Okt. - nov. 2016, 11e jg. nr.5. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 
VOORKANT ACTUEEL ACHTERGROND AGENDA UITGELICHT ARCHIEF COLOFON 
voorpagina
artikel
recensies van tentoonstellingen

over kunst en
kunstenaars

actuele exposities
Nederland België
opmerkelijke
kunstberichten
artikelen uit  
vorige nummers

over Het Beeldende Kunstjournaal

 

Dick Ket, magisch tekenaar

Museum Arnhem toont naast enkele schilderijen, vooral tekenkunst van de vroeg gestorven neorealist Dick Ket. Verder bestaat de tentoonstelling uit brieven, voorstudies, geluidsfragmenten, objecten uit het huis van Ket, aangevuld met enkele bruiklenen. De tentoonstelling is in haast gemaakt, omdat een andere expositie niet doorging. Een catalogus is derhalve niet verkrijgbaar. Dick Ket is zo’n bijzonder kunstenaar, dat ook dit overzicht de moeite van een bezoek meer dan waard is.

Door Peter van Dijk

Verhoogt kennis van de biografie van een kunstenaar het plezier van het kijken naar zijn werk? Een lastige vraag. In het geval van Vincent van Gogh is dat effect onloochenbaar. Zonder het oor zouden er minder mensen in de rij staan. In het geval van een kunstenaar als Mark Rothko geloof ik niet dat kennis van zijn Litouwse, joodse verleden, de kracht van zijn kleurvlakken voor de toeschouwer zou veranderen.

Bij het zien van een overzicht van de schilderijen en tekeningen van de vooroorlogse kunstenaar Dick Ket (1902-1940), zoals op dit moment in het Museum Arnhem, wilde ik meteen begrijpen wat voor man achter de eindeloze reeks van indringende zelfportretten zat. Er zijn twee Dick Kets, een die werkte vóór 1930 en een erna.

Op de tentoonstelling in Arnhem valt goed te zien dat het jaar 1930 een cesuur vormt in het werk van Ket. In het begin experimenteerde hij volop met Oost-Indische inkt, zacht potlood, houtskool en rood krijt. Hij tekende 'sur place' bijna impressionistische stadsgezichten in Hoorn, Ede, Schoonhoven.

 
Dick Ket, 'Zelfportret (met waskom)', potlood, zwart en wit krijt op karton, ca 1930. Langdurig bruikleen van Kröller-Müller Museum.

Een snelle schets, met lichtroze toetsen van het badstrand in Scheveningen, getekend met Oost-Indische inkt en verf. Eenzame bomen, het interieur van de kerk van Hoorn, een paardebloem, een landschap bij Nijkerk, een treurig bootje. Een ontroerende gouache met inkt van zwarte struiken en een gele bloem. Schilderen deed hij in die eerste tien jaar met een paletmes, hij bracht dikke lagen op het doek aan.

Zelfportretten
Hoewel Ket een begenadigd schilder van stillevens was, wil ik het hier vooral hebben over zijn eindeloze reeks van zelfportretten, omdat die allerlei vragen oproept. Nadat Ket in 1930 gekozen had voor de totale afzondering in z’n eigen huis, kwam hij de deur niet meer uit, tekende en schilderde hij uitsluitend zelfportretten, portretten van zijn vader, om wie hij veel gaf, een enkel portret van zijn moeder, om wie hij minder gaf en stillevens. Hij werd een soort Morandi van het zelfportret. Van de iets meer dan honderd schilderijen die Ket maakte, zijn er veertig zelfportretten. In deze voortdurende herhaling schuilt het gevaar van verveling. Althans voor de oppervlakkige kijker. Voor hem is Kets wereld verworden tot een kleine subjectieve, onbeweeglijke belevingswereld.

Voor Dick Ket duidelijk niet. Zijn kleine wereld heeft hij zo indringend getekend en geschilderd dat je wel de behoefte krijgt te begrijpen waarom deze meester zijn eigen subjectiviteit zo zorgvuldig vastgelegd heeft. Kets kleine wereld ademt een zachte stemming van melancholie, van verdriet, van stille pijn. Die is tastbaar in de gedempte tinten, de bijna ziekelijke aandacht voor orde, compositie, de lange gerekte schaduwen, de zware oogopslag in zijn zelfportretten, die vaak gecomponeerd zijn alsof ze bedoeld waren voor middeleeuwse triptieken. Waarom trok hij zich terug en veranderde zijn werk van extravert naar introvert?

Hartziekte
De reden van deze omslag lag in Dick Kets aangeboren ziekte, een zeldzame hartziekte (een sterke vergroting naar rechts, plus een slecht functionerende klep) en een bijbehorend zuurstofgebrek. De ziekte ging steeds meer zijn leven bepalen. In zijn brieven schrijft Ket vaak over aanvallen van benauwdheid, beklemming op de borst, hartkloppingen en doorslaan van het hart. Al in 1920, Ket is dan slechts 18 jaar, kan hij maar kleine eindjes lopen en fietsen, en stikt hij van benauwdheid.

Na 1936 klaagt hij over dikke voeten en pijnlijke onderbenen. De bezorgdheid om zijn hart maakte hem nerveus en angstig. Hij heeft melancholische buien, lijdt aan claustrofobie, straatvrees en angst voor vreemden. Hij wilde altijd de deur open hebben, ook van een auto. Artsen stonden in die tijd machteloos.

De waardevolste bijdrage tot kennis van zijn ziekte, schrijft de arts dr. W. de Haas, heeft Ket zelf gegeven in de vorm van natuurgetrouwe weergave van zijn blauwe neus en vingers. De blauwheid werd veroorzaakt door zuurstofgebrek in zijn bloed.

Dick Ket, 'Badstrand te Scheveningen', Oost-Indische inkt en krijt op papier, 1926. Collectie Museum Arnhem.

Hij kon opeens blauw worden tot schrik van iedereen, medepassagiers in de trein gingen maar een eindje verder zitten. De Haas ziet nog andere uitingen van Kets ziekte terug in diens werk. “Op enkele zelfportretten is de thorax geheel of gedeeltelijk ontbloot. Men ziet dan een diffuse welving van de borst.” Het was geen wonder dat Ket geregeld in somberheid verkeerde. Hij schreef zelf: “Ik heb leren berusten, hoewel ik soms een razend verlangen heb eenmaal, al is het maar een dag, te zijn als een gezond mens.”

De handicap maakte ook dat hij niet lang achter elkaar kon werken, ook niet zittend. “Schildersdrift vraagt physieke inspanningen en daartoe ben ik niet in staat”. Hij en zijn ouders besloten in 1930 naar een door Ket ontworpen huis in Bennekom te verhuizen. Vanaf dat moment stopte het buitenleven, Ket bracht zijn dagen verder door in de beslotenheid van het gezin en het huis. Zijn ouders verzorgden hem en dat hielp hem ongetwijfeld de dag door, maar zijn moeder was ook een overheersende, veeleisende vrouw en versterkte zijn geestelijke instabiliteit. De ongewone omstandigheden hebben ongetwijfeld bijgedragen aan Kets 'diepterijping’, een treffende term van dr. De Haas, waarvan het werk getuigt.

Diepterijping
Deze diepterijping is al zichtbaar in de eerste confrontatie met Kets werk in de toegang tot de expositiezalen in Arnhem: een groot zelfportret met waskom in een bestorven witgele kleur, getekend met potlood en krijt op karton. Een jongeman kijkt de toeschouwer starend aan, zijn haar hangt sluik over zijn voorhoofd, hij droogt omzichtig zijn rechterwang met de punt van een grote witte handdoek. Zijn witte ondergoed bloest over zijn broek. Het tafereel lijkt bevroren in een standbeeld van berusting.

In werkelijkheid keek Ket natuurlijk niet naar een toeschouwer, maar naar zichzelf. Dit was zijn ochtendritueel, zich wassen in de wetenschap dat een nieuwe dag begonnen was, blij dat zijn hart het niet begeven had in de nacht, bang dat hij weer angsten en pijn zou voelen, dat hij aan het werk zou gaan, maar ook spoedig weer zou moeten stoppen, omdat hij te moe werd. Iedere ochtend weer zag hij zijn 'trouwe frustrerende metgezel', zoals hij hem noemde. Wij zien met Ket de bekommernis van deze geplaagde jongeman.

Carel Willink schreef in zijn memoriam voor Ket: “Er komt noodzakelijkerwijs een narcistisch element in elk zelfportret.” In algemene zin is dit wel juist, maar Ket lijkt me toch een apart geval van 'narcisme'. Leven in beslotenheid, met je ouders die het verleden vertegenwoordigen, zonder perspectief op verandering, de dagelijkse omgang met angsten over je benauwdheid en doodgaan, zonder prikkels van buiten, er was geen telefoon en televisie, maakt dat je schaduw je enige makker is, zoals Martinus Nijhoff dichtte. In zijn Bennekomse leefwereld had Ket weinig objecten om te schilderen, zijn ouders, kommetjes, vazen, borden, tafelkleden bloemen en zichzelf.

Nauwkeurige compositie
Op zijn prachtige 'Zelfportret voor de Spiegel' uit 1931, dat in bezit is van het Stedelijk Museum in

 
Dick Ket, 'Dubbelportret van Dick Ket en zijn vader', zwart krijt en houtskool op karton, 1938. Collectie Rijksmuseum.

Amsterdam, zit Ket als in porselein gestold voor de spiegel, een zwarte sliert haar onder een zwarte puntmuts die mannen in films over de middeleeuwen dragen en een half open gevallen Jaeger-onderhemd. Tussen zijn gezwollen trommelvingers klemt hij een medicijnfles. Het schilderij valt in twee delen uiteen, het linker deel met de hand en de medicijnfles in het volle licht, in het rechter vlak overheersen schaduwpartijen. In dit deel brengt Ket kubistische verspringingen aan, waardoor een tafel met fles en spuugbak het perspectief verstoort. De achtermuur is kaal en in de spiegel aan de rechterkant is een kopje en een kubistisch lijnenspel geschilderd.

De voorstelling is nauwkeurig gecomponeerd. Door de breuk in het perspectief maakt de ruimte een benauwende indruk, versterkt door de starende blik van Ket. De schilder zit gevangen in zijn schilderij, in de uitzichtloosheid van zijn lot, ontsnappen is niet mogelijk. De voorstelling is bevroren, roerloos, als voor de eeuwigheid. Toch ontstaat er door het dwarse perspectief, door de verstoring van de werkelijkheid, een hoop op iets anders, een vermoeden van iets dat aan de vaste wetten van de werkelijkheid ontsnapt. Ket schreef zelf: “Er zijn, zegt men, planten die enkel in een te kleine benauwende pot zich tooien met hun schoonste bloemen; er zijn vogels die men kooit en in een zwarte schaduw dompelt, opdat zij hun mooiste wijsjes zingen.” Ket besefte blijkbaar dat in de beklemming van zijn ziekte de betekenis van zijn lot ligt: het creëren van schoonheid.

In de meeste van zijn zelfportretten is Ket nauwkeurig bezig zichzelf in verschillende situaties te observeren en de attributen om hem heen met gevoel voor perfectie te regisseren. Ket met een kommetje aan de mond, penseel rechtstandig in de hand, penseel als een dunne veer horizontaal tussen de vingers, met vriendin, een broodje tussen de knokige vingers etend, Ket met een vorsende blik samen met zijn vader, met alpinopet, met rode bloemen in een vaas en ontblote tors, met twee aarden kruiken, soep drinkend met verkrampte vingers rond een kom, vioolspelend, met een vies gezicht een medicijn slikkend.

Vaak zien we dezelfde attributen, flessen, kommetjes, vazen, geblokte kleedjes, terugkomen. Ook schildert hij geregeld verwijzingen naar de dood. Veel rode bloemen. De Droste-verpleegster van ontwerper A.M. Cassandre komt geregeld terug. Verder heeft hij een stilleven gemaakt van een smartelijke Pietà tussen alledaagse objecten. In een hoek van het zelfportret met blote borst en rode bloemen staat het woord 'Fin' geschilderd: einde.

Bezwering

Ket vreesde verrassingen, vanuit zijn ziekte begrijpelijk, hij creëerde met fanatieke perfectie een wereld om zich heen die hem vertrouwd was, een wereld zonder angst. En hij observeerde in die vertrouwenwekkende wereld zijn trouwe metgezel, zichzelf, iedere keer opnieuw en opnieuw, tot in de kleinste details. Het was, denk ik, voor Ket de enige manier om met zichzelf en zijn afwijking in vrede te kunnen leven. Schilderen als bezwering.

Het resultaat is een oeuvre van een diepzinnige schoonheid, die hem aanvankelijk een indeling bij het magisch realisme opleverde. Maar Ket is in deze stroming van Wim Schuhmacher, Pyke Koch, Raoul Hynkes, Carel Willink, een geval apart. Bij Willink heerst een onheilspellende sfeer, bij Ket een transcendale, een verwachting van het hogere. Ket zelf formuleerde: “dat er meer is tussen Hemel en Aarde, ik denk hieraan zo dikwijls als ik een stilleven schilder. Juist in deze dode dingen voel ik de aanwezigheid van het alomtegenwoordige en ik betrap me erop, dat ik met liefde over deze dode voorwerpen kan denken en ze behandelen.”

Dick Ket, 'Hynches-Schumacherstilleven', krijt op karton, 1937. Collectie Museum Arnhem. Marc Pluim.

Dick Ket is zijn lot ontstegen: hij heeft schoonheid gecreëerd waar benauwdheid dreigde, hij heeft schildersplezier laten zien waar angsten hem beknelden. In zijn korte leven heeft hij dat zichtbaar en navoelbaar in een intrigerend oeuvre achtergelaten. Ket stierf op 37-jarige leeftijd in het eerste oorlogsjaar.

Dick Ket, Magisch tekenaar, t/m 4 december 2016, Museum Arnhem, Utrechtseweg 87, Arnhem. Website: www.museumarnhem.nl.

Peter van Dijk is journalist.

Terug naar boven | Print dit artikel!

Verder in dit nummer:
Actueel

What remains
Tussen schoonheid en verval
, door Wim Adema

Museum Plantin-Moretus, door Joke M. Nieuwenhuis Schrama

Haiku 1 van Ria Giskes

Volkskrant beeldende Kunstprijs, aandacht voor wie? door Lea Nieuwhof

Lino Tagliapietra –
een leven lang experimenteren
,
door Han de Kluijver

Haiku 2 van Ria Giskes

Charleroi 1666-2016
The place to C. door Joke M. Nieuwenhuis Schrama

Kunstflitsen,
kunsttips voor lezers

 

Achtergrond

Rik Wouters
Belgisch kunstenaar in Nederland (1914-1916)
,
door Rob den Boer

Unseen 2016: Fotografie-Extra, door Wim Adema

Tekenkabinet in de Huiskamer, door Joke M. Nieuwenhuis Schrama

 

Agenda
actuele exposities in Nederland en België

Uitgelicht
opmerkelijke
kunstberichten

Archief
vorige nummers

Colofon
over Het Beeldende Kunstjournaal

 

Nieuwsbrief
Verschijnt als er een nieuw nummer uit is.
Aanmelden kan door
een e-mail te sturen.

Facebook
Bezoek Het Beeldende Kunstjournaal op Facebook! Wordt fan!

Oproep
Vrijwiligers gezocht!