Dec. 2011 -Jan. 2012, 6e jg. nr.6. Eindredactie: Rob den Boer. Postbus 268, 4100 AG Culemborg. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 
VOORKANT ACTUEEL OPINIE AGENDA UITGELICHT DOSSIERS ARCHIEF COLOFON
Voorpagina
artikel
over kunst en kunstenaars meningen
en columns
actuele
exposities
opmerkelijke
kunstberichten
artikelen uit alle 
vorige nummers

de laatste  
drie nummers

Informatie over
Het Beeldende Kunstjournaal
 

Opinie
Artikelen met een mening, boekbesprekingen en essays op het snijvlak van beeldende kunst en andere disciplines. De inhoud weerspiegelt de mening van de auteur en niet die van Het Beeldende Kunstjournaal.

Over 'De groep' van Mary McCarthy en vriendschappen tussen
vrouwen.

Tekst van een lezing die Joke J. Hermsen op 21 juni 2011 hield in Spui 25, in Amsterdam ter gelegenheid van de verschijning van de gemoderniseerde vertaling van Mary McCarthy's wereldberoemde roman 'De groep'.

Door Joke J. Hermsen

Het is 1963, ik ben twee jaar oud en zet aan de hand van mijn moeder die dat jaar in wit met zwarte noppen jurken loopt, mijn eerste stappen in de modderige klei rond ons huis in een nieuwbouwwijk midden in de polders van de Wieringermeer. Centimeter voor centimeter wijkt de horizon van mijn ingesnoerde wereld, verbreed zich vanaf de blauwgroen geblokte plaid in het gras, waarop ik mijn leven tot dusverre had doorgebracht, tot aan de wuivende graanvelden rond het dorp, de weilanden met koeien, het strand en de zee, waar we elke zondag in de rode kever van mijn vader naartoe reden. Mijn moeder neemt een rieten picknickmand mee, heeft een zonnebril van spitse zwarte vleugels op, en zet mij stralend op de motorkap, zodat mijn vader diezelfde avond zijn kleine donkere kamer weer in zal moeten om dat jaren zestig gevoel voor de eeuwigheid af te drukken.

Het is 1963, en ik heb geen flauw benul van de handdruk die De Gaulle en Adenauer elkaar op dat moment geven na ondertekening van het Elysee verdrag, waarmee eindelijk een einde komt aan de vijandschap tussen de twee volkeren, noch van de speech die een zwarte baptistendominee ergens ver weg in Amerika voor honderdduizenden mensen houdt. Ik weet van niets, ik ken het verschil tussen 'droom' en werkelijkheid nog niet eens, en zal dat pas jaren later, vele jaren later leren, zoals ik ook dan pas in boeken als 'De groep' de werkelijkheid achter de zondagskiekjes zal ontdekken, en

 
Omslag van 'De groep'

de feiten van dat historische jaar 1963 zal leren, inclusief de laatste schok die de wereld in dat memorabele jaar op 22 november nog te verstouwen kreeg.

Op die bewuste dag drinken in Amerika twee schrijfsters thee met elkaar in Chicago en zijn erg blij elkaar weer te zien. Ze praten aan een stuk door, maar zullen later op de dag aan de televisie vast gekluisterd zitten, waar ze hun president vrolijk zwaaiend in zijn zwarte limousine door de stad Dallas zien rijden, even later getroffen door een kogel, en springen beiden uit hun stoel, net als Jacky, en zijn zo geschokt en ontredderd dat ze vrezen dat de republiek op het spel staat, dat Amerika ten onder gaat, en houden elkaar innig in een bange omarming vast. De een is geboren in Seattle, en heeft dat jaar een roman over een groep vrouwen gepubliceerd, die vanwege de openhartige passages over seks, ontrouw, voorbehoedsmiddelen en homoseksualiteit een enorm schandaal wordt, de ander is geboren in Hamburg en is in Amerika terecht gekomen, omdat zij voor de terreur van de nazis op de vlucht moest slaan. Zij heeft dat jaar ook een boek gepubliceerd, 'Eichmann in Jerusalem', en krijgt mogelijk nog meer hoon en kritiek te verstouwen dan haar vriendin. In de enkele jaren geleden gepubliceerde briefwisseling tussen beide hartsvriendinnen, 'Between Friends' geheten, kunnen we lezen hoe zij elkaar in die moeilijke tijd ondersteunden en troostten, adviezen gaven en telkens opnieuw moed inspraken.

Inmiddels ben ik bijna net zo oud als Mary McCarthy en Hannah Arendt in 1963 waren. Inmiddels weet ik van de moord op Kennedy, van de speech van Martin Luther King, inmiddels heb ik de boeken van deze schrijfsters gelezen en herlezen, en word ik nog altijd getroffen door de moed van beide schrijfsters om sociale misstanden aan de kaak te stellen en vlijmscherpe politieke analyses van de bekrompen, burgerlijke samenleving van begin jaren zestig te geven, maar bovenal word ik geraakt door de vriendschap die uit die brieven spreekt.

Solidariteit onder vrouwen was en is nog steeds geen vanzelfsprekendheid, solidariteit en vriendschap onder schrijvers is dat misschien nog minder, solidariteit onder vrouwelijke schrijvers, dames en heren, is van een nog grotere zeldzaamheid, en daarom wilde ik daar iets over zeggen. 'De groep' van Mary McCarthy verhaalt immers over een groep vriendinnen, die elkaar van college kennen en met elkaar blijven optrekken in de jaren daarna, elkaar blijven bezoeken, elkaars leven volgen, dus vriendschap, zo zou je verwachten, zou een van de belangrijke thema's in die roman kunnen zijn. Wat mij echter bij herlezing opviel, is dat er eigenlijk nauwelijks sprake lijkt te zijn van een oprechte vriendschap tussen deze zeven verschillende jonge vrouwen. Ze trekken met elkaar op, zeker, ze gaan naar elkaars hoogtijdagen, ze komen bij elkaar over de vloer, en leggen soms gezamenlijk doktersbezoekjes af, maar ze bekijken elkaar doorgaans met een nogal kritische, afstandelijke blik, ze roddelen ook over elkaar, ze spreken schande over elkaars handel en wandel, en bovenal staan hun ogen telkens weer bol van ongeloof zo niet schaamte en wantrouwen, als ze naar elkaars ontboezemingen luisteren.

De vriendschap tussen Mary McCarthy en Hannah Arendt echter, waar de brieven van getuigen, wordt ook wel eens een verliefde vriendschap genoemd, dermate waren de beide schrijfsters elkaar toegedaan, dermate waren zij oprecht in elkaar geinteresseerd, dermate ondersteunden zij elkaar door dik en dun en tegen alle haatcampagnes in, die zij over zich uitgestort kregen. Hoe anders vergaat het de vrouwen van 'De groep'. Deze vrouwen zijn zozeer een product van hun bekrompen opvoeding dat zij elkaar nauwelijks met open blik kunnen bekijken. Voortdurend zitten de wetten en voorschriften van hun burgerlijke klasse, de sociale mores van hun 'groep', een oprechte vriendschap in de weg. Het lijkt wel of deze vrouwen, getergd door hun gevoelens van inferioriteit en hun strijd met het andere geslacht, niet in staat zijn van elkaar te houden. De spiegel die de een de ander voorhoudt is dermate angstaanjagend, confronteert hen zo met de nadelen van hun vrouwelijkheid, dat het soms lijkt alsof zij het de anderen kwalijk nemen dat zij zelf ook vrouw zijn. Hoe anders was de vriendschap tussen Mary en Hannah...

In het gezelschap van Mary McCarthy, kon Hannah Arendt zich "dronken van instemming voelen", te midden van een wereld vol vijanden. En Mary schreef op haar beurt dat Hannah haar deed denken aan een toneeldiva als Sarah Bernard: "Het dramatische aan Hannah was het spontane vermogen gegrepen te worden en zich te laten meeslepen, vaak plotseling en met opengesperde ogen. Ach!, riep zij luid uit voor een schilderij, waarmee zij zich, alsof ze tot het uiterste elektrisch geladen was, van de rest van ons onderscheidde. En: Als ze sprak was het alsof je de bewegingen van haar geest aan de oppervlakte in actie zag, door de manier waarop ze haar lippen samenkneep, haar voorhoofd fronste en nadenkend haar kin met haar hand ondersteunde."

Ze maakten vele reizen samen, in Europa en Amerika, en beleefden en ondergingen gezamenlijk menige literaire en politieke controverses, ze steunden elkaar onvoorwaardelijk, en bleven elkaar trouw. Ze schreven elkaar troostrijke brieven in het voor beiden zo moeilijke jaar 1963, waarin hun boeken voor zoveel opschudding zorgden. Op 16 september 1963 schreef HA: "I like the Group very very much. It is quite different from your other books, at the same time milder and sadder, it reads like definite statement of that period, but looked at from a very great distance. You have won a perspective, or perhaps rather you have arrived at a point so far removed from your former life that everything now can fall into place. You yourself are no longer directly involved. And thus quality makes the book more of a novel than any of your other books. I don't need to repeat what everybody who knows anything says - that it is beautifully written – the inner balance of the sentences is extraordinary, and often hilariously funny."

En een week later, schrijft ze dat ze zich geen zorgen moet maken over de negatieve kritieken van 'the boys', waarmee ze onder andere invloedrijke critici zoals Norman Mailer bedoelde: "That the boys have tried to turn against you seems to me only natural and I think it has more to do with 'The group' being a bestseller than with any literary matters."

Als Arendt eigen boek, 'Eichmann in Jerusalem', maanden later de meest negatieve en vijandige kritieken krijgt, en Arendt er zelfs van wordt beschuldigd dat ze de nazis en Gestapo verdedigt en het leed van de joden heeft willen verdoezelen, reageert Mary als volgt: "I want to help you in some way and not simply by leaning an ear. What can be done about this Eichmann business, which is assuming the proportions of a progrom? I am going to write something to the boys."

En dat deed ze, met een lang en belangwekkend stuk in de Partisan Review, waarin ze alle onheuse kritiek, leugens en verdenkingen ontmaskerde en weerlegde. Dat waren nog eens vriendinnen. 'The Group of Two', werden Mary en Hannah ook wel genoemd. De vraag die mij bezighoudt is de volgende: hoe kan het dat in McCarthy's roman 'De groep' nauwelijks een dergelijke vriendschap bij de zeven vrouwen onderling te zien is, terwijl de schrijfster zelf op dat moment zo'n intense vriendschap met een collega beleefde. Moeten we de nogal krampachtige en op zijn minst gebrekkige vriendschapsrelaties die de zeven vrouwen in 'De groep' met elkaar aangaan ook als een aspect van McCarthy's maatschappijkritiek zien? In deze roman toont de schrijfster immers hoe moeilijk het voor vrouwen is, en was, een aan mannen gelijkwaardige positie in de maatschappij te verwerven, zichzelf te ontwikkelen, een zekere balans tussen prive en werk te vinden en uit de gouden kooi van het welopgevoede meisje te stappen. Ze laat ook zien dat de smeerolie van de vriendschap, om het eens oneerbiedig te zeggen, bij hen ontbreekt, de olie die bij mannen juist zo rijkelijk stroomt en er niet alleen voor zorgt dat ze elkaar hogerop en aan baantjes en posities helpen, maar ook dat ze zich thuis, om niet te zeggen als een vis in het water, voelen in het openbare domein, want omringd door vrinden.

Ik denk dat Mary McCarthy met 'De groep' behalve een genadeloze kritiek op het huwelijk, de seksuele moraal en de patriarchale samenleving ook wilde laten zien hoe gevoelens van onderdrukking en inferioriteit doorwerken in de verhouding tussen vrouwen onderling, hoe eenzaam dit hen ook maakt, en hoe moeilijk het is om vol te houden, als er niemand is die je echt kunt vertrouwen, niemand is van wie je weet dat je haar onvoorwaardelijke solidariteit krijgt. Als er geen hecht sociaal netwerk bestaat, sta je op drijfzand en kun je je nooit veilig en onbedreigd voelen.

Ik vermoed dat McCarthy dit wilde laten zien, omdat ik anders de scherpe tegenstelling tussen de roman en haar eigen leven niet kan begrijpen. Ik vermoed ook dat dit zo is, omdat zowel voor McCarthy als voor Arendt vriendschap juist een van de allerbelangrijkste aspecten van het sociale en dus ook politieke leven is. Ik vermoed dat McCarthy haar lezeressen van toen en van nu wilde vertellen dat zij die solidariteit zich eigen moeten maken, willen zij ooit een rol van betekenis in het openbare leven kunnen spelen. Dat kun je niet als je met je linkerhand vecht tegen de mannelijke dominantie en met je rechterhand de vrouwelijke collega's die ook uit de krabbenmand omhoog
willen kruipen weer naar beneden duwt.

Vriendschap, schreef McCarthy, is essentieel. "You can date the evolving life of a mind, like the age of a tree, by the rings of friendship formed by the expanding central trunk." Voor Hannah Arendt gold dat niet minder, zoals zij in veel van haar filosofische teksten demonstreert. Vriendschap was voor haar niet hetzelfde als medelijden hebben met, zoals sommige personages in 'De groep' nog net voor elkaar kunnen opbrengen, zoals Polly bijvoorbeeld halverwege het boek (p.277). Vriendschap heeft voor Arendt vooral met solidariteit te maken, de twee begrippen zijn voor haar onlosmakelijk met elkaar verbonden; voor elkaar opkomen, elkaar ondersteunen en vooral ook: elkaar tot handelen, bijvoorbeeld tot het schrijven van boeken inspireren. Daarom heeft echte vriendschap voor Arendt ook zo'n belangrijke politieke component: het is niet alleen elkaar helpen vooruit te komen, maar het is ook gezamenlijk een betere wereld na streven.

Waar de liefde de inspirerende bron voor het privé leven is, en ook moet blijven, meent Arendt, is vriendschap het draagvlak voor het sociale, openbare leven. Dan pas kan daar ontwikkeling en zelfontplooiing plaats vinden, dan pas kan een individu, man of vrouw, getuigen van zijn of haar uniekheid,

zodat de pluraliteit, de onderlinge verscheidenheid, van de door zoveel verschillende mensen bewoonde wereld gewaarborgd blijft. Als binnen de openbare wereld slechts de stem van een specifieke groep klinkt, wordt die noodzakelijke pluraliteit bedreigd en zullen anderen worden onderdrukt of buiten gesloten. Zonder vriendschap in het openbare domein gaat het dus niet.

Vrouwen zijn eeuwenlang gewend geweest om vriendschappen slechts in het privé domein te sluiten, en hebben wellicht nog altijd enige moeite om in de betrekkelijk korte tijd dat zij de openbare arena hebben beklommen, echte vriendschappen met vrouwelijke collega's te sluiten. Menig onderzoek heeft inmiddels uitgewezen dat het beruchte glazen plafond niet alleen gecreëerd wordt door mannen, maar ook omdat vrouwen elkaar soms het licht in de ogen niet gunnen en elkaar gaan beconcurreren, omdat zij menen alleen op die manier een plek tussen 'the boys' te kunnen vergaren.

Een grotere denkfout kun je niet maken, meende Hannah Arendt, en meende Mary McCarthy, die in 'De groep' liet zien waartoe al die vrouwenlevens leiden, als zij niet door onderlinge vriendschap en solidariteit gedragen worden. Zoals maar duidelijk wordt uit het fragment van Priss en Norine, die over hun vriendin Kay spreken, die door haar man in een inrichting is opgesloten, nadat hij haar mishandeld heeft. Als je dan leest hoe de vrouwelijke solidariteit er in 1963 uitzag, vanaf bladzijde 374 ongeveer, dan word je daar niet vrolijk van. Het belooft weinig goeds, en inderdaad, in het laatste hoofdstuk zijn we weer terug bij de kerk, waarmee het boek begon, namelijk met de huwelijks plechtigheid van Kay met Harald, maar dit keer, precies een jaar later, wordt de kist van Kay de kerk binnen gedragen. Zijn de vriendinnen er kapot van? Rouwen en treuren zij om het vroege verlies van een van hun 'beste' vriendinnen? Nee, ze maken zich zorgen welke jurk ze haar in haar kist moeten aantrekken, zoals we op bladzijde 385 mogen lezen.

Lakey, de bloedmooie, koele, arrogante vriendin, die in het begin van de roman naar Europa verdwijnt en als lesbienne terugkomt in het gezelschap van een barones, lijkt de enige te zijn, die openlijk verzet weet te bieden tegen de heersende orde. Na de kerkdienst neemt ze Harald mee, de ex echtgenoot van Kay, naar de begraafplaats, en drinkt halverwege een borrel met hem. Ze neemt wraak op hem, en op alle mannen, voor Kay en voor alle vrouwen, door te suggereren dat zij met Kay naar bed is geweest en hij raakt buiten zichzelf van woede. Dat is misschien dan op het einde van de roman, een eerste sprankje hoop, een eerste glimp van vrouwelijke solidariteit, die McCarthy er bij wijze van troost en bij wijze van aanmoediging er op de allerlaatste bladzijden van haar roman gelukkig in heeft verwerkt.

De groep, Mary McCarthy, vertaald door J.F. Kliphuis en R.W.M. Kliphuis-Vlaskamp, De Arbeiderspers, prijs: € 19,95, als e-book € 15,95.

Joke J. Hermsen is filosofe en romanschrijfster en publiceert geregeld in diverse landelijke media. Website: www.jokehermsen.nl.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Haal creatieve mensen binnen
zij geven de nieuwe stad een eigen karakter

Een stad is meer dan alleen materie; ze bestaat niet alleen maar uit gebouwen en functies. Het karakter van een stad wordt vooral bepaald door haar inwoners met hun dromen, gevoelens van geluk, verlangen, angst en eenzaamheid. Die onmeetbare eigenschappen geven een stad karakter, een eigen ziel. Het probleem is echter dat met name de nieuwe steden – in de naoorlogse periode meestal razendsnel gegroeid - vaak niet worden beschouwd als een gemeenschap, een community, maar als een handelsartikel, een commodity. Het aantrekken van zo veel mogelijk creatieve, jonge mensen kan dat probleem helpen oplossen. De vraag is: hoe krijg je ze naar de nieuwe steden?

Door Han de Kluijver

Als we het hebben over het beeld van een stad, dan gaat het vaak niet over de visuele verschijningsvorm. We denken eerder aan de verhalen die worden verteld. Die hebben soms zo veel kracht dat het beeld zich zelfs vasthecht bij mensen die nog nooit een stap in die stad hebben gezet. Naarmate de verhalen rijker en gedifferentieerder zijn, komt een stad meer tot leven en benadert de beeldvorming de werkelijkheid. (1)

Geen uitgesleten stenen
Het probleem van de in de Nederland snel gegroeide gemeenten – de nieuwe steden - van na

 
Werkplaatsen, die in de nieuwe steden niet aanwezig zijn (Biesboschhal, Dordrecht dec. 2011).

de oorlog is, dat deze nog geen 'uitgesleten stenen van borrelaars voor het eten' voor kroegen hebben, geen jaarringen van grachten die honderden jaren oud zijn. Geen kathedralen, waar pelgrims langstrokken op weg naar hun bedevaartsoorden. Geen cohesie door het jarenlang schuren van bevolkingsgroepen tegen elkaar.

Toch hebben veel groeikernen in de naoorlogse periode laten zien wat ze wel kunnen. Ze hebben het immers gepresteerd om in een kleine veertig jaar een compleet nieuwe bevolking te huisvesten, daarvoor een infrastructuur te creëren met veelal uitstekende sociale voorzieningen, een aantrekkelijk stadscentrum met vaak een theater/bibliotheek en bioscoop en een ruim aanbod aan culturele voorzieningen. De stad als 'maakbaar bouwobject'.

Culturele uitvinders
Ondanks het culturele aanbod is toegeven dat je in een groeikern woont hachelijk, zeker in culturele kringen in de grote, oude steden. In wezen moet je je voortdurend verontschuldigen en trachten duidelijk te maken dat het allemaal wel meevalt. Sterker nog, dat het al aardig went en eigenlijk wel 'oké' is. Voornaamste bezwaar van de grootstedelijke culturele elite tegen de nieuwe stad is namelijk niet het ontbreken van een gevarieerd aanbod aan kunst en cultuur, maar juist het gebrek aan culturele dynamiek. Het ontbreekt in de nieuwe steden aan de aanwezigheid van 'culturele uitvinders'. Dat maakt het voor grote groepen – jonge - mensen juist aantrekkelijk zich in de grote stad te vestigen.

Door flexibelere arbeidscontracten, de dubbele carrières van steeds meer tweeverdieners, toenemende mobiliteit en toegenomen waarde die men hecht aan vrije tijd wordt de woonplek in toenemende mate onafhankelijk van de werkplek gekozen. De grote steden zijn niet alleen meer de plaatsen waar werk is te vinden, maar bovenal plekken waar geconsumeerd wordt. Met name de hoger opgeleiden hechten veel waarde aan de 'quality of life', waaronder de nabijheid van veel kunst en cultuur in de woon- en leefomgeving. Zij kiezen dus voor de grote stad.

Essentiële voorwaarde
Menselijk kapitaal is één van de belangrijkste productiefactoren in de hedendaagse kenniseconomie. Daarom volgen bedrijven steeds vaker de hoogopgeleide
werknemers naar die grote, oude steden. Het beleid van de nieuwe steden zou er dus juist op gericht moeten zijn hun hoogopgeleide inwoners aan zich te binden en nieuwe aan te trekken. Door de aantrekkingskracht van de kunst- en cultuursector op high potentials zijn kunst en cultuur dus ook van belang voor het aantrekken van bedrijven en het stimuleren van de werkgelegenheid in de nieuwe stad. Kunst en cultuur vormen een essentiële voorwaarde voor de ontwikkeling en bloei van de stedelijke economie.

Ook kunstenaars vervullen dus een belangrijke rol binnen de stedelijke economie. De aanwezigheid van kunstenaars in alle sectoren stimuleert in een stad een klimaat van tolerantie, openheid en diversiteit, doordat kunstenaars over het algemeen vrijdenkend, creatief en vrijzinnig georiënteerd zijn. Dit trekt niet alleen andere bevolkingsgroepen - waaronder hoogopgeleiden - aan, maar genereert ook een klimaat van kennisoverdracht, innovatie en ondernemerschap in een stad. Dat is niet verwonderlijk: in veel functies in het bedrijfsleven waarin kunstenaars actief zijn worden vooral originaliteit, creativiteit en authenticiteit hogelijk gewaardeerd.

Instromen
Onderzoek naar de arbeidsmobiliteit van werknemers wijst uit dat relatief veel kunstenaars instromen in banen in de creatieve zakelijke dienstverlening. Voorbeelden zijn uitgeverijen, reclamebureaus, ontwerpbureaus en persbureaus. Waar de kunstsector zelf wellicht niet geassocieerd wordt met een hoge toegevoegde waarde in economisch opzicht, worden de hierboven genoemde bedrijfstakken, die profiteren van de instroom van creatievelingen uit deze sector veelal gerekend tot kernsectoren van de moderne kenniseconomie. Daarnaast leveren creatieve mensen niet zelden concrete bijdragen aan de culturele initiatieven in de stad. Deze initiatieven bevorderen op hun beurt de levendigheid in de stad. Deze groep kan dus een aanwinst voor de nieuwe stad zijn.

In de nieuwe groeisteden is wel degelijk een aantal creatievelingen actief vanuit woonkamers, zolders, schuurtjes en garages. Deze steden werden doorgaans ontworpen conform de strenge wetten van moderne stedenbouw, met een strikte scheiding tussen wonen en werken, die ze ook de reputatie van slaapsteden opgeleverde. De nieuwe culturele ondernemers zitten dus vaak verborgen in de stad. Dat verborgen ondernemerschap moet niet alleen worden gestimuleerd, het moet ook zichtbaar worden gemaakt, waardoor het onderdeel kan worden van een nieuwe identiteit voor de stad.
Studio HdK/Radovan (april 2011)

Ateliers/werkplaatsen
Idealiter zouden de creatieven aan de stad moeten worden gebonden door werkplekken/ateliers aan te bieden. Die zijn echter niet of nauwelijks voorhanden. Een oplossing zou zijn samenwerking te zoeken met het lokale bedrijfsleven om hun kunstwerken en -projecten toch te kunnen realiseren. Veel kunstenaars trachten het onzichtbare zichtbaar te maken. Kunst heeft de kracht om de menselijke subjectiviteit in relatie tot de omgeving zichtbaar te maken. Veel kunstenaars hebben voor hun werk relatief hoge ruimtes op de begane grond nodig, die goed bereikbaar zijn voor vervoer. Door het soms lawaaiige of stoffige werk moeten die ruimtes zo gelegen zijn dat er geen overlast ontstaat.

Daarom zouden – geheel of gedeeltelijk – leegstaande bedrijfspanden een ideale oplossing bieden voor het werkruimteprobleem van veel kunstenaars. Indien de gemeentebesturen van de nieuwe steden het belang van de aanwezigheid in hun stad van zoveel mogelijk creatieve mensen inzien, moet het mogelijk zijn hen daarin tegemoet te komen. Ook voor het bedrijfsleven is wat dat betreft een belangrijke rol weggelegd.

(1) Marco Polo reisde in de 13de eeuw de wereld rond en beschreef zijn indrukken van de steden die hij tegenkwam aan Kublai Khan, de keizer van de Tartaren. In zijn boek 'De onzichtbare Steden' (1972) herschrijft Italo Calvino deze oude verhalen op een heel eigen manier. De kwaliteit van de verhalen van Marco Polo is niet dat ze dé realiteit proberen te beschrijven, maar dat ze er een subjectieve ervaring van stimuleren. De verhalen lieten zo ruimte voor de verbeelding van de keizer. Hij beschrijft uiteenlopende visies op plaatsen en ruimtes. Door ze te verbeelden, maakt hij angsten en verlangens in relatie tot deze ruimtes zichtbaar. De theorieën rond ruimte en plaats die zich in de loop van de jaren ontwikkeld hebben, helpen ons om onze ruimtes uit elkaar te rafelen, er de gaten en het potentieel opnieuw in te ontdekken.

Han de Kluijver is architect bna bni bnsp.

Terug naar boven | Print dit artikel!

Inhoud