende handelsgeest tot een van de welvarendste eilanden van Griekenland. De vorm 'boot' fascineert me al langer om verschillende redenen. Mijn grootvader, ooms en vader zijn verbonden (geweest) met scheepvaart en dat is de oudste herinnering aan 'boot'. Ook is de boot met de Griekse mythologie verbonden. Bij Odysseus komen beelden op van schepen die telkens weer een nieuw avontuur tegemoet gingen maar ook aan de donkere Charon die de weg naar de dood begeleidde over de rivier de Styx. En ook ten tijde van Alexander de Grote werden oorlogen via zee uitgevochten. Ik probeer me bijvoorbeeld in te leven om door de ogen van Odysseus te kijken: zoals hij bijvoorbeeld een schip met Sirenen op zich af zag (hoorde) komen. Wij nu als hedendaagse mens leggen ook een reis af. Het is voor mij vanzelfsprekend dat bij mijn werken de mens ook weer wordt toegevoegd. In deze week op Chios heb ik geprobeerd de vorm 'boot' naar eigen hand te zetten, een vorm te vinden zoals ik ook mijn 'mens' op eigen wijze gestalte geef. Een nieuw begin, een nieuwe vorm. Het verdere verwerken, doorwerken kan nu beginnen. Oktober 2011, Nancy Kroon. Website: www.kroonkunst.nl. |