Dec. 2016 - jan. 2017, 11e jg. nr.6. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 
VOORKANT ACTUEEL ACHTERGROND AGENDA UITGELICHT ARCHIEF COLOFON 
voorpagina
artikel
recensies van tentoonstellingen

over kunst en
kunstenaars

actuele exposities
Nederland België
opmerkelijke
kunstberichten
artikelen uit  
vorige nummers

over Het Beeldende Kunstjournaal

 

Daubigny, Monet, Van Gogh
Impressies van het landschap

Het Van Gogh Museum zet de bijzondere Franse landschapschilder Charles-François Daubigny (1817-1878), tegenwoordig enigszins vergeten, met een grote tentoonstelling volop in de schijnwerpers. Begrijpelijk en terecht dat het Van Gogh dit initiatief neemt. Daubigny, die in zijn tijd veel succes had, werd door de impressionisten als hun wegbereider geëerd. Claude Monet, Vincent van Gogh en Camille Pissarro trokken met hem op, bewonderden zijn werk en werden door hem beïnvloed. Hoe sterk laat deze tentoonstelling zien.

Door Peter van Dijk

We kennen allemaal de 'Amandelbloesem' van Van Gogh, maar misschien ook de 'Witte boomgaard' van dezelfde schilder uit 1888 of de 'Bloeiende boomgaard' (1889). De laatste twee hangen in deze expositie onder meer naast de 'Bloeiende boomgaard' (1872) van Pissarro, de 'Lente' (1873) van Monet en de 'Lente' (1857) en 'Appelbloesems' (1865) van Daubigny. Alle vier de kunstenaars concentreerden zich in hoofdzaak op de fragiele bloei van fruitbomen, impressies die zij met snelle penseelstreken op het doek zetten. Boven de schilderijen staat, hoog op de wand, de volgende tekst van de kunstcriticus Théophile Gautier geschreven: "Hij is de eerste landschapschilder die opmerkte dat bomen in de lente met bloesems overdekt zijn." Ongelooflijk. Ik wist niet wat ik las.

 
Vincent van Gogh, 'De witte boomgaard', 1888, Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting).

Het hele citaat van Gautier luidt: "Daubigny kwam op dit geniaal simpele idee, dat nog niemand heeft gehad sinds de uitvinding van de schilderkunst (…). Dat bekoorlijke gezicht doet zich al bijna vijf- of zesduizend jaar voor, en toch kreeg niemand ooit de ingeving het naar de stad te brengen."
Dus Gautier beweerde dat geen enkele landschapschilder voor Daubigny de opvallende lentepracht heeft geschilderd, ondanks het feit dat het eindigen van de winter en het begin van het zonneseizoen, de tijd van bevruchting van plant en dier, al eeuwen aanleiding was voor lenterituelen en religieuze feestdagen. Er is geen groter feest in de natuur zichtbaar dan het vuurwerk van bloesems in de bomen. En zou geen enkele landschapschilder zich ooit aan de vastlegging gewaagd hebben??

Ik ken Theophile Gautier als een belezen en bereisd man en ook als een deskundige kunstcriticus. Hij was opgeleid als schilder. Geen man van overhaaste meningen. Toch ben ik zijn uitspraak gaan checken. In standaardwerken over kunst en tuinen en over kunstgeschiedenis. Ik heb het werk van de erkende Franse landschapschilders Nicolas Poussin en Claude Lorrain doorgevlooid, van Jean-Baptiste Corot, tijdgenoot van Daubigny en een liefhebber en groot schilder van bomen, van Jean-François Millet, gepatenteerd schilder van het boerenleven, van de Engelsen J.M.W. Turner en John Constable, de Duitser Gaspar David Friedrich en de Nederlanders Jacob van Ruisdael en Meindert Hobbema. Niets. Soms bloemen, nooit bloesems.

Alleen Botticelli heeft een 'Lente' (Primavera) geschilderd waarin een boom zowel bloesems als vruchten, zo te zien perziken, draagt. Een nogal vrije interpretatie van de processen in de natuur, want bloesems en vruchten in één boom zijn vrijwel nooit, zeker niet in de lente, tegelijk te zien. Het oog trekt overigens niet naar de bloesems die toch al nauwelijks opvallen, maar naar de goddelijke dames in doorzichtige gewaden onder de boom, die tussen honderden bloemen de liefde verbeelden. Het is geen schilderij van de overdaad aan lentebloesems. Het is een hommage aan vrouwelijk schoon met een minuscuul bijrolletje voor een tiental bloesems. Gautier lijkt gelijk te hebben. De lentebloesems als hoofdonderwerp werden nooit geschilderd, althans niet in het westen.

In Japan is de 'hanami', het genieten van de eerste lentebloesems een eeuwenoude traditie. Hokusai drukte al in 1834 prenten van een houtsnede van een vederlichte kersenbloesem met een goudvink. Nog altijd leeft deze traditie. Als het Japanse KNMI het tijdstip van de eerste bloei van de kersenbomen bekend maakt, trekken de Japanners in verrukking massaal de parken in.

De allereerste
Daubigny was op de Salon van 1857 met zijn 'Lente', aan welk doek Gautier zijn bespreking wijdde, de allereerste in Europa. Wat een geluk voor ons liefhebbers van het impressionisme! Dankzij hem ontdekten vele schilders de stille schoonheid van de bloeiende vruchtenboom.

En met hen, het negentiende-eeuwse publiek dat graag schilderijen van tuinen en landschappen kocht, zeker als het formaat in de huiskamer paste. "Mensen willen een verbloemde waarheid, een grondig schoongewassen natuur en verre dromerige einders," luidde een stelling van Daubigny. Ook de lente verkocht goed. Een golf van bloesems overspoelde de kunstmarkt in het laatste kwart van de negentiende eeuw. Pissarro, Monet, Alfred Sisley, Paul Signac en natuurlijk Vincent Van Gogh. Ook de Japanse prenten-bloesems waren in trek. Op de tentoonstelling in Amsterdam hangt een kleine, tintelende selectie.
Claude Monet, 'Zonsondergang op de Seine bij Lavacourt, wintereffect', 1880, olieverf op doek, 100 x 150 cm, Petit Palais, Paris, © Petit Palais / Roger-Viollet.

Daubigny hield van nieuwigheden, van experimenteren. Hij behoorde tot de groep van schilders van Barbizon (waarvan de bekendste zijn: Millet, Corot, Théodore Rousseau en Jules Dupré) die de natuur introkken om 'en plein air' te schilderen, een noviteit halverwege de negentiende eeuw. In de natuur schilderen werd mogelijk door de uitvinding van de tube, opeens kon je goede verf kopen en meenemen, je hoefde het niet meer zelf te mengen. Ter plekke schilderen betekende wel dat je een beetje moest opschieten, het licht veranderde voortdurend, de zon verdween achter wolken, het rivierwater werd donker en vooral de verf droogde snel.

Daubigny ontwikkelde in de loop van zijn carrière zijn eigen techniek van schilderen. Hij begon met nieuwe kleuren te experimenteren, als roze en violet in luchten, zette penseelstreken van turkoois, blauwgroen, geel, naast elkaar en gebruikte volop het paletmes. Het resultaat kunnen we op de tentoonstelling zien in onder meer het schilderij 'De Oogst' (1852), ook al een ongewoon onderwerp in die tijd. Hij slaagde erin een diffuus zonlicht te schilderen, dat de heiige augustus-warmte oproept. Grappig is het rode sjaaltje van de oogstster in een overwegend geel-oker korenveld. Een klein kleuraccent, tussen de vaak witte mutsjes in een sterk monochroom beeld, was een kenmerkend trucje van Daubigny, ook in zijn latere werk. Het trekt het oog van de kijker onmiddellijk.

Een gevoel over het landschap
Deze losse, bijna haastige stijl, die vooruitliep op het impressionisme, was nieuw voor de kunstcritici en het publiek, beide over het algemeen nogal geneigd tot behoudende opvattingen. "In de horizon van dhr. Daubigny zie je alleen een nogal fel blauw en roze die met een troffel lijken aangebracht", lezen we in de voortreffelijke, gevarieerde catalogus bij de tentoonstelling. Wat Daubigny vooral probeerde met zijn nieuwe schilderstijl, was het gevoel dat een landschap bij hem opriep te treffen. Zijn eigen impressies over wat hij zag en ervoer onmiddellijk in kleuren en snelle observaties op het doek vast te leggen.

Zijn nieuwe stijl had ook fervente verdedigers. De invloedrijke criticus en politicus Jules-Antoine Castagnary bijvoorbeeld, die als eerste over het impressionisme schreef. En de schrijver Emile Zola. 'De Oogst', getoond op de Salon van 1852, oogstte overigens veel lof en werd door de Franse staat gekocht en in het ministerie van justitie opgehangen. Tegenwoordig hangt dit grote schilderij in het Musée d'Orsay. De schilder kreeg steeds meer lol in zijn techniek en ging nog losser schilderen. Hij bracht kleuren snel aan, liet ze drogen en voegde pas daarna lichtaccenten en opvallende kleuren toe met verschillende penselen, naast elkaar, zonder hen te mengen. Hij gebruikte losse streepjes, zigzag lijnen. Hij kon onbekommerd dikke lagen verf met zijn paletmes aanbrengen om die daarna met een penseel te bewerken.

Op de Salon van 1857 exposeerde Daubigny zijn 'Lente', dat overtuigend liet zien dat gewone jaarlijkse natuurverschijnselen een idyllische en unieke uitstraling kunnen hebben. Het werk werd een triomf voor Daubigny, hij was net veertig jaar geworden en de staat kocht het schilderij voor 3000 francs, een fortuin voor de kunstenaar, die er met grafisch werk wat bij schnabbelde. De 'Lente' werd in het Musée du Luxembourg opgehangen, waar zijn collega's het konden bestuderen. Tegenwoordig hangt het als bruikleen van het Orsay in het Musée des Beaux-Arts in Chartres.

Atelierboot
Het geld stelde Daubigny in staat om een nieuw experiment te beginnen: de aanschaf van een atelierboot. Al in de herfst van dat jaar liet hij zijn boot, die hij 'Le Botin' doopte, op de Seine te water. De volgende twintig jaar schilderde hij vanaf het water vaak riviergezichten. De vaste voorgrond, meestal een rivieroever, verdween. In plaats daarvan kwamen fascinerende, spiegelende watervlakken. Een mooi voorbeeld van een verstild dorp aan de rivier, geschilderd vanaf het water, is Bonnières-sur-Seine, dat Daubigny een aantal malen vastlegde. Op de Salon van 1861 noemde een paar critici zijn 'Gezicht op Gloton, bij Bonnières' "een aardige schets, een mooie studie," terwijl de moderne museumbezoeker van toen, gewend aan impressionistische sereniteit en vluchtige penseelstreken, er nauwelijks van opkeek.

Maar vele schilders, waaronder Pissarro, Sisley en Monet, lieten zich er door inspireren. Claude Monet was zo gegrepen door het nieuwe perspectief vanaf het water, dat hij zelf eveneens een atelierboot kocht. Ook Monet werd een indrukwekkend schilder van rivieren, vijvers en plassen. Uit Dallas, Keulen, New York en Parijs is prachtig werk van hem naar Amsterdam overgekomen, waaronder een vertrouwd Hollands riviergezicht, 'Huizen aan de Achterzaan', uitgeleend door het Metropolitan in New York.

Sprookjesachtig mooi is het winterse 'Zonsondergang op de Seine bij Lavacourt', eigendom van het Parijse Stedelijk museum van Schone Kunsten.

 
Claude Monet, 'De schildersboot', 1874. Collectie: Kröller-Müller Museum, Otterlo.

Monet was als schipper zeer vaardig geworden, in de winter waagde hij zich tussen de ijsschotsen en schilderde een overstroming waarbij de golven tegen zijn boot klotsten. Vincent van Gogh was geen waterman, hij bewonderde Daubigny vooral om zijn boomgaarden, kraaien en felle kleuren.

Auvers-sur-Oise
Op aanraden van Camille Corot kocht Daubigny in 1860 een stuk grond in Auvers-sur-Oise. Corot had in dat dorp, dat op 30 km. van Parijs lag en gemakkelijk per trein en koets te bereiken was, een huis gekocht voor de beroemde, maar verarmde en zieke cartoonist Honoré Daumier. Corot zelf logeerde geregeld in de plaatselijke herberg en ontving leerlingen. Voor Daubigny was Auvers een terugkeer naar het landschap van zijn jeugd. Hij was geboren in het naburige Valmondois en hield zielsveel van de rivier de Oise, de velden en bossen. Nadat zijn huis in 1861 gebouwd was, nam Daubigny Corot's rol over en werd de ziel van de kunstenaarskolonie die langzaamaan in Auvers ontstond. Bewonderaars als Berthe en Edma Morisot kwamen op bezoek, Camille Pissarro vestigde zich in het naburige Pontoise, en nodigde op zijn beurt Cézanne uit. Armand Guillaumin en Pierre-Auguste Renoir kwamen er schilderen. Talrijke minder bekende schilders en graveurs volgden hen. De Parijse dokter Gachet, die veel kunstenaars in zijn patiëntenkring telde, ging er drie dagen per week wonen. De beroemdste van allen was Vincent van Gogh, die de laatste maanden van zijn leven in Auvers doorbracht. Hij hield van het landschap van Daubigny, schilderde diens landschappen en tuin, schoot zich dood en werd er begraven.

Wat trok de kunstenaars aan in Auvers-sur-Oise? Auvers was in die tijd nog schilderachtig, met witgekalkte huizen en strooien daken. Het dorp had een twaalfde-eeuwse kapel, een kasteel, wijnranken en golvende tarwevelden. Een idyllisch dorp, dat nog niet aangetast was door het industriële tijdperk.

Anti-modern
De geest van die tijd was anti-modernistisch. Europa beleefde halverwege de negentiende eeuw, evenals Amerika, dankzij de industrialisatie, de mechanisatie en de opkomst van de stoomtrein, -het symbool bij uitstek van de moderne tijd -, een krachtige economische ontwikkeling. De nieuwe voorspoed ging echter gepaard met kinderarbeid, geestdodende lopende banden, luchtvervuiling, alcoholisme als vlucht uit de ellende van de barre werkomstandigheden en ontvolking van het platteland. Het plattelandstoerisme werd populair in Frankrijk, er verschenen talloze boeken en artikelen over de weldaden van de natuur. De stedeling wilde weg van de massaliteit van de stad, van de fabrieksrook, het lawaai van het verkeer.

Net als de natuurtoeristen meenden vele schilders dat de moderne uitvindingen de oude en gezonde manier van leven vernietigden en zij trokken met hun tubes de natuur in om te genieten van de pittoreske ongereptheid van markante dorpjes en landschappen. Opvallend is dat Daubigny, Monet, Pissarro en de vele andere schilders die geassocieerd worden met het impressionisme, alle tekenen van de industriële tijd, zoals schoorsteenpijpen, fabrieken, masten op hun doeken weglieten en vooral de schilderachtige kant van de dorpjes, de lichteffecten in de rivieren en de traditionele arbeid van het boerenleven vastlegden.

Een uitzondering onder de impressionisten was Gustave Caillebotte, die met veel plezier staalconstructies, treinen en flanerende burgers op de nieuwe Parijse boulevards schilderde.

Het gevoelsmatige verzet tegen de moderne tijd vroeg natuurlijk om een beredeneerde rechtvaardiging en rondom charismatische leidsmannen ontstonden kunstenaarskolonies, in Barbizon (Millet en Th. Rousseau), Crozant (Armand Guillaumin), Pont-Aven (Paul Gauguin), Giverny (Monet) en in Auvers-sur-Oise.

Ook Nederland kende dat verschijnsel. Alleen onze kolonies in Laren, Egmond, Katwijk en Oosterbeek waren met toen relatief onbekende schilders als Anton Mauve, Jan Toorop, B.C. Koekkoek, Jozef Israëls, de gebroeders Maris, internationaal niet zo beroemd.

Charles François Daubigny, 'Appelbloesems', 1873, The Metropolitan Museum of Art, New York, legaat van Collis P. Huntington, 1900 © The Metropolitan Museum of Art/Art Resource/Scala, Florence.

Daubigny en zijn opvolgers, de impressionisten, waren met hun felle kleuren, verfbehandeling, aandacht voor licht en gevoel voor de schoonheid van het arcadische leven, baanbrekende kunstenaars. Tegelijk waren zij mentaal behoudende, nostalgische natuurliefhebbers, die bij voorkeur de tekenen van het moderne leven in hun werk weglieten. De realiteit was niet hun laatste waarheid, dat was de natuurlijke schoonheid van het buitenleven.

Daubigny, Monet, Van Gogh: Impressies van het landschap, t/m 29 januari 2017, Van Gogh Museum, Museumplein 6, Amsterdam. Website: www.vangoghmuseum.nl/daubigny-monet-van-gogh.

Het leven van Charles-François Daubigny heeft de Belgische striptekenaar Luc Cromheecke geïnspireerd tot een stripboek 'De tuin van Daubigny'. Hij kreeg er de Vlaamse Cultuurprijs voor en bracht de makers van de Daubigny-tentoonstelling in Amsterdam op het idee iets met zijn tekenwerk te doen.

De Belgische tekenaar mag een kenner van Daubigny genoemd worden, hij heeft vijf jaar lang het leven van de schilder bestudeerd. Cromheecke tekent Daubigny als een gezellige, ongekunstelde man. Ook Daubigny tekende uiteraard. De tochten met zijn 'Le Botin' heeft hij in een schetsboek vastgelegd. Dit tekenboekje, 'Voyage en bateau' is door de Amerikaanse eigenaar voor de tentoonstelling uitgeleend en ligt naast de tochtjes getekend door Cromheecke.

Willem Mesdag, zelf schilder, was een bewonderaar van Daubigny en kocht vijfentwintig werken van hem, de grootste verzameling Daubigny's buiten Frankrijk. Het lag dus voor de hand deze originele annex-tentoonstelling in het Haagse museum Mesdag te organiseren.

Cromheecke tekent Daubigny, t/m 5 maart 2017, De Mesdag Collectie, Laan van Meerdervoort 7F, Den Haag. Website: www.demesdagcollectie.nl/-cromheecke-tekent-daubigny.

Peter van Dijk is journalist.

Terug naar boven | Print dit artikel!

Verder in dit nummer:
Actueel

Callum Innes
onderzoek van een kunstschilder,
door Wim Adema

Fra Bartolommeo, De goddelijke renaissance,
d
oor Peter van Dijk

Haiku 1 van Ria Giskes

Japan Outsider Art
een terugblik,
door Wim Adema

Glas Award 2016,
door Han de Kluijver

Haiku 2 van Ria Giskes

RijksakademieOPEN 2016, door Wim Adema

Kunstflitsen,
kunsttips voor lezers

 

Achtergrond

Wetenswaardigheden
over licht,

d
oor John Giskes

Else Berg, een reis
met Mommie Schwarz,
door Wim Adema

Het Verbeelde Westen, door Rob den Boer

 

Agenda
actuele exposities in Nederland en België

Uitgelicht
opmerkelijke
kunstberichten

Archief
vorige nummers

Colofon
over Het Beeldende Kunstjournaal

 

Nieuwsbrief
Verschijnt als er een nieuw nummer uit is.
Aanmelden kan door
een e-mail te sturen.

Facebook
Bezoek Het Beeldende Kunstjournaal op Facebook! Wordt fan!

Oproep
Vrijwiligers gezocht!