Sept. - okt. 2017, 12e jg. nr.4. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 
VOORKANT ACTUEEL ACHTERGROND AGENDA UITGELICHT ARCHIEF COLOFON 
voorpagina
artikel
recensies van tentoonstellingen

over kunst en
kunstenaars

actuele exposities
Nederland België
opmerkelijke
kunstberichten
artikelen uit  
vorige nummers

over Het Beeldende Kunstjournaal

 

Rumoer in de stad
De schilders van tachtig

De tentoonstelling 'Rumoer in de stad' is een vervolg op de tentoonstelling over de Haagse school, die het Gemeentemuseum in 2015 organiseerde: 'Holland op zijn mooist'. De schilders van de Haagse school, onder anderen Jozef Israëls, de gebroeders Maris, Paul Gabriël, Anton Mauve, Hendrik Mesdag, trokken erop uit om de de schoonheid van het landschap en de zee vast te leggen. In deze tentoonstelling verlaten de Schilders van Tachtig hun ateliers om het straatleven in de moderne stad te vereeuwigen.

Door Peter van Dijk

Het eerste dat opvalt in de tentoonstelling 'Rumoer in de stad' is het sombere kleurgebruik van de schilders, met name van George Hendrik Breitner (1857-1923). Breitner hoorde bij de groep Schilders van Tachtig, die geregeld in de nieuwe gezellige grandcafé's van Amsterdam een biertje dronk met hun schrijvende geestverwanten, de Tachtigers, met onder meer de dichters Willem Kloos, Albert Verwey en Herman Gorter. Deze schilders en schrijvers voelden zich geïnspireerd door hun collega's in Parijs en ettelijken van hen hadden er gewoond, schilderles gevolgd of waren er op bezoek geweest.

Tijdens zijn verblijf in Parijs had Breitner in 1884 de lichte, heldere kleuren van de impressionisten kunnen bewonderen, maar terug in Nederland wilde hij weer de schilder van het volk zijn, een roeping die hij al voor zijn vertrek had ontdekt. Schilder van het volk betekende in die tijd van opkomende industrialisatie: schilder van de grauwheid van het volkse bestaan.

 
Isaac Israëls (1865-1934), 'Hoedenwinkel van Mars op de Nieuwendijk te Amsterdam', 1893, olieverf op doek, 64,5 x 69,5 cm. Groninger Museum.

En dat ellendige bestaan vroeg in zijn ogen om een somber kleurpalet: bruin, zwart, donker rood. Breitner zwierf met Vincent van Gogh door de volksbuurten van Den Haag op zoek naar schilderachtige taferelen. Hoe viezer, hoe mooier. Hij schreef aan zijn mecenas Van Stolk: "Ik zal de mensch schilderen op straat en in de huizen die ze gebouwd hebben. Le peintre du peuple zal ik trachten te worden, ben ik al omdat ik 't wil."

Breitner, Isaac Israëls, Jacob van Looy, Willem Witsen, Jan Veth, om de bekendste schilders van deze groep te noemen, voelden zich aangetrokken tot genoemde literaire groep van Tachtigers, omdat zij hartstocht en emotie als essentie van de kunst propageerden. Kunst werd niet gemaakt voor het welzijn van de gemeenschap, zoals hun vroeg-19de eeuwse voorgangers meenden, want een dergelijke opvatting leidde tot betutteling en zedenprekerij. Kunst was de 'allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie', zo luidde de samenvatting van hun visie door Willem Kloos. De schilder Eduard Karsen vulde hem aan: "Wie voor eer of geld werkt, is geen artiest." In deze romantische opvatting herkennen we de nieuwe geest die uit Parijs was geïmporteerd: 'l'art pour l'art'. De moderne kunstenaar is een zelfbewuste artiest, die zich onderscheidt door zijn talent en originaliteit en zich niets aantrekt van de burgerlijke levensstijl en moraal. Het is het ideaal dat de Franse dichter Charles Baudelaire meermalen beschreven en bezongen heeft en dat in de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw tenslotte ook het ideaal van de jeugd uit burgerlijke milieus werd.

Individu
In feite gaat het om een lange termijnontwikkeling, die al lang voor de Franse revolutie begon, maar pas vanaf 1789, het begin van de revolutie, werd de rigide standenmaatschappij daadwerkelijk gesloopt en daarmee werd het individu bevrijd van de dominantie van geboorte, landbezit en religieuze regels. De hele negentiende eeuw in Frankrijk stond in het licht van de zoektocht naar een passende maatschappelijke orde, dat is uiteindelijk de republiek geworden, en tegelijk de zoektocht van het individu naar zijn geëigende plaats in deze nieuwe orde. Plotseling lag veel voor iedereen open, je hoefde niet meer je maatschappelijke plaats te weten en de baan van je vader over te nemen, je mocht onderwijs volgen, ook meisjes, er viel veel geld te verdienen voor ondernemende geesten, kortom je mocht als individu ontdekken waar je talenten lagen.

Tegelijk met deze ontwikkeling kwam de industriële revolutie op gang, geïmporteerd uit Engeland, vergezeld van stuitende slavenarbeid in vuile fabrieken die rond de grote steden gebouwd werden. De boeren verlieten het platteland en trokken naar de stad op zoek naar werk. De Franse impressionisten pasten in deze ontwikkeling van de bevrijding van het individu. Ze gooiden het schilderen conform de strenge regels van de Academie overboord, stopten met het zo goed mogelijk weergeven van de werkelijkheid (bovendien zorgde op dat terrein de net ontdekte fotografie voor teveel concurrentie) en zochten naar een persoonlijke weergave van hun eigen indrukken.
George Hendrik Breitner (1857-1923), 'Gezicht op de Keizersgracht, hoek Reguliersgracht te Amsterdam', ca. 1895, olieverf op doek, 79 x 115 cm. Particuliere collectie.

Jaren later
In Nederland kunnen we dezelfde ontwikkelingen als in Frankrijk zien, alleen tientallen jaren later. De wegbereiders van de Schilders van Tachtig, dat waren de schilders van de Haagse school, Jozef Israëls, Anton Mauve, de gebroeders Jacob en Willem Maris, Paul Gabriël, Hendrik Mesdag, spiegelden zich aanvankelijk aan de Franse School van Barbizon, die als motto had: weg uit het atelier, schilder op de plek zelf het landschap en het boerenleven. Later lieten ze zich beïnvloeden door het spectaculaire gebruik van kleur en licht van de Franse impressionisten. Wat de tentoonstelling 'Rumoer in de stad' goed laat zien, is dat de groep van Tachtigers in de impressionistische stijl bleef schilderen en alleen maar van onderwerpkeuze veranderde, ze verruilde de boten op zee en het kalme polderlandschap van de Haagse School voor het jachtige leven in de stad. Haar aandacht ging uit naar de luxe en het plezier van de nieuwe moderne stad, maar ook naar de armoede, de ziektes, de misstanden, de sociale ongelijkheid.

Met deze belangstelling sloten ze goed aan bij de geest van de tijd, waarin arbeiders zich gingen organiseren en de politiek de kinderarbeid en sociale ongelijkheid ontdekte. Wat verder al snel opvalt is dat de Tachtigers de vrouw vooral zagen als een afgesloofd, beklagenswaardig wezen. Op het schilderij 'Een avond op de Dam, Amsterdam' geeft Breitner slenterende vrouwen gezichten groteske maskers, op 'De Spiegelbrug bij de Paleisstraat' schildert hij een vrouw als een spook, de 'Twee dienstboden' zien eruit als onnozele types en zijn 'Twee waspitten', de naam voor arbeidsters in een kaarsenfabriek, zien er, hoewel knap geschilderd, uit als deerniswekkende, schrikachtige wezens. De Tachtigers maakten, uit gedrevenheid om de deerniswekkende kanten van het stadsleven te documenteren, tekeningen en schilderijen van de vele soorten werkende vrouwen, die voor een schamele 9 cent per uur soms wel 36 uur achter elkaar uitgebuit werden. We zien ze op straat als ze zich naar huis slepen, in kantines, in hun werkruimtes. De meesten zien eruit als magere afgetobde vrouwen.

Politieke onrust
In de Tweede Kamer veroorzaakte dit nieuwe proletariaat onrust, de politici waren bevreesd dat de werkende vrouw haar taken als echtgenote zou verzaken. De onrust werd ook veroorzaakt door de sterk toenemende prostitutie, een verschijnsel dat door de snelle economische veranderingen en de trek naar de stad ook in Londen en Parijs bekend was. Veel vrouwen zagen geen andere oplossing om een schamele cent te verdienen en andere vrouwen die in fabrieken, naai-ateliers, winkels of als werkster werkten, probeerden wat bij te verdienen in de uitbundig elektrisch verlichte kroegen en danshuizen.

In de Kamer werd in het kader van een nieuwe prostitutiewet betoogd dat wanneer de jongemannen niet meer naar het bordeel mochten, de verloedering op straat zou toenemen. Op straat was al een 'parade van veile dames, afkomstig uit lagere klassen' te zien. Niet de vrouwen, maar de jongemannen werden in bescherming genomen. De heren politici en de heren Tachtigers, hoezeer die laatsten ook voorlopers waren, bleven kinderen van hun tijd. Charles Darwin publiceerde in 1871 het boek 'The descent of man', waarin hij argumenteerde dat de vrouw een lager wezen was dan de man. Zij was hysterisch en impulsief, ze liet zich leiden door haar instincten.

 
Isaac Israëls (1865-1934), 'Dienstmeisjes op de Leidsegracht', olieverf op doek, 60 x 81 cm. Groninger Museum.

Breitner maakte tussen 1886 en 1890 zeker 25 naakten. Sommige teksten bij de schilderijen geven als commentaar dat in de nieuwe stad ook ruimte voor verleidelijkheid ontstond, maar dat lijkt projectie van de auteur. De tentoongestelde naakte vrouwen zijn in mijn ogen vooral mager, lelijk, vaal van huid en niet bepaald aantrekkelijk. Breitner wilde vooral de slechte conditie van de vrouwenlichamen laten zien. Afgezien natuurlijk van Ceesje Kwak, de uitzondering op de regel, het model voor Breitner's beroemde 'Meisje in kimono'. Alle dertien versies van dit meisje in rode en witte kimono waren begin dit jaar in het Rijksmuseum voor het eerst bijeengebracht. In de rode kimono verdwijnt zij geheel in de opspringende rode kleurpracht en inderdaad, op het doek met de witte kimono valt wulpsheid te bespeuren. Maar op deze expositie is alleen een rode versie te zien.

Overaanbod
Het lijkt misschien alsof ik de tentoonstelling in Den Haag met tegenzin heb bezocht. Hoewel de laatste jaren herhaaldelijk tentoonstellingen zijn gemaakt rond het werk van Israëls en Breitner en van een overaanbod gesproken mag worden, is het tegendeel waar. Ik constateer alleen wat me onmiddellijk opviel, me realiserend dat mijn kijkersblik eerder geoefend is door bijvoorbeeld de romantiek, prae-rafaëlieten en impressionisten dan door de sociaal-realisten. Op de tentoonstelling is veel bekend werk bijeengebracht, bijvoorbeeld de beroemde fleurige 'Tuin' van het dubbeltalent van de beweging, de schrijver en schilder Jacobus van Looy. Verder de verstilde 'Amsterdamse pakhuizen' en 'Jodenhouttuinen' van Willem Witsen, tekeningen van Vincent van Gogh, het prachtige 'Portret van Albert Verwey' door Jan Veth en een mooie impressie van de 'Slatuintjes bij Den Haag' door Jakob Maris.

Wat de tentoonstelling aantrekkelijk maakt, is de gevarieerde invalshoek die de kijker geboden wordt, met schilderijen, tekeningen, foto's, boeken, plattegronden van het opbloeiende stadsleven aan het eind van de 19de eeuw, met zijn vuiligheid, maar ook met zijn nieuwigheden als danszalen, elektrisch licht en

winkels met weelderige etalages. Verder ook bouwplaatsen, verstilde grachten, kijvende vrouwen, flanerende dames. Zij geeft een genuanceerd beeld van de opkomende moderne stad. Ook tot nu toe onbekend werk maakt de tentoonstelling interessant. Isaac Israëls, die graag door Amsterdam zwierf, legde met snelle tekeningen het stadsleven in 92 schetsboekjes vast. Deze boekjes bleven opgeborgen in de kelders van Gemeentemuseum, omdat ze te kwetsbaar waren om tentoongesteld te worden. Voor het eerst kan het publiek ze nu dankzij de digitalisering met een Ipad inzien. Ook in de mooi opgezette catalogus zijn enkele bladzijden uit de boekjes afgedrukt.

Jacobus van Looy (1855-1930), 'De tuin', 1893, olieverf op doek, 93 x 137 cm. Teylers Museum.

Fotograaf van het volk
Breitner zwierf eveneens door Amsterdam, hij legde als een bezeten fotojournalist zijn observaties vast op de gevoelige plaat. Hij nam duizenden foto's, waarvan een klein aantal leidde tot schilderijen. Hij fotografeerde losjes, wachtte niet op een mooie lichtval of de perfecte compositie. Het zijn charmante snapshots, vaak scheef en over- of onderbelicht, uit het volle straatleven: dienstmeisjes, arbeiders, waspitten, wandelaars, karren, kapotte huizen, de paardentram. Daarnaast zijn er volop boeken van de Tachtigers en geschilderde portretten gebruikt om de breedte van de nieuwe tijd te tonen. De dichter Misha Andriessen mocht zich als 'schrijver in de residentie', een project van het Gemeentemuseum, laten inspireren door het werk van de tachtigers. Zijn gedichten hangen als literair commentaar in alle zalen. Kortom, een instructieve kunsttentoonstelling over de omslag van platteland naar moderne stad en de pijn die dat veroorzaakte.

Rumoer in de stad, de schilders van tachtig, t/m 5 november 2017, Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, 2517 HV Den Haag. Website: www.gemeentemuseum.nl/rumoer-de-stad.

Peter van Dijk is journalist.

Terug naar boven | Print dit artikel!

Verder in dit nummer:
Actueel

Hildo Krop
een profiel van zijn kunstenaarschap, door Wim Adema

Haiku 1 van Ria Giskes

DOCUMENTA 14 Kassel/ Athene 2017, terugblik door Alix E. Nieuwenhuis en Joke M. Schrama

Haiku 2 van Ria Giskes

Olga Rozanova
The mother of abstract expressionism, door Wim Adema

Kunstflitsen,
kunsttips voor lezers

 

Achtergrond

De symbiose tussen hoofd en hand,
d
oor Han de Kluijver

Museumpeil,
vakblad voor museummedewerkers
in Vlaanderen en Nederland,

door Wim Adema

 

Agenda
actuele exposities in Nederland en België

Uitgelicht
opmerkelijke
kunstberichten

Archief
vorige nummers

Colofon
over Het Beeldende Kunstjournaal

 

Nieuwsbrief
Verschijnt als er een nieuw nummer uit is.
Aanmelden kan door
een e-mail te sturen.

Facebook
Bezoek Het Beeldende Kunstjournaal op Facebook! Wordt fan!

Oproep
Vrijwiligers gezocht!