Dec. 2011 -Jan. 2012, 6e jg. nr.6. Eindredactie: Rob den Boer. Postbus 268, 4100 AG Culemborg. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 
VOORKANT ACTUEEL OPINIE AGENDA UITGELICHT DOSSIERS ARCHIEF COLOFON
Voorpagina
artikel
over kunst en kunstenaars meningen
en columns
actuele
exposities
opmerkelijke
kunstberichten
artikelen uit alle 
vorige nummers

de laatste  
drie nummers

Informatie over
Het Beeldende Kunstjournaal
 

Actueel

Zonder doel is een pelgrim een gewone wandelaar

Door Peter van Dijk

Al vanaf mijn achttiende levensjaar maak ik iedere zomer een flinke wandeltocht, het liefst in de bergen. Veel plezier beleef ik aan tochten die me de geschiedenis invoeren. Zoals de Catharenpaden, de tocht van de Britse schrijver Stevenson en zijn ezel Modestine, de trail van Georges Sand, routes langs boeddhistische kloosters. Het verst terug in de geschiedenis ging ik afgelopen zomer, in de Sierra de Guara, Noord-Spanje, op zoek naar grottekeningen van zo'n 15.000 jaar geleden. Een uitgestrekt, eenzaam gebied, droog, overwoekerde paden in diepe kloven en ravijnen. Je fantaseert onmiddellijk hoe onze voorouders, de cro-magnonmensen, in hun mammoetvellen de wintertijd probeerden te overleven.

Toch heb ik nooit de moeder van de historische paden, het pelgrimspad naar Santiago de Compostela gelopen. Rijk aan geschiedenis, maar in mijn ogen te lang, te veel mensen, te populair. Maar naar Museum Catharijneconvent in Utrecht, waar tot en met 26 februari 2012 een tentoonstelling over dit populaire pelgrimspad is gemaakt, wilde ik graag.

 
'Een pelgrim rust uit bij een fontein in de Via dell'Arco Scuro in Rome', N.P. Holbech, 1831-1834, Kopenhagen, Thorvaldsens Museum.

Aflaat
De oudste pelgrimspaden liepen niet naar Santiago, maar naar Rome en Jeruzalem. Een pelgrimage was in de middeleeuwse geloofsbeleving, als je onderweg niet vermoord, ziek, of bestolen werd en dus gezond terugkeerde, een inspanning die loonde: je verwierf er een aflaat mee, een systeem van bonuspunten waarmee je de strafpunten voor je zonden kon compenseren. Dat was prettig, want geen mens is zonder zonde, concludeert de Bijbel in Johannes 8:2. De wegen naar Rome en Jeruzalem kenden aldus een druk verkeer van pelgrims te voet of te paard, al naar gelang hun rijkdom, op weg naar het graf van Petrus of Jezus Christus en hun aflaat.

Vanaf het jaar 1000 komt de pelgrimage naar Santiago op gang en heden ten dage is die als voettocht verreweg het populairst. In 2010 liepen 272.496 mensen op zijn minst de laatste honderd kilometer van deze religieuze tocht. Deze afstand is minimaal verplicht voor de officiële uitreiking van het certificaat. Op de fiets (in 2010: 32.763 mensen) moet die minstens 200 km zijn. Op de site van de 'Vereniging Voetreizen naar Rome' blijkt in 2010 een dertigtal Nederlanders de heilige stad te hebben gehaald. Tel daarbij andere nationaliteiten, misschien komt het totaal van pelgrim/wandelaars dan op 500. Laten het er tienmaal zoveel zijn, duidelijk is dat de aantallen van Santiago bij lange na niet worden gehaald.

Een van de belangrijkste redenen waarom Rome minder populair is dat er geen duidelijke pelgrimsroute bestaat. Zoals het oude gezegde luidt: 'Omnes viae Romam perducunt'. Alle wegen leiden naar Rome. In Italië zijn drie hoofdroutes en een menigte subroutes. De pelgrims waren over het land uitgewaaierd en kwamen elkaar nauwelijks tegen. Er was geen gedeelde vreugde en pijn. De route uit Frankrijk naar Santiago brengt de pelgrims bij elkaar. Zodra je de Pyreneeën over bent is er nog slechts een weg: de 'Camino frances' langs de steden Burgos en Leon. In Frankrijk liepen twee routes. Een uit het noorden, voor de pelgrims uit de Lage landen, Duitsland, Engeland en Frankrijk zelf en een uit het oosten, voor de pelgrims uit Zwitserland en Italië.

De mythe wil dat er in Frankrijk vier pelgrimsroutes via twee passen in de Pyreneeën naar Santiago liepen. Maar niets wijst er op dat de pelgrims vanaf het jaar 1000 via deze vier routes naar het zuiden gingen. De oudste reisgids voor pelgrims, als vijfde boek opgenomen in de 'Codex Calixtus' uit de 12de eeuw, genoemd naar paus Calixtus II (1119-1124), spreekt van twee routes, de Via Tolosana (Toulouse) en de Via Turonensis (Tours). Over een route vanuit Vézelay (Via Lemovicencis, Limoges) of Le Puy (Via Podiensis) geen woord. Ook in de wegenatlas uit de 15de eeuw van de Brugse abt Rafael de Mercatellis staan slechts twee routes getekend. Het eerste Franse routeboek van Charles Estienne uit 1553 vermeldt de routes Parijs-Bordeaux-Bayonne en Avignon-Toulouse. Ook boekwerken uit de 17de en 18de eeuw melden slechts twee pelgrimsroutes.

De mythe van de vier routes is gelanceerd door Franse auteurs in de vorige eeuw om orde te scheppen in de verspreiding van de vele Romaanse kunstwerken in Frankrijk (vooral kerken) en zo de pelgrimsroutes naar Santiago en de Romaanse kunst te verbinden. Zie bijvoorbeeld 'Les chemins de Compostelle', uit 1970, uitgegeven door Zodiaque, de uitgeverij van de abdij 'La pierre qui vire', die gespecialiseerd is in Romaanse kunst. Dit benedictijner klooster ligt in het noorden van de Morvan, niet ver van Vézelay. Opvallend is dat een uitgeverij uit de buurt van Vézelay een pelgrimsroute propageert die in Vézelay begint en die voor de 19de eeuw in de literatuur niet vermeld werd. Behalve op een kaart uit 1648, die in 1960 herdrukt werd als 'Carte des chemins de S. Jacques de Compostelle'. In 2006 is deze kaart ontmaskerd als een meesterlijke vervalsing van de Franse tekenaar en schilder Daniel Derveaux. Inmiddels had de Unesco de vier routes in Frankrijk plus de Camino frances als werelderfgoed gezegend.

Apostelen
Jacob, de naamgever van Santiago, was een van de twaalf apostelen van Jezus Christus. Ook twee broers van hem, Johannes en Simon Petrus, dienden de Heer. In het boek 'Handelingen' van de Bijbel wordt Jacob op bevel van Herodes met het zwaard gedood. In het 'Breviarium apostolorum', een boek uit de vijfde eeuw wordt vermeld dat Jacobus zonder veel succes in Spanje heeft gepredikt en dat hij daarna teruggekeerd is naar Palestina.

Aan de westkust van Spanje zijn resten van een Romeins mausoleum, van een vroegchristelijke kerk en een begraafplaats gevonden. Waarschijnlijk de overblijfselen van een vestiging van christelijke pioniers, die vervolgens door de islamitische verovering van het Iberische schiereiland in vergetelheid zijn geraakt. Maar in 813 wordt de grafheuvel herontdekt en bisschop Teodomir kende geen enkele twijfel: dit moest de laatste rustplaats van Jacobus zijn. Hij liet een kerk op de plek bouwen en verhuisde er zijn bisschopszetel in 847 heen. De vestiging kreeg de naam Santiago, San Jago ofwel Sint Jacob. (Compostela wordt door sommigen afgeleid van 'campus stellae' (sterrenveld), anderen wijzen op composteren in verband met begraven, ik zelf vermoed dat er in het oud-spaans een woord 'composter' bestond dat afstempelen betekende, zoals je nog altijd op ieder Frans station gevraagd wordt je kaartje te 'composter').

In de loop der tijden werd alles er groter, de kerk, het bisschoppelijk paleis, de nederzetting, het aantal kloosters, er kwamen hospitalen, herbergen, bruggen en wegen. In 997 verwoestte de kalief van Cordoba de stad en kerk van Santiago, maar beide werden snel herbouwd. Jacob kreeg een reputatie als Morendoder, Matamoros, opgeplakt, die vanaf het jaar 1000 gelijk oploopt met de christelijke herovering van Spanje op de Moren.

Op de tentoonstelling in Utrecht wordt de geschiedenis van Jacob en de pelgrimage naar zijn stad in Noordwest Spanje verteld aan de hand van houten beelden, prenten, boeken, artefacten, snuisterijen, schilderijen en videobeelden (voor de hedendaagse tocht). Allereerst Jacob en zijn familie. Het Museum Catharijneconvent, dat de geschiedenis van het Nederlandse christendom conserveert, bezit een mooi en vermakelijk vijftiende-eeuws altaarstuk, waarop alle verwanten van Jezus in de vrouwelijke lijn staan geschilderd. Anna, de moeder van Maria, heeft drie huwelijken gesloten, uit alle drie is een dochter Maria geboren, uit het eerste Maria, de moeder van Jezus, uit het tweede Maria Cleophas, de moeder van de apostelen Jacob de Mindere, Judas Thaddeus, Simon en Jozef Justus en tenslotte Maria Salomas, de moeder van de apostelen Johannes de Evangelist en Jacob de Meerdere. Alle vaders en echtgenoten staan er ook op, een boeiend portret van de heiligste familie uit de westerse geschiedenis. De afgebeelde personen dragen hun naam op hun jas. Voor de kleine Jacob de Meerdere is dat niet nodig. Hij heeft zijn toekomstige pelgrimsattributen al bij zich: hoed, stok en tas.

Het wel en wee van Jacob komt in de tentoonstelling uitgebreid aan bod. Op een prent van Jan Luyken (ca. 1700) wordt Jacob door een reus van een beul onthoofd. Als Morendoder strijdt hij op een drieluik uit de 16de eeuw, te midden van kadavers en omhoog gestoken lansen. Hij staat op wandschilderingen in kapelletjes langs de route, als stenen beeld boven kerkingangen, hij is talloze malen geschilderd, uit hout gesneden, in gips en brons gegoten, als apostel, als pelgrim. En hij is altijd te herkennen. In de Miraflores Kloosterkerk in Burgos is hij onderdeel van het Hoogaltaar, de pelgrimshoed op met de brede rand aan de voor-
'Drieluik met op het middenpaneel Jacobus de Meerdere als Morendoder', omgeving Ambrosius Benson, eerste kwart 16e eeuw, olieverf op paneel, Antwerpen, Museum Mayer van den Bergh.

kant, op deze rand zijn de schelp en de 'bordoncillos', de kleine pelgrimsstaafjes, afgebeeld, die beide het symbool van de pelgrim zijn. De schelp is het meest gebruikte. Andere vaste attributen zijn z'n zeshoekige pelgrimstas en de wandelstaf. Ook heeft Jacob vaak een rozenkrans, een kalebas of een lepel bij zich. Hij draagt meestal een onderkleed en daarover een korter tuniek, dat dikwijls bijeen geknoopt is en op de plaats van de knoop zit een schelp.

De pelgrim
Uiteraard staat de pelgrim in het middelpunt van de tentoonstelling, de vroegere en de moderne. Afgezien van de beloning, het handgeschreven papiertje dat de aflaat behelsde, had de middeleeuwse pelgrim nog wel andere motieven om op pad te gaan naar een gewijde plek. In de Bijbel zijn voldoende passages te vinden waarin de mens wordt voorgehouden dat het verblijf op aarde slechts tijdelijk is. Onthechting is belangrijk voor degene die op reis gaat. Bij Marcus 6:8-9 lezen we hoe Christus zijn discipelen twee aan twee wegzendt: "Hij gebood hen niets mee te nemen op weg dan alleen een staf, geen reiszak, geen brood, geen geld in de gordel en geen dubbele onderkleding, maar geschoeid te zijn met sandalen." Het zijn harde eisen die Onze Lieve Heer aan zijn apostelen stelde. Zij gingen op pad als missionarissen, om het evangelie te verkondigen. Christus mocht streng zijn, want hij was zelf het archetype van de pelgrim. Immers de dag na Pasen was hij op de weg naar Emmaüs aan twee van zijn discipelen verschenen "in de gedaante van een pelgrim."

Slechts een dag
Als pelgrim word je niet geboren, daarvoor moet je een lange weg afleggen. Jacob kreeg pas na tien eeuwen de gedaante van een pelgrim, hij is de enige van de twaalf apostelen die het pelgrimskleed mocht dragen, tot op onze dagen, al bijna voor eeuwig. Ook de Ierse monniken die in de 5de, 6de en 7de eeuw naar het vasteland van Europa trokken waren evangelisten. Zij droegen als "pelgrims van God" zijn woord uit tot in Turkije. In genoemde 'Codex Calixtinus' staat een preek die beschrijft wat een pelgrimstocht met een mens doet: slechte eigenschappen verdwijnen en goede kondigen zich aan, de tocht zorgt voor minder trek in eten, onderdrukt de wellust, zuivert de geest, brengt de mens tot bezinning, doet armoede en vrijgevigheid beminnen, scheldt straffen kwijt en zorgt voor verlossing uit de hel. Pelgrims hebben altijd een doel: het evangelie verkondigen, onthechting beoefenen, tot bezinning komen, een hogere waarheid zoeken, nieuwsgierigheid bevredigen, een aflaat verdienen, een heiligdom bezoeken, zoals het graf van Christus in Jeruzalem, van Sint Jacobus in Santiago of van Sint Petrus en Paulus in Rome. Zonder doel is een pelgrim een gewone wandelaar.

Propaganda
De kerk kan de pelgrimage door goede propaganda flink stimuleren. In de 12de eeuw beleefde Santiago een opbloei als pelgrimsoord dankzij de mediagenieke bisschop Diego Gelmirez (1120-1140), die het graf van Jacob aanprees, boeken liet maken, een nieuwe kathedraal over het graf liet bouwen. Lourdes, met zijn grot van de Maria-verschijningen, is dankzij de vasthoudende publiciteitscampagne van bisschop Bertrand-Sévère Laurence, die een manier zocht om de Kerk uit het slop te halen na de slagen van de Franse revolutie, vanaf de eerste pelgrimage met vijfenvijftig zieken in 1875, uitgegroeid tot het belangrijkste bedevaartsoord van de christelijke wereld. De stad wordt jaarlijks door miljoenen pelgrims bezocht.

Pelgrim-zijn is niet eenvoudig, vroeger niet en tegenwoordig niet. Volgens de populaire 13de eeuwse prediker Jacques de Vitry draagt de ideale pelgrim lichte kleren, neemt geen wereldlijke goederen mee, dus zeker geen geld. Voor zijn eten vertrouwt hij op God. Hij slaapt op een hard bed, is vroeg uit veren en neemt geen rustdag. Drank en vrouwen zijn taboe. Vermoeidheid en blaren zijn daarentegen welkom, dan leert de pelgrim afzien. Zijn oog is gericht op de eindbestemming, het doel is zonden biechten en boete doen.

De vroegere gelovige pelgrims namen deze preek nauwelijks serieus. En waarom ook? In de eerste reisgids voor pelgrims, de geciteerde pauselijke 'Codex Calixtinus' uit de 12de eeuw, wordt de pelgrim al aangeraden een halte te nemen in Carrion de los Condes, "een vriendelijke plaats, rijk aan brood, wijn, vlees en alle vruchten des velds." Als zelfs de paus eten en drinken belangrijk vindt, waarom de gewone pelgrim niet? Tegenwoordig is het avondeten met een goed glas rioja een van de zalige beloningen van de pelgrim.

Ook vroeger brak de pelgrim zich, onder het motto: wat je thuis laat is mooi meegenomen, het hoofd over wat mee te nemen. Staf, hoed, tas, waterfles, dat stond vast. Verder: rozenkrans voor de gebeden onderweg, aanbevelingsbrieven, identiteitsbewijzen en biechtbewijzen. Voor zijn vertrek moest de middeleeuwse pelgrim een aantal zaken regelen. Allereerst moest hij toestemming van de plaatselijke priester hebben. Dat gebeurde in de kerk. Na zijn biecht legde de pelgrim zijn bedelzak en staf op het altaar en knielde voor de priester. Deze zegende zak, staf en pelgrim. Op het moment dat hij de staf teruggaf zei de priester: "Ontvang de stok als steun tijdens vermoeienissen onderweg zodat je de hindernissen van de duivel zult overwinnen en in alle rust de kerk van Santiago bereikt en zal terugkeren." Nog altijd kunnen pelgrims in een Jacobskerk de zegen voor hun pelgrimstocht ontvangen.

Testament
Verder betaalde de pelgrim voor vertrek zijn schulden en maakte zijn testament op. Uit vroegere reisverslagen is bekend dat een pelgrimstocht, dwars door Europa, een riskante onderneming was. Uitputting, ziekte, roof, moord, oorlog, natuurgeweld waren gewone reisgezellen. Op een schilderij, rond 1530, maken twee pelgrims, te herkennen aan hun staf en pelgrimsmuts, een praatje. Ze dragen soepel vallende kleding in kalme kleuren zachtgeel bijna goud, kardinaalsrood, bruin en blauw, de achtergrond is vredig, een dorpstraat, rotspartijen, een paar bomen, alles snel opgezet, ook in gedempte kleuren, vooral grijs en bruin. Op de voorgrond staat een donkere boom, het perspectief is goed. Een arcadisch tafereel.

De rechter pelgrim heeft geen voeten, maar roofvogelklauwen. Hij wijst naar een ruïne, waar gelig licht van de ondergaande zon achter drie vensters strijkt. Hij is de duivel, die de pelgrim probeert te misleiden. Dit prachtige schilderij van een anonieme meester toont de wereld van de pelgrim, hij lijkt vredig maar de verschrikkingen liggen op je pelgrimspad op de loer.

Angstaanjagend volk

Eeuwenoude reisgidsen beweren dat de inwoners van de Spaanse provincie Navarra wreed, drankzuchtig, gewetenloos en gewelddadig zijn. Ze praatten als blaffende honden en aten als varkens. Galliciërs waren opvliegend. Douaneambtenaren onhandelbaar en herbergiers afzetters. Oplichters kwam men overal tegen, in steden, in herbergen. Op de wegen liep een angstaanjagend volk rond dat in staat was je om een stuiver te vermoorden. En die beweringen waren gestoeld op waarheid. Dat blijkt wel uit het feit dat de moderne pelgrim onderweg vele kleine grafmonumenten tegenkomt. Pelgrims stierven in de sneeuw van de Pyreneeën, door vallende rotsblokken, ze bezweken aan honger, ziekte, uitputting en overvallen en ze werden aangevallen door wilde honden en wolven.

Maar ze beleefden ook verrassingen en geluksmomenten. Domenico Laffi en Domencico Codici verdwaalden 's avonds op 6 juni 1670 in de Pyreneeën. Ze raakten in paniek, tot ze in de verte licht zien branden. Een arme boer liet de twee pelgrims binnen, stookte het vuur op en dekte de tafel voor ze. De volgende dag bij het vertrek wilde de man niets aannemen. Zo zijn er talloze rapportages over hulpvaardigheid en barmhartigheid onderweg.

 
'Heilige Maagschap met Jacobus de Meerdere', Meester van Liesborn, ca. 1480, olieverf op paneel, Utrecht, Museum Catharijneconvent.

Pelgrimsroutes volgden de grote handelswegen en zorgden voor extra bedrijvigheid. Speciale kerken werden voor hen gebouwd. De Saint-Sernin in Toulouse, een indrukwekkende kerk, binnen en buiten opgebouwd van rood baksteen, behoort tot dit type open pelgrimskerk, een rondgang rond het koor, veel kapellen en abscissen, waardoor een vlotte doorstroom van pelgrims mogelijk werd. Grote ruimtes, waarin geslapen en gegeten kon worden.

Locale economie
Ook werden veel kleine kapelletjes langs de provinciale wegen gebouwd, voor bezinning en gebed tijdens het lopen. In stadjes en dorpen namen de herbergen, winkeltjes en hospitalen toe. Pelgrimeren was goed voor de locale economie en is dat nu weer. De moderne pelgrim heeft vaak een goedgevulde beurs, hoeft geen overvallers te vrezen, en eet graag goed om in conditie te blijven. In kleine, bijna verlaten dorpjes en gehuchten in Galicië, Castilië en Aragon schieten herbergen en winkeltjes als paddenstoelen uit de grond. Kerken worden in Nederland gesloopt maar spiritualiteit en rituelen beleven goede tijden. Boeddhisme en boeken van Karen Armstrong krijgen veel aandacht, rituelen als de Stille Omgang in Amsterdam en Haarlem zijn herboren, bladen over bezinning en spiritualiteit trekken nog altijd meer lezers. De pelgrimstocht naar Santiago past voortreffelijk binnen deze geestelijke trend. Steeds meer mensen ondernemen deze wandeltocht. In 2009 145.877 mannen en vrouwen (tegen de 60.000) en in 2010 bijna het dubbele.

Vooral wandelaars rond de 30 en 50 jaar gaan op weg naar Santiago. Het zijn de leeftijden waarop dikwijls bezinning nodig wordt geacht. Ik zal deze tentoonstellingsbespreking niet verbreden naar een sociaal-psychologische of een maatschappelijk-culturele verhandeling, feit is dat bezinning door inspanning tegenwoordig populair is, en niet alleen in ons land. Wandelen is een activiteit die aanzet tot meditatie, reflectie, nadenken. Het loopritme leidt er toe en de harmonieuze schoonheid van de natuur, van cultuurland en dorpen en stadjes, waar doorheen de pelgrim trekt, versterkt dit effect. Dat dat al eeuwen waar is, laat de tentoonstelling in het Museum Catharijneconvent, naast nut en noodzaak van een pelgrimstocht, tot eind februari op aantrekkelijke wijze zien.

Pelgrims. Onderweg naar Santiago de Compostela, t/m 26 februari 2012, Museum Catharijneconvent, Lange Nieuwstraat 38, Utrecht. Website: www.catharijneconvent.nl.

Peter van Dijk is journalist.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

De droom van Claude Lorrain
het schilderen van het gouden licht

In de Italiaanse schilderkunst van de 17e eeuw was het licht in het landschap nog van ondergeschikt belang. Bij schilderijen kwam het op een tweede plaats. Bijbelse, mythologische motieven en antieke architectuur bepaalden het beeldverhaal. De Franse barokschilder Claude Lorrain was echter gefascineerd door de lichtwerking in het landschap en begon deze in zijn landschapsschilderingen en -tekeningen centraal te stellen. Hij zocht als schilder naar de werking van dag- en avondlicht en haar invloed op de beleving van natuurvormen.

Door Wim Adema

Lorrain zag ook dat zijn lichtbeleving zich steeds wijzigde, van licht naar donker en omgekeerd. Deze visuele ervaringen wilde hij vastleggen op het schildersdoek. Zijn manier van kijken en schilderen was in Italië gedurende de 17e eeuw heel vernieuwend. Voor het eerst krijgt het publiek in Nederland de gelegenheid om met het werk van Claude Lorrain uitgebreid kennis te maken. In samenwerking met het Musée du Louvre te Parijs organiseerde het Teylers Museum in Haarlem een prachtige tentoonstelling.

Een Fransman in Italië
Er is onzekerheid over het geboortejaar van Claude Lorrain. Aannemelijk is dat hij omstreeks 1600 geboren werd in de provincie Lorrain (Fr). De naam van zijn ouders was Jean en Anne Gellée. Zij waren eenvoudige boerenmensen uit de buurt van Nancy. Als schilder noemde hij zich later Claude Lorrain. Hetgeen wil zeggen: afkomstig uit Lorrain (Lotharingen). Hoewel aanvankelijk voortbestemd om banketbakkersleerling te worden, gaf het vroegtijdige overlijden van zijn ouders (1612) hem een mogelijkheid om al jong zelfstandig te worden. Met zijn broers trok hij, twaalf jaar oud, eerst naar Freiburg-in-

 
Claude Lorrain, 'Boom en rotsen bij een beek', ca. 1635, Grafiet, pen in bruine inkt, penseel in diverse tinten bruine inkt (w.o. grijsbruin), witgehoogd; 25,2 x 19,3 cm. Collectie Teylers Museum.

Breisgau. Teken- en schilderlessen kreeg hij van de schilder Gottfried Wals (1590/5-1638/40). In 1617 trok Claude Lorrain naar Rome om bij de bekende frescoschilder Agostino Tassi (1578-1644) als leerling te gaan werken.

Bijzonder belangrijk waren voor hem in Rome de contacten met de Nederlandse landschapsschilders Cornelis Poelenburgh (1594/5-1667), Bartholomeus Breenbergh (1598-1657) en Herman van Swaenevelt (1603-1655). Onder de naam 'Schildersbent' werkten deze drie kunstenaars samen. Toen reeds onderzochten deze schilders de werking van het licht in het landschap. Claude Lorrain leerde hen in Rome kennen en raakte onder de indruk van hun schilderwijze en was enige tijd lid van hun groep. In 1625 keerde de Franse schilder voor één jaar terug naar Frankrijk en werkte voor de hofschilder Claude Deruet (1588-1660). Hierna keerde hij weer terug naar Rome, alwaar hij tot zijn dood in 1682 als schilder en tekenaar heeft gewoond en gewerkt. De waardering voor zijn werk werd zeer groot. Opdrachtgevers waren de katholieke kerk en de adel uit onder andere Italië, Frankrijk en Groot-Brittanië. De kwaliteit van zijn werk werd zo bijzonder, dat collega's zijn stijl begonnen te kopiëren.

Unieke werkwijze
Wanneer men de teken- en schilderkunst van Claude Lorrain bestudeert, dan blijkt deze schilder heel pragmatisch te werk te zijn gegaan. Op een bijzonder zorgvuldige wijze bereidde hij de planning van zijn schilderijen voor. Bij elk schilderij maakte de kunstenaar een grote serie van tekeningen als voorstudie. Met lange penstreken en een speciale wastechniek probeerde hij reeds de vormen van zijn compositie te verkennen. De werking van het licht stond hierbij centraal. Reeds in zijn tekeningen is er vaak sprake van lichttransparantie, bijvoorbeeld in de bomen, en weet de schilder een subtiele sfeer te realiseren. Tekeningen vormen geregeld een uitgangspunt voor zijn landschapsschilderijen. Opmerkelijk is echter dat vormelementen uit voltooide schilderijen later weer konden terugkeren in nieuwe tekeningen. Op deze manier realiseerde Claude Lorrain een uniek werkconcept. Een mooi voorbeeld hiervan is 'Pastoral Landscape (olieverf, 1638), welke was gebaseerd op een studie van vijf tekeningen.

Apollo en de Muzen
Op de prachtige expositie in het Teylers Museum te Haarlem heeft het meesterstuk van Claude Lorrain: 'Landschap met Apollo en de Muzen, genaamd Parnassus' uit 1652 een centrale plaats gekregen. Het is een indrukwekkend groot schilderij. Hoge donkergroene bomen (links) vormen een prachtig contrast met het panoramische landschap.

Rechtsonder in het schilderij rust Apollo, terwijl links op een kleine heuvel de Muzen hem verwennen met muziek en dans. Boven op deze heuvel een tempel. Drie zwanen en een drinkend hert versterken aan de onderzijde van het schilderij dit idyllische beeld. In het midden kijkt een donkere figuur achter een bossage naar het tafereel. Claude Lorrain heeft dit detail prachtig weergegeven. Hij maakte gebruik van een mooi tegenlicht. Tussen de bladeren van de bomen verovert een indringend zonlicht de kijker, terwijl de toekijkende figuur en de bossage in een donker silhouet geplaatst zijn.
Claude Lorrain, 'Landschap met Apollo en de muzen, genaamd Parnassus', 1652, olieverf op doek; 186 x 290 cm. Collectie National Gallery of Scotland, Edinburgh.

Dat geeft aan het middendeel van het schilderij een bijzondere visuele spanning. De aandacht van de kijker verschuift steeds tussen het spannende middendeel en de andere romantische taferelen. De witte lucht verglijdt langzaam naar een lichtblauw. In dit schilderij toont Lorrain ons een sublieme synthese van licht, donker, kleur, atmosfeer en compositie. De omringende schilderijen van deze tentoonstelling benadrukken zijn meesterschap: het schilderen van het landschap.

Ook het schilderij 'Kustlandschap met Perseus en de oorsprong van koraal' uit 1673 is heel hoog-romantisch. Hier toont de Franse schilder ons een imponerend en tegelijk intiem landschap. In dit schilderij domineren donkergroene hoge bomen (links) en een donkere hoge ruïneboog (rechts). In het midden liet Lorrain ruimte voor een sfeervol panorama van een laaggelegen landstrook met daarboven de zee en een fletse zon, die zacht weerkaatst in het water. Lichte wolken vullen de luchtruimte. Het is geen wonder dat schilders als Turner en Corot door deze schilderkunst van Claude Lorrain geïmponeerd werden. Dit schilderij toont ons een harmonie van nauwelijks waarneembare dansende nimfen, terwijl Perseus geduldig op de heuvel wacht, in het donker van een ruïne. Maar bovenal verrast het zachte zilvergrijs gefilterde licht van de lucht. Bij de hierboven genoemde schilderijen treft men tekeningen aan, die een eigen verhaal vertellen. In het onderwerp, de atmosfeer en de compositie ontdekt men hun onderlinge verbindingslijn. Claude Lorrain toont zich in het Teylers Museum ook een uitstekend tekenaar. In zijn tekeningen ziet men geregeld een voorstudie voor een schilderij ontstaan, maar vaak blijken het ook pure natuurstudies te zijn. Steeds is het landschap echter zijn inspiratiebron. In een aparte expositieruimte in het museum kan men zijn tekenwerk (facsimile) bekijken. Door de prachtige kopiekwaliteit van deze tekeningen is zijn tekenwerk een korte tijd van zeer dichtbij te bewonderen.

Een gouden licht
Op deze tentoonstelling wordt duidelijk waarom het licht in het landschap Claude Lorrain zo fascineerde. Hij wilde de natuur vereeuwigen door het landschap een gouden licht te geven. Elk deel van zijn studiemateriaal werd gebruikt om dichter bij haar essentie te kunnen komen. Als geen ander probeerde Lorrain haar werking te begrijpen. De langzame verschuiving van ochtend naar middag, van avond naar nacht onthulde hem stap voor stap haar geheimen. Hij werd zich bewust van de energie in de natuur en was doorlopend met dit proces bezig. De kunstenaar kon dagenlang in het landschap vertoeven en het verloop van de dag visueel ondergaan. In zijn schetsboek noteerde hij zijn belevingen. Claude Lorrain had weinig interesse voor menselijke figuren in zijn schilderijen. Zij waren op kleine schaal wel aanwezig, maar het majestueuze landschap had zijn werkelijke aandacht. Vaak liet hij de mensfiguren daarom door anderen schilderen.

Liber Veritatis
De tekeningen en schilderijen van Claude Lorrain kregen in de loop der jaren een zeer hoog artistiek niveau. Ook zijn collega's beseften dat. Lorrain werd steeds meer geconfronteerd met de kopiëring van zijn schildersstijl. Om deze ontwikkeling te stoppen bedacht hij een bijzondere methode: de Liber Veritatis. Hij ontwikkelde namelijk een uniek documentatiesysteem met tekeningen en gegevens over de voltooide schilderijen. Ook de data van verzending en de namen van de opdrachtgevers werden hierin vermeld. Achterop signeerde hij zijn werk. Kortom een geavanceerd informatiewerk. En zeker voor die tijd. Op deze wijze ontwierp deze kunstschilder een systeem, waarmee hij zich kon beschermen tegen de kopiisten van zijn werk. Van 1632 tot aan zijn dood gebruikte hij dit boek. Het leek op een verzameling tekeningen en had de vorm van een schetsboek. De vormgeving was speciaal voor hem ontworpen. In een opeenvolgende serie van vier blauwe en vier witte pagina's werd in de tekeningen de vormgeving aangegeven van een schilderij.

De tekeningen in deze Liber Veritatis waren zeker anders van karakter dan de tekeningen die een voorstudie vormden voor zijn schilderijen. De lijn van de penstreek was korter en minder spontaan van karakter. Zij gaven echter een precieze weergave van het teken- en schilderproces. Alleen het licht door de bomen was in dit schetsboek herkenbaar. Claude Lorrain gebruikte de Liber Veritatis ook voor presentatie. Deze manier van beheer van eigen werk kan ook in onze tijd als modern en zeer waardevol worden beschouwd. Het is zeer waarschijnlijk dat Lorrain zeker 1000 tekeningen gedurende zijn leven heeft gemaakt. Een groot deel was vrij werk en echter niet in de Liber Veritatis opgenomen.

 
Claude Lorrain, 'Kustlandschap met Perseus en de oorsprong van koraal', 1673, olieverf op doek, 100 x 127 cm. Collectie The Viscount Coke and Trustees of the Holkham Estate, Wells-next-the-Sea (Norfolk).

Afscheid: The Rest
In de laatste fase van zijn leven, ongeveer vijf maanden voor zijn dood in 1682, ontstond een bijzondere tekening: 'The rest on the flight into Egypt'. Het was niet bedoeld als voorstudie voor een schilderij. Met pen en inkt gemaakt in lichtgrijze en blauwe kleuren, ontstond een wonderlijke atmosfeer. De tekening is zacht van karakter met fijne (gewassen) kleurgradaties. Het licht geeft het geheel een pastoraal karakter. De lage horizon staat de lucht veel ruimte toe voor lichtschakeringen. In deze tekening kan men ervaren dat ook vanuit het voltooide schilderij weer beeldelementen terug kunnen komen in nieuwe tekeningen. Men ziet dat Claude Lorrain een zeer geïntegreerde manier van werken had. Tekeningen en schilderijen vormden steeds opnieuw voor hem een inspiratiebron. Zo ontstond een zeer persoonlijke integratie tussen heden en verleden in zijn werk.

Unieke presentatie
In het Teylers Museum te Haarlem is een indrukwekkende en bijzonder mooie tentooonstelling ontstaan van de Franse tekenaar en schilder Claude Lorrain. Voor deze expositie werd samengewerkt met het Musée du Louvre te Parijs. Met 78 tekeningen, 13 schilderijen en 4 etsen krijgt het publiek een bijzondere kans om zijn teken- en schilderkunst te kunnen bewonderen. Uit eigen collectie waren bovendien tekeningen van Lorrain beschikbaar, welke reeds in 1790 door dit museum gekocht werden. Sommige bladen uit het bezit van het Teylers Museum en het Musée du Louvre, welke behoren tot de series Campagne en Tivoli, werden in Haarlem sinds lange tijd weer bij elkaar gebracht. Claude Lorrain was de eerste schilder in Italië, die het licht in het landschap een eigen plaats gaf op het schildersdoek. Het karakter van de landschapsschildering werd voorgoed veranderd. Een gouden zonlicht veroverde het schilderij. Een barokschilder uit de 17e eeuw realiseerde een grote verandering in de schilderkunst.

De expositie over Claude Lorrain is nog t/m 8 januari 2012 te zien in het Teylers Museum, Spaarne 16, Haarlem. Websites: www.claudelorrain.nl, www.teylersmuseum.nl.

Van deze expositie is een fraai uitgevoerde catalogus beschikbaar.

Literatuur:
Nathaniel Hawthorne, Old Masters; Drawings Vol. I; Claude Lorrain, American Studies@the University of Virginia, W: http://xroads.virginia.edu.

Wim Adema is beeldend kunstenaar en fotograaf en publiceert regelmatig artikelen over beeldende kunst in diverse media. Klik hier om zijn website te bekijken.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Twee haiku's van Ria Giskes. Verder op deze pagina vindt u er nog twee (RdB).

Haiku: Ria Giskes-Pieters; foto: ©John Giskes. Meer haiku's van Ria Giskes vindt u hier: http://tjilp.blogspot.com.

Terug naar boven

 

Leven in de kunst en kunst in het leven. Dat is het idee.
De kunstcollectie van de Rabobank

Zes jaar geleden, tijdens de tentoonstelling 'H x B x D Rabo Kunstcollectie' in het Gemeentemuseum Den Haag, is de kunstcollectie van de Rabobank al eens uitgebreid te zien geweest. Heeft u dat gemist? Geen paniek! Vanaf juni dit jaar heeft de Rabobank namelijk haar eigen tentoonstellingsruimte in het nieuwe hoofdkantoor in Utrecht. Hier is een groot deel van de kunstcollectie dagelijks vrij toegankelijk voor een ieder die graag naar kunst kijkt. Een unicum voor een bedrijfscollectie.

Door Damiët Kuin

In 1984 is de Rabobank gestart met het aankopen van kunst.

"Aanvankelijk," zo vertelt Verily Klaassen (kunstadviseur en curator bij Rabobank Nederland), "was de kunst vooral decoratief bedoeld in het kantoorgebouw, ter versiering van de lege wanden. Er werd gedurende de eerste tien jaren met veel enthousiasme kunst aangekocht, er lag echter geen structureel beleid ten grondslag aan de zich steeds verder uitbreidende verzameling."

 
De entree naar de tentoonstelling IKJIJWIJ in de Rabo Kunstzone. Foto: Gert Jan van Rooij.

Dit veranderde in 1995 toen de bank serieus begon met collectioneren en hiervoor ook beleid ontwikkelde. Klaassen: "In de loop der jaren is er verandering gekomen in de benadering van de kunstcollectie. Men is op een andere, meer museale manier naar de kunst gaan kijken. In het nieuwe kunstbeleid zijn het gebouw en de te vullen wanden niet meer het uitgangspunt voor de collectie."

Het uitgangspunt voor het nieuw te volgen kunstbeleid werd het verzamelen van kunst van Nederlandse, in leven zijnde, kunstenaars uit verschillende generaties, die van belang zijn voor de ontwikkeling van de Nederlandse kunst. Dit uitgangspunt paste goed bij het coöperatieve karakter van de bank en haar nadrukkelijke wens zich te verankeren in en een bijdrage te leveren aan de Nederlandse cultuur. Van de kunstenaars werd geprobeerd een overzicht van toonaangevende werken uit hun oeuvre aan te kopen, zogenaamde sleutelwerken. "Om dit te kunnen realiseren," vertelt Klaassen, "is goed contact met de kunstenaars heel belangrijk. De kernkunstenaars uit de kunstcollectie van de Rabobank, dat zijn er ongeveer tachtig, worden daarom gevolgd in hun ontwikkeling."

In de collectie bevinden zich momenteel ongeveer 2000 werken waarvan ongeveer 1200 werken behoren tot de kerncollectie. De oudste generatie kunstenaars, geboren tussen 1920 en 1950, vormen het fundament van de collectie. In deze categorie bevinden zich namen als Karel Appel, Constant, René Daniëls, Ad Dekkers, Jan Dibbets, Ger van Elk, Daan van Golden, Jan Schoonhoven en Carel Visser. De hierop volgende middengeneratie kunstenaars, geboren tussen 1951 en 1965, bevat kunstenaars als Marlene Dumas, Rineke Dijkstra, Rob Birza, Tom Claassen, Joep van Lieshout, Michael Raedecker, Aernout Mik, Marc Mulders en Maria Roossen. En dan is er nog de generatie kunstenaars, geboren na 1966, zoals Robert Zandvliet, Alicia Framis, Heringa / Van Kalsbeek, Mark Manders, Fiona Tan en Barbara Visser. Ook van heel jonge kunstenaars, tussen begin twintig en eind dertig, wordt zo nu en dan werk aangekocht voor de kunstcollectie. Dit zijn de kunstenaars die nog geen generatie vormen, maar het wel in zich hebben om mogelijk 'sleutelfiguren' in de collectie te worden. Te denken valt aan kunstenaars als Viviane Sassen, Guido van der Werve, Koen Delaere, Maaike Schoorel, Karen Sargsyan, David Jablonovski, Navid Nuur en Amalia Pica.

Twee jaar geleden werd er een kleine, aanpassing in het kunstbeleid gemaakt door het toevoegen van internationale kunstenaars aan de tot dan toe nationale kunstcollectie. Klaassen: "De landsgrenzen, die we aanvankelijk hadden gesteld voor het aankopen van kunst, worden steeds minder rigide gehanteerd. Kunst houdt namelijk niet op bij de grens. We leven in een wereld die door technologische ontwikkelingen een steeds mondialer karakter krijgt. De Rabobank speelt in op deze ontwikkelingen en profileert zich steeds meer als een mondiale speler in het veld. De afdeling kunstzaken wil de kunstcollectie mee laten groeien met de ambitie van de bank. De kern van de kunstcollectie blijft bestaan uit Nederlandse kunstenaars. Zo nu en dan koopt de afdeling kunstzaken werk aan van bekende internationale kunstenaars, zoals William Kentridge, Yinka Shonibare, Hans Op de Beeck en Olaffur Elliasson. Deze werken kunnen gezien worden als ijkpunten die de bestaande collectie meer reliëf geven. Het werk dat van internationale kunstenaars wordt aangekocht, sluit altijd aan op de kunst die reeds aanwezig is in de collectie van de Rabobank, bijvoorbeeld door de gebruikte thematiek.

De Rabo Kunstzone
"Ongeveer 5 jaar geleden ontstond het idee voor de Rabo Kunstzone," vertelt Klaassen. "Een eigen tentoonstellingsruimte is een logische stap bij het steeds musealer benaderen van de kunstcollectie en een prachtige gelegenheid om de kunstcollectie permanent te tonen aan een breed publiek. Het is voor de Rabobank belangrijk om haar klanten te tonen dat zij midden in de samenleving staat en bij hen betrokken is. Kunst en cultuur zijn volgens de bank belangrijke aspecten van de samenleving en een inspiratiebron voor werknemers, aangezien kunstenaars en werknemers elkaar wederzijds creatief kunnen beïnvloeden. Kunst biedt namelijk een venster op de wereld om ons heen."

Besloten werd tot het vormgeven van een levendige tentoonstellingsruimte, geen verstilde museumzaal, waar je de kunst tegenkomt op weg naar je werk of afspraak. De Kunstzone, die 800 vierkante meter vloeroppervlak beslaat, heeft dan ook een centrale ligging in het gebouw: links van de middengelegen hal, onder het bedrijfsrestaurant. "Veel bezoekers van de bank die even moeten wachten op hun afspraak, lopen de Kunstzone in," aldus Klaassen. "Ook zijn er geregeld werknemers die hun gasten meenemen in de Kunstzone om daar op een informele manier hun gesprek te starten."
Guido van der Werve, 'Nummer acht - Everything is going to be all right', 2007, Rabo Kunstcollectie, foto: Gert Jan van Rooij.

De ruimte heeft diverse gebruiksmogelijkheden en is bedoeld als een plek voor ontmoeting en inspiratie. Zo kun je er uitgebreid rondlopen om de kunst te bekijken, compleet met audiotour of begeleidende folder. Je kunt in de ruimte ook werken op een van de flexplekken die bedoeld zijn voor medewerkers. Zelf als passant kun je van de kunst genieten, wanneer je langs de enorme, glazen gevel wandelt. "De gevel is 's avonds mooi uitgelicht," vertelt Klaassen, "dat geeft weer een andere dimensie aan de opgestelde kunstwerken."

De Rabo Kunstzone is voor iedereen vrij toegankelijk op werkdagen van negen uur 's morgens tot zeven uur 's avonds. Heb je een Smartphone? Dan kun je extra informatie bij een kunstwerk downloaden. Ben je nog niet in het bezit van de nieuwste elektronica? Dan kun je je laten rondleiden door speciaal hiervoor opgeleide Utrechtse studenten of medewerkers van de bank zelf.

Op 16 juni is de Kunstzone officieel geopend met de prelude tentoonstelling 'Imagine Being There', een proef-opstelling die door de medewerkers van de afdeling kunstzaken is gebruikt om de ruimte te leren kennen. "De eerste maanden," zo vertelt Klaassen, "werd er nog niet actief naar buiten gecommuniceerd over de nieuwe kunstruimte en de tentoongestelde collectie, dit werd pas na een paar maanden opgepakt. Toch zijn er in deze relatief korte periode, een kleine vier maanden, al zo'n 4000 unieke bezoekers geweest. Ongeveer 20% hiervan was extern. De reacties van bezoekers vallen me heel erg mee. Vroeger bestond er bij het publiek veel meer weerstand tegen kunst in de bank. Dit kwam altijd ter sprake bij rondleidingen. De afdeling kunstzaken moest de collectie destijds veel meer verdedigen. Er werden geregeld vragen gesteld als 'Waarom heeft de bank kunst en waarom gaat daar zoveel geld naar toe?' Dergelijke gesprekken voeren we, sinds de Rabo Kunstzone is geopend, niet meer met bezoekers. Het is nu voor iedereen duidelijk dat de kunst een permanente plek heeft binnen de bank. De bank heeft, met de opening van de Rabo Kunstzone, haar kunstcollectie werkelijk omarmd en straalt dit ook uit naar buiten. Wij, van de afdeling kunstzaken, zeggen wel eens: 'We gaan een nieuwe fase in, niet de fase van het verzamelen maar die van het verzilveren.' Daarmee bedoelen we natuurlijk niet dat we de kunst te gelde gaan maken, maar juist dat we laten zien wat de collectie voor de bank en alle mensen die hier komen kan betekenen. Iedereen die hier binnenkomt, is enthousiast over de ruimte en over de kunstcollectie. Vooral omdat dit initiatief is neergezet in een tijd waarin veel wordt bezuinigd op kunst en de culturele sector toch vaak als een soort linkse hobby wordt weggezet. Wij laten hier zien dat kunst geen linkse hobby is en dat kunst voor je kan werken, waarbij we volledig recht doen aan kunstenaars en hun integriteit."

IKJIJWIJ
In de tentoonstellingsruimte zullen twee tentoonstellingen per jaar georganiseerd worden: een collectie tentoonstelling en een solo tentoonstelling. Voorafgaand aan de solo tentoonstelling wordt een partnerschap aangegaan met een kunstenaar. Er wordt op dat moment gekeken naar wat belangrijk is in de ontwikkeling van het werk van de betreffende kunstenaar om hem of haar een stap verder te helpen in zijn of haar carrière. Het project dat hieruit voortkomt, kan gerealiseerd worden in de Kunstzone. Zo wordt geïnvesteerd in talent.

Momenteel is de collectie tentoonstelling 'IKJIJWIJ' te zien in de Kunstzone. In deze tentoonstelling draait het om de vragen Wie ben ik? Wie ben jij? Wie zijn wij? Welke rol spelen afkomst, werk, geaardheid of leefomgeving? Kortom, wat is onze identiteit? Het idee voor de tentoonstelling ontstond vanuit de drie verhaallijnen, die te onderscheiden zijn in de kunstcollectie van de Rabobank: de conceptuele kunst, kunst met betrekking tot het mensbeeld en geëngageerde kunst, vrij vertaald: het idee, de mens en zijn omgeving. Identiteit dus. Voor de tentoonstelling hebben de medewerkers van de afdeling kunstzaken gekeken naar wat identiteit is en hoe kunstenaars reflecteren op dit begrip. Je hebt als mens onder meer een sociale-, een culturele- en een groepsidentiteit. Eigenlijk is ieder mens een vergaarbak van verschillende stukjes identiteit. Kunstenaars stellen zichzelf geregeld wezensvragen over de identiteit van de mens en hoe deze gevormd wordt.

De tentoonstelling heeft niet de pretentie om met een conclusie te komen rondom het thema. Het wil enkel tonen hoe kunstenaars reflecteren op dit thema en mensen zichzelf vragen laten stellen.

In de tentoonstelling is onder meer werk te zien van Koos Breukel. Op de foto's die getoond worden heeft de fotograaf zijn beroemde collega, en eveneens fotograaf, Rineke Dijkstra vastgelegd. Met donkere, starende ogen kijkt Dijkstra de beschouwer aan vanuit het onverlichte beeldvlak. In deze foto is een prachtig spanningsveld gecreëerd doordat Dijkstra normaal gesproken zelf degene is die achter de camera staat. Het beeld focust dan ook maar op een ding: haar indringende blik.

 
Koos Breukel, 'Rineke Dijkstra', 2010, Rabo Kunstcollectie. Foto: Gert Jan van Rooij.

Naast de foto's staat het werk 'The Pursuit' van Yinka Shonibare. Het kunstwerk is een bewerking van een liefdesscène geschilderd door de 18e-eeuwse schilder Fragonard. De kostuums op de poppen zijn echter niet Frans, noch 18e-eeuws. Ze zijn gemaakt van Dutch Wax-textiel: een stof die in Nederland gemaakt wordt voor de Afrikaanse markt. De oorsprong ervan ligt in Indonesische batikstoffen die in de 19e eeuw door Hollandse kooplieden in Afrika werden verkocht. De Nigeriaans-Britse kunstenaar Shonibare geniet de laatste jaren een groeiende internationale bekendheid met zijn 'tableaux vivants' van in Afrikaanse print geklede historische figuren. Door deze 'Afrikaanse' stoffen veelvuldig in zijn werk toe te passen en daarbinnen te verwijzen naar de Westerse (kunst)geschiedenis, stelt Shonibare vragen als: wat is culturele identiteit, wat is de erfenis van het koloniale verleden en hoe verhouden deze zich tot elkaar? "Het werk van Shonibare," vertelt Verily, "sluit goed aan bij de kunstcollectie van de Rabobank omdat het het spanningsveld tussen de Westerse wereld en het Afrikaanse continent omvat. Daarbij bevat de kunstcollectie veel werk van Nederlandse kunstenaars met Afrikaanse roots, die ook op deze verhoudingen reflecteren."

Verderop in de tentoonstellingsruimte bevindt zich een multimediaplek, waar een tweetal films wordt gedraaid. De eerste film, 'Economisch Primaat' van Julika Rudelius, toont vijf succesvolle mannen die het hebben over de betekenis van geld en hoe je met geld vorm kunt geven aan je identiteit. Dat deze film in een bankgebouw wordt vertoond, levert direct een bijzonder ironisch spanningsveld op voor de kijker. Ook de naastgelegen film 'Everything is going to be allright' van Guido van der Werve bewerkstelligt een enorm spanningsveld richting de kijker, zij het op een heel andere wijze. In deze film ziet de beschouwer een man die op een immense vlakte voor een ijsbreker uitloopt.
Julika Rudelius, 'Economisch Primaat', 2005, Rabo Kunstcollectie, foto: Gert Jan van Rooij.

Op de achtergrond is enkel het diep grommende geluid van de enorme ijsbreker te horen. De film toont de mens in al zijn nietigheid. De beschouwer heeft geen enkel idee wat hij het volgende moment kan verwachten en blijft daardoor aan het beeld gekluisterd.

Naast bovengenoemde kunstwerken is er in de tentoonstelling werk te zien van onder meer Folkert de Jong, William Kentridge, Merijn Bolink, Fiona Tan, Marina Abramovic en Meshac Gaba. Een prachtige aaneenschakeling van kunstwerken die reflecteren op (culturele)identiteit in verscheidene vormen.

Tot slot
Met de Rabo Kunstzone heeft de Rabobank er een nieuwe uitdaging bij. Het maken van tentoonstellingen is namelijk een ander specialisme dan een kantoorgebouw voorzien van wanddecoratie. Een tentoonstellingsruimte leent zich veel meer voor het vertellen van verhalen met kunst. Daarnaast kunnen kunstwerken in een lege ruimte een verbinding aangaan met elkaar, waardoor er weer nieuwe verhalen ontstaan. Klaassen: "Voorheen probeerden we ook wel om verschillende kunstwerken bij elkaar in de buurt te plaatsen, om ze op die manier een relatie met elkaar te laten aangaan, maar daar hadden we aanzienlijk minder ruimte voor dan nu. In deze tentoonstellingsruimte hebben we eindelijk de ruimte om diverse werken naast elkaar te zetten en ze op elkaar te laten inwerken. De werken kunnen op deze manier echt verhalen gaan vertellen."

De Kunstzone is een bijzonder initiatief voor een bedrijfscollectie en brengt letterlijk leven en beweging in het gebouw, in de kunstcollectie en in de kunstwereld. 'Leven in de kunst en kunst in het leven', een slogan van de afdeling kunstzaken, krijgt zo een dubbele betekenis: leven en werken tussen de kunst en een bijdrage leveren aan de kunst(wereld). Dat is het idee.

De tentoonstelling IKJIJWIJ in de Rabo Kunstzone nog te zien t/m 3 februari 2011 in het nieuwe bestuurscentrum van de Rabobank aan de Croeselaan 18 in Utrecht.
Website www.rabobank.nl/kunstcollectie.

Dit is het achtste artikel uit een serie over bedrijfscollecties van Damiët Kuin. De vorige afleveringen stonden in Het Beeldende Kunstjournaal 2010-nr.2, 3 en 5 en 2011-nr.1, 2, 3 en 5.

Damiët Kuin studeerde Algemene Cultuurwetenschappen (BA) en heeft de master voor Museumconservator afgerond.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Interview: Paul Dikker, artist-in-residence in Noorwegen

Hoe vind je als beeldend kunstenaar nieuwe impulsen voor je werk? Dat kan op vele manieren, onder andere door een werkperiode als 'artist-in-residence' in het buitenland. Schilder Paul Dikker (1959) uit Amsterdam werkt sinds 2006 ieder jaar een aantal maanden in Noorwegen. In dit interview vertelt hij op welke manier dit zijn schilderijen heeft beïnvloed, hoe de Noren ernaar kijken en onder welke omstandigheden hij in Noorwegen kon werken.

Door Rob den Boer

Paul Dikker werkte al eerder in het buitenland, vanaf 1997 regelmatig in Spanje en Portugal. Hij schilderde in die periode gebouwen, die in opvallend lege ruimtes zijn geconfigureerd. Slechts hier en daar zie je een kleine, nederige mens. In Paul Dikker's werk is, wat hij het 'formeel-figuratieve' noemt, leidend. De formele ordening van kleuren en de compositie vertellen het verhaal, niet andersom. Wat opvalt is dat hij toen al gefascineerd was door bijzondere wolkenpartijen. Daarnaast onderscheidde hij zich door ook panoramische schilderijen te maken, variërend van soms maar twintig centimeter hoog tot wel 2,75 meter breed.

Het gaat Paul Dikker nog steeds om het formeel-

 
Paul Dikker, 'Norwegian summer', 140 x 105 cm, 2011, olieverf op linnen.

figuratieve en hij maakt ook nu nog panoramische schilderijen. Maar zijn, tot nu toe, vijf werkperiodes in Bergen en Ålvik in Noorwegen hebben interessante nieuwe lagen aan zijn werk toegevoegd, die ook te maken hebben met zijn verblijf daar. Hij voelt zich helemaal vrij in Noorwegen en dan ontwikkelt zich in hem een grote scheppingsdrang.

Naast het maken van nieuw werk, heeft Paul Dikker ook veel geëxposeerd in Noorwegen, onder andere in het IKM (Interkulturelt museum), dat vooral werk van buitenlandse kunstenaars toont. De galerie is een ontmoetingsplaats tussen kunstenaars en publiek en is een onderdeel van het Oslo Museum.

Omdat we in Nederland nog niet zoveel weten van het kunstklimaat in Noorwegen, vraag ik Paul Dikker om hier meer over te vertellen.

Den Boer: "Hoe kwam je in contact met Noorwegen?"

Dikker: "In 2005 wilde ik graag weer naar het buitenland. Ik stuurde een email met een profiel van mijzelf naar ongeveer vijfendertig Nederlandse ambassades. De Culturele Attaché van de Nederlandse Ambassade in Oslo reageerde enthousiast. Via haar kreeg ik adressen van gastateliers in Noorwegen zoals de United Sardine Factory (USF) in Bergen. In 2006 diende ik een aanvraag in om drie maanden als 'artist-in residence' te komen werken en in hetzelfde jaar kon ik al komen, omdat iemand anders was uitgevallen."

Den Boer: "Wat trok je in Noorwegen aan om juist daar te gaan werken?"

Dikker: "Noorwegen was blanco voor mij. Sommige ambassades wilden een plan van mij zien, terwijl ik mij juist open wilde stellen voor iets nieuws. In Noorwegen kreeg ik die kans. Toen ik in mijn auto onderweg was naar Bergen, dacht ik wel eens 'wat ga ik daar eigenlijk doen?' Ik had ook het idee dat de mensen nogal koel en afstandelijk waren. Dat bleek bij aankomst erg mee te vallen. Ik werd gastvrij opgehaald bij de boot in Oslo door een medewerkster van het kantoor van de USF. Dit bleek een groot kunstencentrum te zijn met een jazzclub, culturele bedrijfjes, een schrijversvakschool, diverse podia, een café, een filmhuis en een groot terras. Ik werd bij aankomst meteen uitgenodigd voor een presentatie bij een designmeubelbedrijfje uit het complex, waarbij ik werd voorgesteld als 'special guest from Amsterdam'. Vervolgens kwamen er allemaal mensen naar me toe om kennis te maken. Dat zette voor mij de toon."

Den Boer: "Wat is het belangrijkste dat je aan je werk hebt toegevoegd door je verblijf in Noorwegen?"

Dikker: "Het schilderen van het landschap. Daarvoor gaf ik niet veel om de natuur, ik hield ook niet van wandelen. Architectuur was altijd belangrijk in mijn schilderijen. In Noorwegen is de natuur echter overweldigend en mijn blik werd er als het ware naartoe getrokken. Ik ervaar de nietigheid van de mens daar nog sterker dan hier. Door het Noorse landschap is de organische vorm in mijn werk gekomen. Het is minder geometrisch geworden.

Paul Dikker, 'Onvoorzien', 75 x 50 cm, 2001, olieverf op linnen.

Vroeger ging het mij in de eerste plaats om de vlakverdeling en de compositie; nu is er meer ruimte voor intuïtie en spontaniteit tijdens het schilderen. Daardoor dring ik nu dieper door tot de essentie en ontstaat er een hele elementaire poëzie in mijn schilderijen."

Den Boer: "Ik zou me kunnen voorstellen dat het moeilijk is om als schilder iets toe te voegen aan een landschap dat al zoveel schoonheid in zich draagt. Hoe ga je hiermee om?"

Dikker: "Niet. Ik hoef niets toe te voegen want de natuur in Noorwegen is zo bijzonder dat die mij tot een schilderij prikkelt. Dat is een transformatie van de werkelijkheid, een verbeelding van de natuur. Het gaat mij niet om een nabootsing daarvan, dus ik ben vrij om te doen wat ik wil. Zo kan ik bijvoorbeeld heel ongebruikelijke kleuren gebruiken. Als schilder ben ik geïnteresseerd in de picturale verbeelding van de werkelijkheid. Er zijn in Noorwegen vooral veel ronde, grillige vormen die je in Nederland niet veel tegenkomt. Je ziet bijvoorbeeld wolken die over een berg heen hangen. En je passeert watervallen als je in de bergen wandelt. Er zijn ook heel veel soorten licht. Daar kun je mee spelen, als het ware je 'eigen' Noorse landschap creëren."

Den Boer: "Hoe kijken Noren naar jouw werk?"

Dikker: "Veel Noren vinden mijn werk bijzonder. Mijn vriend, de schrijver Bjørn Sortland, zei: "Door jouw schilderijen begrijp ik waarom al die toeristen hier komen." Ik geef het landschap zo weer dat je er de schoonheid en grootsheid van inziet. Het is het resultaat van mijn verbeelding."

Paul Dikker, 'Op gaal', 150 x 40 cm, 2008, olieverf op linnen.

Den Boer: "De beschouwer van je werk zou kunnen denken dat je een ideaalbeeld van Noorwegen schildert. Is daar nu helemaal niets lelijks wat je fascineert?"

Dikker: "Een schilderij is altijd een ideaalbeeld. Als kunstenaar zoek je naar dat ultieme beeld. Mij gaat het ook niet om Noorwegen. Die bergen op mijn schilderijen zouden ook in Canada, of waar dan ook, kunnen zijn gesitueerd."

Den Boer: "Kun je iets vertellen over de werk- en leefomstandigheden van beeldend kunstenaars in Noorwegen?"

Dikker: "In Noorwegen kan ik tamelijk geïsoleerd werken. Je komt los van alles wat je in het normale leven en je gedachten beperkt. Ik ben veel vrijer om a-sociaal te zijn, hoewel ik ook in Noorwegen veel contacten heb in de plaatsen waar ik ben geweest. Verder heb ik er een goed atelier in een omgeving waar alleen maar wordt gewerkt. En mijn tijd is natuurlijk beperkt. Ik ben daardoor enorm geconcentreerd, met een veel hogere productie dan hier. Of ik er permanent zou willen wonen weet ik niet; dat zou ik moeten ondervinden door er daadwerkelijk te gaan leven."

Den Boer: "Wat is je opgevallen aan de Noorse maatschappij die je hebt gezien in de plaatsen waar je hebt gewerkt?"

Dikker: "De mensen in Noorwegen leven dichter bij de natuur. Vrouwen gaan er bijvoorbeeld vissen, ook voor de lol. Veel mensen bakken hun eigen brood. Een pak sneeuw leidt niet tot een weeralarm. Men weet er mee te leven. Het vliegtuig is in Noorwegen gewoon een vervoermiddel. De afstanden zijn veel groter. Dat realiseerde ik mij pas toen ik mijn paspoort zocht, terwijl ik een binnenlandse vlucht nam."

Den Boer: "Hoe reageren de mensen op kunstenaars? En op jou als buitenlander?"

Dikker: "Om te beginnen merk ik dat kunstenaars in Noorwegen in veel hoger aanzien staan dan bijvoorbeeld in Nederland. Ook 'gewone' mensen hebben belangstelling voor beeldende kunst. Het afgelopen jaar werkte ik in een dorpje met ongeveer 600-700 inwoners, waarvan de meeste in de plaatselijke fabriek werken. Zij waren erg geïnteresseerd en wilden graag op mijn atelier komen kijken. Een van hen zei tegen mij: "You as an artist give so much back to society." Hij vroeg zich ook af waarom ik in Nederland geen staatsinkomen kreeg. Er zijn in Noorwegen ook overal kunstverenigingen, zelfs in plaatsen met een paar honderd inwoners. Kunst wordt veel meer dan in Nederland als een belangrijke waarde gezien voor de maatschappij. Het boek 'Alt det som er' (Alles wat er is) dat ik samen met Bjørn Sortland heb gemaakt, is bijvoorbeeld door de Noorse staat aangekocht voor verspreiding over alle bibliotheken in het land. Dat ging om 1500 boeken."

Den Boer: "Kun je iets zeggen over de werkomstandigheden van beeldend kunstenaars in Noorwegen?"

Dikker: "Er zijn goede sociale regelingen voor kunstenaars. Degenen die hun sporen hebben verdiend krijgen bijvoorbeeld een gegarandeerd staatspensioen tot hun 67ste. Dat betreft natuurlijk een beperkte groep. Ook hebben beroepsverenigingen veel meer invloed dan hier. Ateliers zijn goedkoop. En er zijn veel mogelijkheden om allerlei subsidies aan te vragen, bijvoorbeeld voor exposities, opdrachten, publicaties, transporten en reizen. Veel van de kunstenaars die ik ken hebben presentaties in het buitenland, dat wordt aanzienlijk meer dan in Nederland door de overheid gefaciliteerd."

Den Boer: "Hebben je verblijven als 'artist-in-residence' in Noorwegen je gebracht waar je op hoopte en wat zou je daar eventueel nog willen bereiken?"

Dikker: "Ik hoopte niet op zoveel. In Nederland had ik het gevoel 'ik moet hier weg, ik wil iets nieuws doen'. Toevallig is dat Noorwegen geworden. Mijn werkperioden daar hebben heel veel invloed op mijn schilderijen gehad en op mijn persoon als kunstenaar. Zowel in Nederland als in Noorwegen heb ik waardering ondervonden, alleen al omdat je zo'n stap durft te zetten. Verder is er in Noorwegen een boek gemaakt met afbeeldingen van mijn schilderijen en heb ik een solotentoonstelling gehad in het Oslo museum, dat ervaar ik als enorme cadeau's."

Paul Dikker

Den Boer: "Waarom zou een kunstenaar volgens jou naar Noorwegen moeten willen gaan?"

Dikker: "Het kan goed zijn voor een kunstenaar om eens geheel ergens anders te werken, omdat zo'n verblijf iets nieuws brengt. Waar het ook is. Er komen dingen terug die je van te voren niet had kunnen bedenken."

Meer informatie en vele foto's van schilderijen vindt u op de uitgebreide website van Paul Dikker, www.pauldikker.nl.

Rob den Boer is beeldend kunstenaar en publiceerde over beeldende kunst in diverse media.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Leidens beleg en ontzet

Museum De Lakenhal heeft in samenwerking met de Universiteit van Leiden - in het kader van het 125-jarig jubileum van de '3 October Vereeniging', die de jaarlijkse viering van het Leids Ontzet organiseert, de fotograaf Erwin Olaf met de opdracht vereerd een historiewerk te creëren bestemd voor dit museum. Olaf (1961) is daarin geslaagd op zijn zeer authentieke wijze. Op 31 oktober 2011 heeft Erwin Olaf de Johannes Vermeerprijs in ontvangst mogen nemen voor zijn gehele oeuvre.

Door Joke M. Nieuwenhuis Schrama

Zoals van veel geboortegolfkinderen, stond ook mijn wieg in het AZL, Academisch Ziekenhuis Leiden, aan de Rijnsburgerweg. Behalve het AZL waren/zijn er nog enkele gasthuizen en klinieken in de stad, met kraamafdelingen! De geboortecijfers in de stad Leiden moeten derhalve tussen 1946 en 1955 indrukwekkend hoog zijn geweest. Elke baby moet worden aangegeven in het oord van geboorte, woonachtig of niet. Thans kan men elektronisch aangifte doen. Het LUMC is in plaats van het AZL gekomen. Dit Leids Universitair Medisch Centrum, in fases gebouwd, is heel wat groter en naar het zuiden opgeschoven in de Pesthuiswijk. Over de pest en geboortecijfers tijdens het Spaanse Beleg in deze stad straks meer. Overigens, het oorspronkelijke Pesthuis in Leiden is nu Museum Naturalis.

 
Erwin Olaf kijkt naar het schilderij 'M.I. van Bree, Burgemeester Van der Werff biedt zijn degen aan het volk', 1816-1817.

Melkinrichtingen
Het oude AZL, een paviljoenziekenhuis, gebouwd in de 20er jaren van de vorige eeuw is - ook in fases - afgebroken. Alleen het Poortgebouw is blijven staan en tot rijksmonument verheven. Mijn moeder en ik verbleven in paviljoen 35. Een maand na mijn geboorte werd mijn moeder wegens ongemak weer enkele weken opgenomen in het AZL en ik ging mee. Waarom? Vanwege mijn moeders particuliere melkinrichting, die moest actief blijven, want dat was beter voor moeder én kind. Een soort interactieve navelstreng. Ik heb dus veel dagen en nachten doorgebracht in het betreffende paviljoen en vermaakte dokters en verpleegkundigen met mijn eerste gegrijns. Een lach kan betoveren, ook die van een baby. Welkom in de wonderlijke wereld van Leiden. Al die tronies boven mijn bedje. Ik kan me er niets van herinneren.

De Leidse werkwereld, die herinner ik me wel. Ik schrijf nu ruim zestien jaar verder, niet ver van mijn geboortehuis aan de Rijnsburgersingel. Het was een vakantiebaantje op het kantoor van een NV Melkinrichting. Dit verzin ik niet. Met mooi weer fietste ik naar de stad, ongeveer elf km. Mijn taken als vakantiehulp waren voornamelijk een zware 'Adressograph' bedienen, ten behoeve van de kassier, die een voorraad facturen wilde aanleggen. 4-laags gecarboniseerde formulieren, voorbedrukt, een soort vroeg Excel model, geperforeerd aan de bovenzijde. Melkafnemers c.q. aandeelhouders van deze Leidse melkfabriek werden wekelijks gefactureerd. Bij de 'Adressograph' hoorden honderden metalen drukplaatjes, één per adres. Die plaatjes waren in groepen verdeeld en per groep alfabetisch gerangschikt. Het geheel moest eerst worden gecontroleerd op volgorde, mutaties, beschadigingen en dergelijke. De kassier was uiterst nauwkeurig. Daarna kon het slaan beginnen. Handmatig. Mijn gram van de hele week ging erin zitten. Het apparaat maakte een kabaal. Dit werk moest dan ook gebeuren in een belendende ruimte, een archief met een raam op het zuidoosten. De deur diende gesloten te blijven.

Hoogconjunctuur
De vakantiebaan werd een vaste baan op instigatie van mijn ouders. Er was overal personeelstekort. Jaren van groeiende economie en stijgende welvaart voor iedereen. Hoogconjunctuur. (Avond)opleidingen werden betaald uit mijn salaris (plus reisgeld). Mijn vader beheerde het riante overschot tot ik 18 was. Aldus, een vaste betrekking. Rekeningen uitschrijven, handmatig. Met pressie (terwijl ik al kon typen), op voornoemde 4-laags facturen! Alphen aan den Rijn, groep 11, had toen een fors aantal melkwinkels. Die groep moest ik cumulatief factureren, werkdag en -week in en uit. De melkman kwam immers iedere weekse dag. Enfin, een gebed zonder eind. Bovendien had ik een strenge controller. Een ka van een vrouw die voortdurend haar bril op haar neus terugduwde, terwijl zij mijn werk recapituleerde op een lange ijzeren klem. Alphen besloeg haar hele bureau. Intussen was ik alweer met de volgende week bezig. Ik werkte me, adolescents gezegd, de pestpokken.

Milky Haze
In mijn geurgeheugen zit nog steeds de zurige melklucht die als topnoot in het kantoor hing, gemengd met de geuren van sigaren, sigaretten, shag, pijptabak (binnen roken was heel normaal) en hier en daar een onverzorgd mensenlijf of zompige kleding. Een melkachtige waas, 'a haze', waarover straks meer. Welkom in de dynamische werkwereld. Een werkplek tussen min of meer bekakte Oegstgeesters en zangerige Leidenaars. Er werkten uiteraard veel Leidse mensen, in de fabriek, expeditie, laboratorium en kantoor. Sommigen met namen die ik niet eerder had gehoord. Waalse of Vlaamse afkomst. Ik heb het daar twee jaar volgehouden, waarvan akte. Plus een schrijfknobbel aan de rechtermiddelvinger. Nóóit ópgestoken dàn? Nee, dat bestond toen niet. Veroorzaakt door de druk op de ribbels van de talloze 'Bic' pennen, die ik leegschreef en -cijferde.

3 oktober
In die twee jaar had ik ook twee extra vrije dagen rond 3 oktober. Naar verluidt is deze dag voor de Leidse bevolking belangrijker dan Koninginnedag. Dat kan ik me voorstellen, wetend dat het overgrote deel van de Leidenaren een behoorlijk historisch besef heeft. Een deel van de Leidse bevolking heeft immers Vlaamse of Waalse oorsprong. Terug naar de 16e eeuw. De honger en pest had de Leidse bevolking tijdens het Spaanse beleg 1573-1574 dermate uitgedund dat er een ernstig tekort aan arbeidskrachten in de vermaarde lakenindustrie was ontstaan. Uit het zuiden werden ambachtslieden aangetrokken om deze wolindustrie weer professioneel op gang te brengen. Deze vakkrachten en hun familie waren vluchtelingen door geloofskwesties en teruglopende economie in hun eigen leefgebied, veroorzaakt door de Spaanse overheersers. Museum De Lakenhal biedt een goed overzicht van de gebeurtenissen en ontwikkelingen in die tijd. Vlamingen, Walen en later de Franse Hugenoten vestigden zich in Leiden! Zelfs na ruimschoots vier eeuwen is het zangerige accent nog waarneembaar. Men is er honkvast, dat blijkt, want nog steeds zijn er mooie familienamen te vinden.

Vrijheid! Leidens Ontzet 1574-2011
Een bezoek aan Museum De Lakenhal voor de tentoonstelling 'Vrijheid! Leidens Ontzet 1574-2011' lijkt me tevens een goed weerzien met mijn geboortestad en oude werkplek. Vanaf het centraal station loop ik linksaf naar het Schuttersveld. Een korte straat rest, destijds een immens veld waar de 3 oktober - kermissen werden gehouden, de grootste van Nederland. Na tientallen jaren loop ik de Rijnsburgersingel weer op. Het hele gebouw, fabriek en laboratorium van de NV Melkinrichting, plus woonhuis van de directeur, alles is afgebroken. Een modern gebouw staat er nu voor in de plaats. Het kantoor is overgebleven, maar niet als monument. Het is dermate gemoderniseerd en verhoogd dat alleen de ligging naar het zuidwesten mij nog bekend voorkomt. Een totaal ander bedrijf huist er nu in. Ik loop terug, steek de singel over en ga langs eeuwenoude molen De Valk naar Museum De Lakenhal. De molen staat in de steigers en doeken. Een 'wrap' van Christo! Maar Christo (1935) zou de wieken erbij ingepakt hebben.

Fijne Laeckenen

Museum De Lakenhal heeft in samenwerking met de Universiteit van Leiden in het kader van het 125 jarig jubileum van de 3 October Vereeniging de fotograaf Erwin Olaf met de opdracht vereerd een historisch fotografisch werk te creëren voor dit museum.

Olaf (1961) is daarin geslaagd op zijn zeer authentieke wijze. Ik noem het een tableau. Buiten het tableau zijn er zes portretten en stillevens gemaakt, die te zien zijn in de Universiteitsbibliotheek Leiden. Ik neem het interview mee, dat de journalist Gijsbert van Es (NRC) die dag met Olaf afneemt in de ruimte waar vroeger de 'fijne laeckenen' werden gekeurd.

Erwin Olaf, 'Leidens beleg en ontzet', in opdracht van Museum De Lakenhal en Universiteit Leiden.

Inspiratie
Er werd een gedegen plan uitgezet in overleg met de Universiteit van Leiden en Museum De Lakenhal. Kunstwerken die dit belangrijke historische feit verbeelden werden bestudeerd. Werken uit de vaste collectie van de Lakenhal en het Centraal museum Utrecht. Maar ook andere werken, uit het Rijksmuseum Amsterdam en niet in de laatste plaats de werken van Jeroen Bosch (1450-1516). Ook denk ik aan werken van Francisco Goya (1746-1828). Olaf kon verder zijn inspiratie putten uit eerder fotowerk met dergelijke ensceneringen, dat hij ook in opdracht maakte, zowel in binnen- als buitenland. Het geheel zal hem allengs ingeving hebben opgeleverd. Op 31 oktober 2011 heeft Erwin Olaf de Johannes Vermeerprijs ontvangen voor zijn gehele oeuvre. Deze prijs werd voor het derde jaar uitgereikt. Voor de gelauwerde is het een bevestiging voor de goede keuzes die hij heeft gemaakt in zijn artistieke en vooral vakkundige werk, kortom zijn bijzondere fotografische kunst.

Oudste Universiteitsstad van Nederland
Het schilderij, een doek van Jan Hendrik van de Laar (1807-1874) uit 1861 'De gebedsdienst in de Pieterskerk na het Ontzet' (collectie Lakenhal) is terug te vinden in het eigentijdse werk van Olaf, omdat de Pieterskerk als 'set' werd uitgekozen. Hij besloot echter de pest in zijn tableau centraal te stellen en bijvoorbeeld de beroemde Leidse burgemeester Pieter A. van der Werff (1529-1604) ging ter rechterzijde. Vanuit eigen compositieschetsen is Olaf te werk gegaan. De Pieterskerk in de huidige vorm is gebouwd tussen eind 14e eeuw en midden 16e eeuw en vormt een waarachtig decor. Origineler is niet te vinden, lijkt me.

De auditie voor figuranten die in Olaf's tableau leven en voor dood liggen, werd in het Scheltema complex gehouden en leverde 160 gegadigden op, waaruit 36 figuranten werden gekozen, waarvan weer 28 Leidenaren. Daar kwamen enkele professionele modellen bij zoals Minerva en edelfiguranten zoals een dwerg en een vrouw met het syndroom van Down. Een jonge figurante van twee jaar. Eén figurant werd vanaf een terras gecast! Vanwege zijn bijzondere knevel. Deze man verbeeldt de beroemde Jonker, Jan van der Does, of Janus Douza, zijn gelatiniseerde naam. In het tableau staat hij nogal hautain te kijken, met iPod, kijk maar. Vooruitstrevend. Jan van der Does (1545-1604) kreeg na het Ontzet, vanwege zijn goede beleid en strategie, van Willem van Oranje het groene licht een Universiteit te stichten, de eerste, in wat toen Nederland was.

Pieterskerk
In de Pieterskerk duurden de opnamen drie dagen. Het tableau was in drie gedeeltes gepland, zodat niet alle figuranten er tegelijkertijd waren, dit om wachttijden te voorkomen. Tussen de reuzenzuilen van deze kerk werd ook een nepzuil geplaatst, om extra diepte te creëren. Tijdens het belichten werd Olaf geholpen door een Leidse amateurfotografenclub. Er stonden maar liefst twintig reuze paraplu's, octoboxen en wat al niet meer om het gewenste licht te creëren. Het licht komt hier van links maar veel figuranten werden ook van rechtsachter zacht aangelicht om de gewenste diepte te bereiken. Door de kerk heen werd van tijd tot tijd een lichte 'haze' een melkachtige waas geblazen. Dat is onder meer subtiel te zien aan de lichtstralen die door de ramen van deze prachtige oude kerk vallen, maar ook bij het opzetten van de galg middenachter en daar waar de watergeuzen, links in het tableau, binnenkomen. Voor hun wapperende vlaggen werd een windmachine bediend.

Rekwisieten en decors

Veel rekwisieten zijn museumobjecten uit Museum De Lakenhal, maar Olaf zelf heeft ook 'boodschappen' gedaan, onder meer in Londen. De pestdokters bijvoorbeeld. Olaf heeft onderzoek gedaan naar het ontstaan en verloop van deze ziekte en hoe men met de slachtoffers omging. De pestdokters in het midden van het tableau dragen pestmaskers die uit een 'prop shop' komen. Hun lange rubber handschoenen komen uit een verhuurbedrijf van fetisj artikelen. Hmm, obscuur. Verder, opgezette zwarte ratten, de pestverspreiders (uit Naturalis?). Geconserveerde duiven, waarvan één postduif! Honden. De dieren in allerlei natuurlijke poses opgezet. Overigens, er was wel één levende hond! De galg die wordt geïnstalleerd, middenachter ook in de 'haze' met twee figuranten is niet zo moeilijk na te maken, lijkt mij. Maar bijvoorbeeld de baby, net geboren, in de handen van een vrouwelijke figurant, is uit siliconen of iets dergelijks vervaardigd.

Het kindje ziet er asgrauw en daardoor macaber uit, maar is ook verbluffend echt nagemaakt en het symboliseert de zuigelingensterfte in die tijd, veroorzaakt door armoede, ziektes en honger.

 
Erwin Olaf, 'Pestdokter', 2011, chromogene druk, 80 x 60 cm, collectie Universiteitsbibliotheek Leiden.

Kostuums zijn gehuurd of gedeeltelijk ter plekke vervaardigd. Een grimeur heeft pestbuilen gemaakt. Heb je de pestpokken, dàn (dit klinkt Leids)? Of, je zult maar voor dood moeten liggen. Geen sinecure! Immers, het moest wel degelijk drama uitbeelden en geen spotprent. De lijkenpikker in het tableau, geheel links, aanvankelijk een man, werd uiteindelijk door een vrouw vervangen. Deze wandaad komt nog dramatischer in beeld als een vrouw die pleegt, meende Olaf. Hmm. Er werd hier en daar verplaatst en veranderd, ook wat studio nawerk. De eigentijdse details die Olaf heeft toegevoegd zijn een knikje van verstandhouding naar anno 2011, waarin zijn historiestuk tot stand is gekomen. Een teenslipper, de iPod, een leesbril aan een koord.

Het is allemaal te aanschouwen, 200 x 265 cm chromogene afdruk op dibond, in barokke lijst en blijft in Museum De Lakenhal. De vertegenwoordiging van hedendaagse kunstenaars binnen dit museum, is nu aangevuld met Erwin Olaf. Tot 8 januari 2012 zijn de bijbehorende zes portretten en stillevens te bewonderen in de Universiteitsbibliotheek aan de Witte Singel te Leiden.

Meer informatie kunt u vinden op de volgende websites:
www.erwinolaf.com, www.johannesvermeerprijs.nl, www.3october.nl,
www.lakenhal.nl
, www.bibliotheek.leidenuniv.nl.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Nog twee haiku's van Ria Giskes (RdB).

Haiku: Ria Giskes-Pieters; foto: ©John Giskes. Meer haiku's van Ria Giskes vindt u hier: http://tjilp.blogspot.com.

Terug naar boven

 

NUL=0
een Hollands verlangen naar objectieve werkelijkheid

Als reactie op het abstract expressionisme in de beeldende kunst onstond aan het einde van de jaren vijftig in de vorige eeuw ook in Nederland een tegenreactie: de informele schilderkunst. Men schilderde monochroom en zonder vorm. Schilders als Armando, Jan Schoonhoven, Henk Peeters en Jan Henderikse vormden samen de Nederlandse Informele Groep. Zij wilden het tegenovergestelde uitdrukken van kunstenaars als Ger Lataster, Karel Appel en Corneille en zochten naar een objectieve weergave van de werkelijkheid. Zij hadden een grote afkeer van het emotionele schildergebaar.

Door Wim Adema

Hoewel hun informele groep slechts een jaar bestond, was dit contact in feite wel de aanzet tot het ontstaan van de Nul-beweging. Samen probeerden zij een objectieve, alledaagse werkelijkheid te verbeelden. In het Stedelijk Museum te Schiedam is hiervan nu een uitgebreid overzicht te zien. Nul=0 in een brede internationale context.

"Een schilderij is net zo veel waard als geen schilderij. Een plastiek is net zo goed als geen plastiek."

Ontkenning van subjectiviteit
Een zin als 'Een schilderij is net zo veel waard als geen schilderij' geeft de lezer weinig houvast. Het lijkt alsof alles inwisselbaar is. De waarde van een schilderij heeft in feite wel of geen waarde. In feite heeft de Nul-beweging willen aangeven dat de gewone alledaagse werkelijkheid ook als beeldende kunst geïnterpreteerd kan worden.

 
Henk Peeters, 'IJs- ijsbeer- ijskast', 1960-1961, gemengde techniek, 115 x 112 x 67 cm, collectie Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam, foto: Bob Goedewaagen.

Een gebruiksvoorwerp kan door zijn vormgeving als uniek voorwerp gezien worden. Het is een afgeleide van de objectieve werkelijkheid. De kunstenaars van de Nul-beweging (gestart in 1960) vonden dat kunst gemist kon worden als 'kiespijn'. Men wilde het vervaardigen van kunstvoorwerpen beëindigen. Nul en nihil hebben echter geen inhoudelijke relatie met elkaar. Kunst moest een weergave worden van het gewone en dagelijkse leven. Men wilde geen commentaar geven op die werkelijkheid maar op een koele en afstandelijke manier de beeldtaal van het alledaagse visualiseren. Het kunstwerk mocht vooral geen artistieke uitstraling hebben; het vormde een radicalisering van een idee. Nul stond voor anonimiteit, het niets.

Internationale contacten
Het ontstaan van de Nul-groep liep in feite gelijk met de activiteiten van de Duitse groep Zero (onder andere Otto Piene, Heinz Mack) en het Franse Nouveau Réalisme (onder andere Yves Klein). De naam van de Nul-groep was afgeleid van de Duitse naam Zero, een groep die reeds in 1959 met haar activiteiten begonnen was. De bovengenoemde groepen waren nauw verwant in hun ideeën. Luciano Fontana (1899-1968) en Yves Klein (1928-1962) hadden met hun werk reeds een grote invloed. Fontana was in 1946 al bezig met de directe bewerking van materiaal. In 'Conzetto Spaziale' tastte hij bijvoorbeeld een schildersdoek aan met diepe meskerven. Yves Klein -le monochrôme- werkte op grote canvasdoeken met een monochrome weergave van kleur, zoals blauw en goud. Hij zocht naar het centrum van zijn handeling, een onthechte geestelijke kleur. Deze twee kunstenaars hebben een grote invloed gehad op de ontwikkeling van Nul, Zero en Nouveau Réalisme.

Ook in Italië en Japan waren een aantal kunstenaars op deze wijze aan het werk: de Izamuth-groep (Manzoni) en de Gutai-groep. Henk Peeters, lid van de Nul-beweging, onderhield veel internationale contacten. Piero Manzoni (1933-1963) vormde voor de Nederlandse Nul-groep een belangrijk referentiepunt. Hij ondersteunde hen met raad en daad. Met de Duitse Zero-groep bestond een intensief contact. Toch waren er grote inhoudelijke verschillen tussen beide groepen. Bij Zero had men vooral veel interesse voor kleur, licht en dynamiek, terwijl de Nul-groep meer kontakt zocht met materiaal van de alledaagse consumptiemaatschappij. De Franse kunstenaars daarentegen wilden vooral de gevoeligheid voor alledaagse dingen vergroten. Zij gebruikten vaak industriële wegwerpartikelen. Jan Henderikse voelde zich nauw verwant met deze Franse kunstenaars.

Nul-beweging en identiteit
De Nederlandse Nul-kunstenaars hadden een nuchtere inslag. Zij hadden geen aspiraties om de kosmos te verkennen, zoals de Zero-groep. De hen omringende technische vooruitgang en de aantrekkelijkheid van de materiële welvaart leverden genoeg bouwstenen op voor hun werk. De consumptiemaatschappij gaf meer dan voldoende inspiratie. Men had een voorliefde voor 'fris'. Voor 'bevlogen' kunstenaars was geen ruimte. Ook op de expositie in Schiedam stelde ik mij echter de vraag wat nu de werkelijke identiteit van Nul was. Er lijkt slechts een antwoord mogelijk: Nul had vele identiteiten. Er zijn weinig overeenkomsten in stijl en techniek.

In het werk van Armando, Peeters, Schoonhoven en Henderikse treft men heel grote verschillen in beeldtaal aan. Het gedachtegoed van de Nul-groep verbond hen onderling, maar hun artistieke invalshoeken bleven zeer uiteenlopend. Zij wilden de hen omringende werkelijkheid in objectieve kunstwerken vertalen, maar het gebruikte materiaal en hun individualiteit bleek weerbarstig en complex van vorm te zijn. Misschien bleef Jan Schoonhoven wel dicht bij de kerngedachte van Nul. In zijn reliëfs en tekeningen zocht hij met geometrische structuren naar een eindeloze herhaling en minimaliteit van de vorm in witte kleuren. Deze wandobjecten bleken echter gevoelig voor licht en schaduw, waardoor wel een subjectieve sfeer ontstond. Het verloop van de tijd zorgde tevens voor verandering van vorm en diepte. Armando werkte anders. De kleuren zwart en rood domineerden zijn werk. De nawerking van de 2e Wereldoorlog zorgden voor een agressieve en dramatische ondertoon. Het thema van herhaling vind men echter weer terug in zijn wand met autobanden, metalen platen met bouten en verfdrums.

Misschien is Henk Peeters heel dicht bij de kern gebleven van de Nul-filosofie. Hij gebruikte consumptiemateriaal in zijn werk, zoals schuimrubber, plastic en nylon. Centraal in zijn installaties stond beweging en licht. Grote plastic zuilen met water en luchtbellen zorgden evenwel voor poëtische transparantie. In navolging van Manzoni en Marcel Duchamp maakte hij ready-mades. Voor hem was het gebruik van zintuigen heel belangrijk. In het werk van Jan Henderikse was de nieuw-realistische kant van Nul aanwezig. Hij maakte assemblages van kurk en sigarettendoosjes. Een gebouw van de Hema signeerde hij met zijn naam en verklaarde het tot zijn kunstwerk. Als kunstenaar had hij een grote gevoeligheid voor de identiteit van het materiaal.

De kunstenaar herman de vries was officieël geen lid van de Nul-beweging, maar voelde zich wel heel verwant met hun werk.

herman de vries, 'toevals-structuur', 1966, gemengde techniek, 100 x 100 cm, collectie Stedelijk Museum Schiedam.

Hij schilderde monochroom en hield van het wetenschappelijk berekende toeval. Na het verschijnen van de eerste twee nummers van het tijdschrift Nul=0 zorgde de vries tot 1963 voor de redactie van dit blad. De Nul-groep kende drie belangrijke exposities: 'Nul' in het Stedelijk Museum Amsterdam (1962); 'Nul en Zero' in het Haags Gemeentemuseum (1964) en de bijzonder internationale tentoonsteling van 1965 in het Stedelijk Museum Amsterdam: 'Nul negentienhonderdvijfenzestig'.

Onthullingen in Schiedam
De huidige tentoonstelling in het Stedelijk Museum te Schiedam is internationaal van opzet. In deze context lijkt ook duidelijk te worden wat de plaats van de Nul-groep internationaal is geweest. Er zijn zeker onderlinge verbindingslijnen tussen de internationale groepen, maar toch blijkt de objectieve verbeelding van de werkelijkheid per land en kunstenaar verschillend. De Nederlandse kunstenaars bleven bijvoorbeeld heel dicht bij de gebruikswaarde van hun materiaal en werkten pragmatisch en nuchter, terwijl de Duitse kunstenaars contrasten wilden ervaren in licht, beweging en kleur met als ondertoon een sterk kosmische bewustzijn. Ook de Japanse kunstenaars van de Gutaigroep bleven weliswaar dicht bij de natuurlijke waarde van het materiaal, maar experimenteerden tegelijk met ruimtelijke eigenschappen van dit materiaal. De 'Schwarze Sonne' (1962/1963) van de Duitser Otto Piene geeft op de witte muur van het museum een donkere en heftige aanblik, terwijl 'Schotel' (1969) van Jan Schoonhoven frappeert door een intieme oppervlakte waarop met kleine papier machévormen van binnenuit een cirkelvormige schotel laten onstaan. Het witte karakter van het materiaal versterkt hierdoor de minimaliteit van de vorm en haar oppervlakte.

Zo zijn er meer van die opvallende verschillen. De Japanner Sadamaso Motonaga bijvoorbeeld laat met zijn werk 'Sahuku Mizu (1965, Waterwerk) een haast spirituele beleving ontstaan. Drie langgerekte hangvormen (oorspronkelijk bedoeld om tussen bomen te hangen) van transparant vinyl vormen rustpunten in de ruimte. Gepigmenteerd water met drie verschillende kleuren, dat in de onderbuik van de vormen verstild hangt, geeft een boeiend contrast met de lineaire vormen en eigenschappen van het vinylmateriaal. Van de Italiaan Piero Manzoni is een wit schilderij aanwezig: Achrome. Haar oppervlakte laat subtiele verschillen zien tussen wit en lichtgrijs. Van 'Zero op Zee' (1965), een internationaal maar nooit uitgevoerd project in Scheveningen, zijn een groot aantal ontwerpen (maquettevorm) aanwezig. Ook in dit project was sprake van een grote diversiteit in idee en uitvoering. De expositie in Schiedam

brengt de bezoeker dichter bij de objectieve werkelijkheid, maar laat tegelijk een grote individuele verscheidenheid zien, die bijzonder persoonlijk van karakter is.

Na 1965 werd de relatie met de Zero-groep door de Nul-beweging beëindigd. De onderlinge verschillen werden te groot. Armando stapte bovendien uit de groep en begon te werken aan materieschilderijen met een dramatische expressie in verf en zand. Toch ervaarde hij later de Nul-periode als zinvol. Jan Schoonhoven bleef werken aan zijn reliëfs en tekeningen. Opzienbarend was echter dat later in zijn werk een bepaalde vorm van agressie tot uiting kwam die verbeeld werd door het aanbrengen van zwarte krassen en een impulsieve verfopbreng met andere kleuren. Zijn werk kreeg hierdoor een sterk expressionistisch karakter. Bij hem ontstaat dan een diepgaande strijd tussen beheersing, orde en emoties. Henk Peeters bleef de opvattingen van Nul trouw en Jan Henderikse werkte verder met objets trouvés als een nouveau réalist. Het denkconcept bracht hen bij elkaar, maar uiteindelijk bleken de kunstenaars toch te onafhankelijk te zijn.

 
Jan Schoonhoven, 'Schotel', 1963, papier-maché en latex, 98 x 79 x 14 cm, Caldic Collectie, Rotterdam.

Dit kan men nu in het Stedelijk Museum van Schiedam duidelijk ervaren. Binnen de weerbarstige contouren van hun concepten lijkt een objectieve werkelijkheid aanwezig, maar hun individuele karakters zorgden voor een bont spectrum, waarin Nul als stijluitdrukking moeilijk herkenbaar werd. Internationaal was er wel sprake van een wederzijdse acceptatie en waardering. De vogelvlucht van de Nul-groep bleek echter van korte duur. In 1966, vijf jaar later, hervond men weer een eigen traject. Nul=0, nu in Schiedam, toont de bezoeker een spoor van herinneringen. Ook 'Zero op Zee', een nooit gerealiseerd legendarisch project, krijgt opnieuw de aandacht. In Schiedam ontstond een mooi vormgegeven kunsthistorisch document van de Nul-beweging. De objecten van Duitse Zero-groep maakten echter in Schiedam op mij een inspirerende indruk: Zero ist die Stille. Zero is der Anfang. Zero is Rund. Zero dreht sich. Zero der neue Idealismus. Zero is Zero.

De expositie 'Nul=0. nederlandse avant-garde in een internationale context. 1961-1966', is nog te bezoeken tot en met 22 januari in het Stedelijk Museum te Schiedam, Hoogstraat 112, Schiedam. Website: www.stedelijkmuseumschiedam.nl.

Bij de tentoonstelling is een mooi gedocumenteerd boek uitgegeven, in samenwerking met NAi Uitgevers, Rotterdam.literatuur: boek: De nederlandse identiteit in de kunst na 1945; red. drs. Geurt
Imanse; uitgave Meulenhoff/Landshoff, Amsterdam, 1984, ISBN 90 290 1549 7.

Wim Adema is beeldend kunstenaar en fotograaf en publiceert regelmatig artikelen over beeldende kunst in diverse media. Klik hier om zijn website te bekijken.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Geen beeld voldoet

Ter herinnering aan beeldend kunstenares Charlotte Salomon en dichteres Selma Meerbaum-Eisinger. Slachtoffers van waan en geweld.

Door Marianne van Waterschoot

Directe aanleiding voor het schrijven van dit artikel was een herhaling van de bekroonde documentaire naar aanleiding van de 65ste verjaardag van Herman van Veen. Iemand had de gedichtenbundel 'Ich bin in Sehnsucht eingehüllt' van Selma Meerbaum-Eisinger in zijn kleedkamer gelegd. Nieuwsgierig begon hij te lezen om het lang niet meer weg te leggen. Hij heeft tijdens optredens gedichten voorgelezen en op muziek gezet. Het maakte me nieuwsgierig naar dichteres en werk. Het deed me bovendien denken aan het Rilke-project. Bekende Duitse artiesten vertalen de gedichten van Rilke naar hun eigen discipline.

Ik was me in die tijd ook aan het verdiepen in het werk van Charlotte Salomon, een jonge schilderes met een zeer bewogen leven, dat net zoals dat van Selma Meerbaum-Eisinger bruusk eindigde. De koppeling was snel gemaakt: twee jonge vrouwen gebrandofferd aan de waanzin van het nationaal socialisme. Een duisternis die ik me - en met mij veel na WOII geborenen - niet kan voorstellen. Tegelijkertijd roept het huidige populisme en de radicalisering van bepaalde religieuze en seculiere groeperingen, marginalisering of zelfs demoniseren van woord en beeld een gevoel van 'déja vu' op.

 
Charlotte Salomon, 'Verso van gouache uit Leven? of Theater?', 1940-1942 © Stichting Charlotte Salomon.

Is het de context van de duistere periode waarin de beide jonge vrouwen leefden, dat hun werk me zo raakt? Dat zal er zeker mee te maken hebben. Maar meer nog ligt de aantrekkingskracht in de manier van het vorm geven aan de diepste gevoelens. Die blijven universeel en tijdloos herkenbaar en de aandacht waard.

Woord en Beeld
De diaspora heeft het Joodse volk over de hele wereld verspreid, maar hun religieuze wetten en blijvend verlangen naar het oude land en Jeruzalem deed hen als volk de meest barre tijden overleven. Volgend jaar in Jeruzalem bidden Joden overal ter wereld in de Joodse paasnacht.

De grafstenen op de Joodse begraafplaats van Ouderkerk aan de Amstel zijn uniek. De tekst en de afbeeldingen op de zerken zijn namelijk bewust gescheiden. De vindingrijkheid zich toch persoonlijk te kunnen uiten en toch goed te verhouden met de wijzing in de Joodse leer, zou je heiligschennis kunnen noemen. Het is Joden namelijk bij Thora verboden te verbeelden. Zelfs de naam van God moet achter de lippen verzegeld blijven. Dat is ook bij bepaalde Christelijke groeperingen geen onbekend fenomeen.

De joodse traditie beveelt de mensen de dialoog aan. Woorden zijn uitermate belangrijk. In de joodse Schrift, de Thora, door God aan Mozes gegeven, kent een aanvulling van mondelinge commentaren van meer dan 100 Joodse geleerden. Die leerstellingen worden 'Misjna' genoemd. Ook de nazi's hebben veelvuldig misbruik van woorden gemaakt om via camouflage en misleiding de verschrikkelijke werkelijkheid achter hun ideologie te verhullen. Wat het daglicht niet verdragen kan, beweegt zich in het duister.

De Nazi-propagandamachine creëerde 'De Eeuwige Jood', een nauwelijks menselijk monster dat als een vraatzuchtig roofdier over de wereld sloop, azend op alle moois en onschuldigs. Een wezen zo verderfelijk en onmenselijk dat het vernietigd moest worden om het eigene te beschermen en zuiver te houden. Joodse kunst en wetenschap werd 'entartet' verklaard, ontaard. Sommige Duitse kunst werd ook verboden, maar de makers ervan mochten hun kunstzinnig werk niet meer uitoefenen. Joodse kunstenaars werden naar vernietigingskampen afgevoerd. Nu, achteraf, beseffen we dat 'entartet' nationalisme kan leiden tot gelegitimeerd en meedogenloos uitroeien van hele bevolkingsgroepen. Charlotte Salomon en Selma Meerbaum-Eisinger hebben elkaar nooit ontmoet, maar zijn door hun lot en hun nalatenschap in woord en beeld verwant geraakt.

Gebroken leven
Charlotte Solomon wordt in 1917 in de Weimar republiek geboren als dochter van vermogende en volledig geassimileerde Joodse ouders. Haar moeder pleegt zelfmoord wanneer ze negen jaar is. Haar vader hertrouwt met een operazangeres. Charlotte ontwikkelt zich tot een complexe, teruggetrokken, introverte jonge vrouw, ondanks het cultureel bruisende milieu waarin ze opgroeit. In 1936 gaat ze naar de kunstacademie. Ze is een sterke observator van haar omgeving en vertaalt de indrukken naar teken- en schilderwerk. Na de Kristallnacht wordt het leven voor de Joden onmogelijk in Duitsland en Charlotte wordt naar haar grootouders in Zuid-Frankrijk gestuurd. Daar produceert ze haar levensverhaal in de vorm van een serie expressionistische gouaches genaamd 'Leben? Oder Theater'.

Temidden van alle duister kan de timide Charlotte de schoonheid van de natuur blijven zien en zo tracht ze in een toekomst te geloven. Ze trouwt en is vier maanden zwanger, wanneer ze in 1943 opgepakt wordt en naar Auschwitz gedeporteerd. Vlak voor haar deportatie heeft ze het meer dan 700 pagina's tellend werk veilig kunnen stellen: 'Bewaar het goed, het is mijn hele leven!' Op de dag van aankomst wordt ze vergast. Haar werk wordt drie decennia later ontdekt en door Jürgen Sterke in Duitsland uitgegeven.

Leben? Oder Theater?
Wat is werkelijk waar en wat is slechts schijn? Wat is goed en wat is kwaad? Hoe verhoud je je als jonge vrouw met een dreiging die te overweldigend omvangrijk zal blijken te zijn? Hoe leef je? Ervaar je het leven als écht of lijkt het alsof je een rol in een wrang toneelstuk hebt toebedeeld gekregen? De kracht van de verbeelding is in staat het ondoorgrondelijke centrum van de mens te raken en ontvankelijk te maken voor het genieten van de eeuwigheidswaarde van het leven.

Edvart Munch schreef: "We should no longer paint interiors with men reading and women knitting. We should paint living people who breathe, feel, suffer and love." In 1325 autobiografische gouaches schildert en beschrijft Charlotte Salomon dat leven. Ze rangschikt het als was het een zang- of toneelspel. Niet verwonderlijk, haar stiefmoeder was een vermaard zangeres, haar grote liefde – waar ze overigens niet mee trouwde - was zangpedagoog. In kleuren en beelden die aan Chagall doen denken, naïef van vorm vaak, tracht ze al haar mooie momenten en breukervaringen te ordenen. Of misschien is het enkel registreren. In de pré-Hitler periode gebruikt ze nog veel lichte en felle kleuren. Daarna drukt de opkomst van de nazi's in Duitsland en de gevolgen ervan dusdanig op haar leven en dat is te merken in haar werk.

Rond diezelfde tijd leert ze de waarheid over de dood van haar moeder. Diepe depressie en suïcide blijkt als een rode draad door haar familie van moederskant te lopen. In de schok van zowel de familiehistorie als het nazisme behoedt het schilderen haar om niet te bezwijken onder de chaos. Volgens de Griekse dichter uit de 7de eeuw v.Chr. Ar is de wereld een theater waar de slechtste lieden de beste plaatsen hebben. De Joden zaten in elk geval in de tijd van Charlotte Salomon niet vooraan. Ze keert zich letterlijk en figuurlijk steeds meer naar binnen. Haar kleurgebruik vernauwt zich door grotendeels paars, bruin en zwart in haar werk te gebruiken. In niet mis te verstane tekst of suggestief aangegeven lijkt ze de realiteit van zich af te willen houden. "Rache den Juden… und ihre Tempel die wollen wir zerstören…" of met een enkele blik of gebogen gestalte.

Theater! Dus leven!
Selma Meerman-Eisinger werd in 1924 in Czernowitz in de toen nog bij Roemenië behorende regio Boekovina geboren. Deze bonte cultuurmetropool bracht voor en tijdens het Interbellum schrijvers en dichters voort als Paul Celan, Aharon Appelfeld, Rose Ausländer en Emil Franzos. Er was een grote levendige Joodse gemeenschap, waar nu vrijwel niets meer van te vinden is. Selma begon op 15-jarige leeftijd gedichten te schrijven, maar vertaalde ook werk uit het Frans, Roemeens en Jiddish. Na de Duitse inval werd ze met haar familie naar het locale getto gedeporteerd. Ze wist haar 57 handgeschreven gedichten, 'Blütenlese', bij een vriendin onder te brengen. Ze stierf, 18 jaar jong, aan typhus in het werkkamp Michailowska (Oekraïne).

Net als Charlotte Salomon haalde Selma veel inspiratie uit de natuur. In tegenstelling tot haar was Selma niet teruggetrokken maar uitbundig. Ze genoot van het leven. De seizoenen, bloemen, de wisselende fasen van de dag, menselijke emoties: het werk is romantisch van toon en beeld. Geïnspireerd door een eerste liefde beweegt het zich tussen weemoed en verlangen. De innerlijke reuring vertaalt zich in liefdes- en natuurlyriek die heel sterk aan Rilke doet denken. De gedichten zijn tegelijk krachtig en zacht. Misschien wel omdat de natuurmetaforen zo levensecht ontleend zijn aan de dagelijkse waarneembaarheid. Het gras is nog steeds groen, bladeren ritselen, water druppelt en sneeuw knispert.

Maar ook bij haar is de dreiging van het nazisme op een bepaald moment merkbaar. Haar laatste gedichten getuigen van een oergevoel: "Ich möchte leben, ich will leben!" Het geheel besluit met slechts vier regels. Haar laatste, haastig gekrabbelde vers bevat slechts vier regels: "Das ist das Schwerste: sich verschenken und wissen, dass man überflússig ist, sich ganz zu geben und zu denken, dass man wie Rauch ins Nichts verfliesst." (23.12.1941).

Charlotte Salomon, 'Ongenummerde gouache, voorstudie uit Leven? of Theater?', 1940-1942 © Stichting Charlotte Salomon.

Bij een dergelijke compactheid ervan en laatste, profetische regel kan een lezer alleen maar zwijgen.

Herhaling en leegte
Twee talentvolle Joodse jonge vrouwen lieten ondanks de verstikkende dreiging van minachting, geweld en uiteindelijk de dood hun ziel overleven in hun werk. De een met gebruik van weinig woorden en een ongekende beeldende drift. De ander hulde zich als het ware in tekst en creëerde metaforen voor zowel pracht als verschrikking. Beiden hebben de oorlog niet overleefd, maar leven voort in hun werk. We kennen Anne Frank door haar dagboeken. Charlotte Salomon en Selma Meerbaum-Eisinger laten zich kennen in beeldende kunst en poëzie en staan op dezelfde hoogte. De een intravert en teruggetrokken, de ander extravert en verliefd door het leven dansend.

Beiden richtten zich op het onzichtbare, niet door uit de realiteit te vluchten, maar door op authentieke wijze iets toe te voegen aan diezelfde realiteit: hoop. Een onzichtbaar goed dat alle uiterlijkheden van de wereld kan overstijgen. En die hoop blijft zich op allerlei wijze herhalen in hun werk. "Vruchten en bloemen dragen op elke plek grond waar men geplant is, zou dat niet de bedoeling zijn?" Vroeg de eveneens vermoorde Etty Hillesum zich af. "En moeten wij er niet aan meehelpen deze bedoeling te verwezenlijken?" De paradox van moeilijke tijden doorleven en het creëren van het ellende overstijgend moois levert bij sommigen een spanningsveld op waardoor alle zintuigen in verbinding staan met de diepste gevoelens en zo op het hoogste niveau samenwerken. Zo ontstaan de mooiste dingen.

Overlevering
Filmmaker Franz Weis maakte in 1980 een film over het leven van Charlotte Salomon. Dit jaar heeft hij een documentaire gemaakt, waarin de hoofdrolspeelster uit zijn eerdere film in het voetspoor van Charlotte reist. In het Joods Historisch Museum heeft het werk een vaste plaats gekregen. De gedichten van Selma Meerbaum-Eisinger worden nog steeds gelezen, voorgelezen en op muziek gezet. "A thing of beauty is a joy for ever. It's loveliness increases and it will never pass into nothingness," schreef John Keats in het gedicht 'Endymion'.

Selma zette in woorden, wat Charlotte tastbare vorm gaf. Het leven van jonge vrouwen, overrompeld door immense chaos, dood en verderf. Maar net zoals de mythische Endymion, sluimeren Charlotte Salomon en Selma Meerbaum-Eisinger voor altijd en zijn verzekerd van een eeuwige jeugd. Ze zijn nog altijd bronnen van inspiratie. Hun nalatenschap nog altijd aanleiding voor nieuwe werken. Ze zijn tijdloos en geliefd, omdat ze herkenbaar blijven ontroeren en omdat het kwaad nooit het laatste woord mag hebben.

"Der Wind singt sein Schlaflied
mit träumenden Rauschen
die Blätter umschmeichelt er weich,
Ich lass mich verführen, dem Liede zu lauschen
und fühl mich den Gräsern gleich."

(S. Meerbaum-Eisinger)

Bronnen
* Joods Historisch Museum – permanente tentoonstelling Charlotte Salomon
* Charlotte Salomon Foundation
* Joodse kunstenaars – bevrijd van het tweede gebod' (Ruth le Febvre-Feld – Adr. Heinen Uitgevers, Den Bosch)
* Ich bin in Sehnsucht eingehüllt – gedichten van Selma Meerbaum-Eisinger (Uitgeverij Hoffman und Campe)
* Yad Vashem – Women in the Holocaust

De permanente tentoonstelling van het werk van Charlotte Salomon in het Joods Historisch Museum is momenteel op reis en bevindt zich in het buitenland. Kijk op de website van het museum voor meer informatie.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Een gedicht van Ingrid van den Bergh

© Ingrid van den Bergh. Weblog: http://ingridvandenbergh.wordpress.com.

Terug naar boven

 

Kunstflitsen

Een rubriek waarin medewerkers van Het Beeldende Kunstjournaal tips geven over mooie tentoonstellingen en evenementen die een bezoek waard zijn of een mooi boek aanprijzen.

Out of Storage. In de oude Timmerfabriek van de Sphinxfabriek in Maastricht vindt een grote kunstmanifestatie plaats met een tentoonsteling van circa 1500 kunstwerken uit de Franse collectie FRAC-Nord-Pas de Calais. Bijzonder is dat een groot aantal werken tijdens deze expositie steeds worden gewisseld. 'Work in progress': men ziet steeds nieuwe onderdelen van deze collectie. Out of Storage, De Timmerfabriek, Boschstraat 7-9, Belvedère/ Binnenhaventje 't Bassin. Website: www.outofstorage.nl. (WA)

Hands from 1961 until now: Jasper Johns. Tot en met 11 februari 2012 kan men in de galerie van de Stichting De 11 Lijnen in Oudenburg (Oostende/B) werk van Jasper Johns zien. Bijzonder de moeite waard is ook de architectuur van dit gebouw. De architect Alvaro Siza Vieira ontwierp een geïnspireerde minimalistische vormgeving voor stallen en schuren, welke tevens een relatie aangaat met haar omgeving. Licht en horizontaal karakter komen terug in de openingen van het gebouw. De kunstenaar Niele Torini verzorgde de inrichting van de binnenruimtes. Kortom: een architectonische synthese van galerie De 11 Lijnen. Hands from 1961 until now: Jasper Johns, t/m 11 februari 2012, galerie De 11 Lijnen, Groenedijkstraat 1, Oudenburg (B). Website: www.de11lijnen.com. (WA)

Vrouwen en de avant-garde. In de K20 van de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen in Düsseldorf (D) is tot en met 15 januari aanstaande nog een expositie te zien van acht kunstenaressen, die in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw actief werkzaam waren binnen de avant-garde in Europa. Onder de titel: 'Die Andere Seite des Mondes, Künstlerinnen der Avantgarde' wordt de bijdrage van vrouwelijke kunstenaars onderzocht, die vernieuwend werkzaam waren op het gebied van dada, kubisme en surrealisme. Tot aan de zeventiger jaren van de 20e eeuw werden zij binnen hun eigen vakgebied door mannelijke collega's en zeker ook door de musea niet op hun juiste waarde ingeschat. De tentoonstelling in Düsseldorf is een poging om dit beeld corrigeren. Er zijn kunstwerken te zien van Florence Henri, Sonia Delaunay, Sophie Täuber-Arp, Dora Maar, Claude Cahun, Hannah Höch, Germaine Dulac en Katarzyna Kobro. 'Die Andere Seite des Mondes, Künstlerinnen der Avantgarde', t/m 15 januari 2012, Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen, Grabbeplatz 5, Düsseldorf (D).
Website: www.kunstsammlung.de. (WA)

Terug naar boven

 

Bericht uit het buitenland

Inspiratie-, werkwerk op Chios, 3-10 oktober 2011

Al jaren houd ik mij bezig met de Griekse oudheid en zijn er facetten van de Griekse mythologie in mijn werk terug te vinden. Daarin staat vooral de mens centraal. Een uitnodiging van vrienden om in hun huis op Chios te komen werken is mede aanleiding om een ander onderdeel van het Griekse leven te onderzoeken. Het komt op het juiste moment want al enige tijd roept het woord 'boot' een gevoel in mij op dat ik daarmee wil gaan werken en onderzoeken wat ik ermee kan. En met de Griekse eilanden is 'varen' onlosmakelijk verbonden.

Eerst nog wat over Chios. Dit eiland ligt tegenover Turkije en vanaf het huis waar ik verblijf kun je de Turkse kust met helder weer zien liggen. 's Avonds zie je de lichtjes van de bootjes en de behuizing in Turkije. Het blijft fascineren om op een zo korte afstand een zo heel andere wereld te zien liggen. De maritieme geschiedenis van Chios gaat eeuwen terug.

 
Nancy Kroon, schets van een bootvorm, 2011

Het eiland Chios is een van de grootste scheepscentra en weerspiegelt de maritieme kracht van Griekenland, van deze geschiedenis is een en ander terug te zien in het Chios Maritieme Museum. Het eiland kent een enorme geschiedenis. De Chioten werden in de geschriften van de historicus Thucidides (ca 460 v Chr. - Atheens legeraanvoerder en geschiedschrijver) zelfs als 'rijkste Grieken' bestempeld. Naast een fameus handelscentrum zorgde Chios ervoor de binnenlandse productie te verhogen van de beroemde wijnen en de mastiek, die onder meer als grondstof voor medicijnen werd gebruikt. Het spreekt voor zich dat de scheepvaart dus onafscheidelijk is verbonden met het eiland. En ook nu behoort Chios dankzij de scheepvaart en uitstekende handelsgeest tot een van de welvarendste eilanden van Griekenland.

De vorm 'boot' fascineert me al langer om verschillende redenen. Mijn grootvader, ooms en vader zijn verbonden (geweest) met scheepvaart en dat is de oudste herinnering aan 'boot'. Ook is de boot met de Griekse mythologie verbonden. Bij Odysseus komen beelden op van schepen die telkens weer een nieuw avontuur tegemoet gingen maar ook aan de donkere Charon die de weg naar de dood begeleidde over de rivier de Styx. En ook ten tijde van Alexander de Grote werden oorlogen via zee uitgevochten. Ik probeer me bijvoorbeeld in te leven om door de ogen van Odysseus te kijken: zoals hij bijvoorbeeld een schip met Sirenen op zich af zag (hoorde) komen. Wij nu als hedendaagse mens leggen ook een reis af. Het is voor mij vanzelfsprekend dat bij mijn werken de mens ook weer wordt toegevoegd. In deze week op Chios heb ik geprobeerd de vorm 'boot' naar eigen hand te zetten, een vorm te vinden zoals ik ook mijn 'mens' op eigen wijze gestalte geef. Een nieuw begin, een nieuwe vorm. Het verdere verwerken, doorwerken kan nu beginnen.

Oktober 2011, Nancy Kroon. Website: www.kroonkunst.nl.

Inhoud

 

Zonder doel is een pelgrim een gewone wandelaar,
d
oor Peter van Dijk

De droom van Claude Lorrain;
het schilderen van het gouden licht
,
door Wim Adema

Haiku 1 van Ria Giskes

Leven in de kunst en kunst in het leven.
Dat is het idee.
De kunstcollectie van
de Rabobank,
door Damiët Kuin

Interview:
Paul Dikker,
artist-in-residence
in Noorwegen
,
door Rob den Boer

Leidens beleg en ontzet, Erwin Olaf ontvangt de Johannes Vermeerprijs, door Joke M. Nieuwenhuis Schrama

Haiku 2 van Ria Giskes

NUL=0,
een Hollands verlangen naar objectieve werkelijkheid,
door Wim Adema

Geen beeld voldoet,
ter herinnering aan beeldend kunstenares Charlotte Salomon en dichteres Selma Meerbaum-Eisinger,
door Marianne van Waterschoot

Een gedicht van Ingrid van den Bergh

Kunstflitsen,
tips van
medewerkers

Bericht uit het buitenland:
Inspiratie-, werkwerk
op Chios,
door Nancy Kroon