Nov. 2017 - febr. 2018, 12e jg. nr.5/13e jg. nr.1. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 
VOORKANT ACTUEEL ACHTERGROND AGENDA UITGELICHT ARCHIEF COLOFON 
voorpagina
artikel
recensies van tentoonstellingen

over kunst en
kunstenaars

actuele exposities
Nederland België
opmerkelijke
kunstberichten
artikelen uit  
vorige nummers

over Het Beeldende Kunstjournaal

 

Nederlanders in Parijs

De schilders op vier tentoonstellingen (Nederlanders in Parijs, Van Gogh Museum en Museum Mesdag; Jongkind & zijn vrienden, Dordrechts Museum en Matthijs Maris, Rijksmuseum) hebben de liefde voor het landschap gemeen en/of een verblijf met of zonder opleiding in Parijs. De school van Barbizon, die veel landschapschilders in de 19de eeuw inspireerde, is hierbij niet weg te denken.

Door Peter van Dijk

Wie zich in Jongkind, die ook in het Van Gogh en Museum Mesdag figureerde, wil verdiepen, kan nog altijd naar Dordrecht gaan. Het Dordrechts Museum heeft ter gelegenheid van het 175-jarige bestaan een rijke en charmante tentoonstelling over deze sleutelfiguur van de moderne schilderkunst georganiseerd.

Allereerst een amusante anekdote. Conservator Gerrit Willems vroeg voor deze tentoonstelling om een bruikleen aan het Flehite Museum in Amersfoort.

 
Johan Barthold Jongkind, 'Le port de Dordrecht', 1869, Dordrechts Museum, schenking Bedrijfsvrienden Dordrechts Museum 2017.

Het antwoord was nogal verrassend: “Nee, want het betreffende doek, 'Le port de Dordrecht' uit 1869, wordt volgende maand bij Christie’s geveild.” De viering van het 175-jarig bestaan van het museum was volgens Willems wel een gokje waard en hij besloot in Londen te laten bieden op de Jongkind. En het lukte. Voor 55.000 euro is 'Le port' nu de blikvanger op de tentoonstelling die gewijd is aan Jongkind. Deze is rijk aan informatie. Video, teksten, fotomateriaal, tekeningen, schilderijen van collega’s van Jongkind, het hele arsenaal wordt ingezet om de bezoeker duidelijk te maken hoe belangrijk Jongkind’s werk was en wat voor man hij was. In die opzet is het museum overtuigend geslaagd.

In het kort: Jongkind was bij tijd en wijle een zwaarmoedige alcoholist, die tekende en schilderde wat hem voor de neus kwam, met een voor die tijd zeer losse en vrije techniek, waardoor zijn werk lichtvoetig is en de beschouwer vrolijk en tevreden gestemd wordt. Jongkind groeide op onder de rook van Rotterdam en bezocht de tekenschool in Den Haag. Hij nam schilderlessen bij de bekende landschapschilder Andreas Schelfhout.

Eugène Isabey
Jongkinds Franse schilderscarrière begon bij het ruiterstandbeeld van Willem de Zwijger, dat besteld was door koning Willem II. Bij gebrek aan Nederlandse beeldhouwers was dit beeld gemaakt door graaf Émilien de Nieuwerkerke, een Fransman, bastaard van een Oranje-prins en de minnaar van Mathilde Napoléon, de machtige kunstvorstin van Frankrijk. Het beeld werd onthuld op 17 november 1843 voor het Paleis Noordeinde. Op verzoek van de koning werd de graaf vergezeld door enige kunstenaars om de feestelijkheden wat Franse allure te geven. Een van hen was Eugène Isabey, een schilder die bewonderd werd om zijn vlotte schilderingen van Normandische kusten. Isabey runde een groot atelier voor zijn vele opdrachten en kon wel een leerling gebruiken. Hij informeerde bij Schelfhout of die een jong talent wist. Dat kende de Hollandse meester wel: Jongkind. Van de koning kreeg Jongkind een beurs voor Parijs toegekend. Het klikte onmiddellijk tussen Isabey en Jongkind, ze werden levenslange vrienden.

Het aardige van de Jongkind-tentoonstelling is dat voortdurend belangrijke gebeurtenissen in het leven van de schilder omstandig gedocumenteerd worden: voor deze gelegenheid een kleine kopie van het ruiterstandbeeld, een schilderij van Félix Cottrau van de onthulling, het document van de beurs van de koning, een aantal werken van Isabey, mooie schilderijen van zijn leermeester Schelfhout en de wandelstok en schilderdoos van de meester.

Jongkind, die een talent voor vriendschappen had, maakte in Parijs kennis met de schilders van Barbizon, onder andere Diaz de la Pena en Troyon, maar hij had geen zin in een bezoek aan de beroemde herberg Père Ganne. Hij vergezelde liever zijn leermeester Isabey naar de vissersdorpen aan de steile Normandische kust. Twee schilderijen uit deze regio leverden Jongkind een medaille derde klasse van de officiële staatssalon op. Schilderijen en medaille zijn te zien in Dordrecht. Die eervolle toekenning vormde het begin van een succesvolle loopbaan in Frankrijk

Cercle Mogador
Jongkind werd lid van de vriendenclub Cercle Mogador, kunstenaars die hun werk via Pierre-Fermin Martin in de rue Mogador verkochten en elkaar in café’s in de buurt troffen. Leden waren Corot, Millet, Daubigny, Cals, Troyon en Théodore Rousseau. Vooral Adolphe-Félix Cals zou een dierbare vriend blijken te zijn.

Toen Jongkind geheel in de put zat, teveel dronk en vanwege schulden en uit schaamte een paar jaar uitweek naar Nederland, organiseerde Cals samen met de kunsthandelaar Martin veilingverkopen van werk van Jongkind en daarna van zijn vrienden, waaronder Corot, Daubigny, Isabey, Nadar, Rousseau. Hij betaalde Jongkinds schulden en haalde de depressieve schilder op in Dordrecht.

Van Cals, ook een wegbereider van het impressionisme, hangt een aantal mooie werken op de tentoonstelling. Eenmaal terug in Parijs fleurde Jongkind helemaal op. Hij trof een getrouwde tekenlerares, Joséphine Fesser-Borrhée, op wie hij verliefd werd en zij op hem. Zij bracht stabiliteit in zijn leven en week niet meer van zijn zijde. Jongkind’s bloeiperiode kon beginnen.

Gustave Courbet, 'Rivage près de Honfleur', 1866. Musée Eugène Boudin, Honfleur. Foto: Henri Brauner.

Honfleur
Hij reisde met zijn geliefde naar Le Havre en tekende en schilderde de kusten van Normandië. Ook Joséphine tekende niet onverdienstelijk tijdens hun reizen. Jongkind verbleef zomers het liefst in Honfleur, waar hij in de herberg Saint-Siméon geregeld bevriende kunstenaars ontmoette: Gustave Monet, Eugène Louis Boudin, collega-schilder van strandgezichten, Gustave Courbet, Cals en de dichter Charles Baudelaire, wiens moeder in Honfleur woonde. Van Courbet hangt een prachtig strandgezicht bij Honfleur in het Dordts Museum, afkomstig uit het Musée Eugène Boudin in die strandplaats.

Jongkind zwierf, als de spreekwoordelijke flaneur van Baudelaire, graag door Parijs, dat door de bouwactiviteiten van baron Haussmann ingrijpend veranderde. Hij tekende de afbraak en opbouw ter plaatse en werkte zijn schetsen uit in zijn atelier. Hij schilderde het drukke verkeer met koetsen, omnibussen en flanerende bezoekers langs de Seine. Edmond de Goncourt was vol lof over deze impressies van Parijs: “Hij toont ons schetsen van de straten van Parijs (..) waar de betovering van het grijs en het vlekkige pleisterwerk van Parijs is betrapt door een tovenaar in de straling van een vochtige atmosfeer.”

Ook reisde hij samen met Joséphine naar zijn geboorteland en schetste en schilderde schitterende havengezichten in Rotterdam en Dordrecht. Fameus is zijn stadsgezicht 'Rotterdam' uit 1873, waarin een zon, die door de wolken breekt, een vuur van licht over een gracht giet. Ook maakte hij ettelijke maannachten in Overschie, Delft en Delfshaven, die goed verkochten in Parijs. In deze schilderijen wordt duidelijk waarom Jongkind werd geprezen als de voorloper van het impressionisme. Manet noemde hem 'De vader van de school van landschapsschilders'. Monet zei over hem: “Hij nodigde mij uit met hem te komen werken (..). Vanaf dat moment werd hij mijn ware leermeester. Aan hem heb ik de definitieve vorming van mijn manier van kijken te danken.” Paul Signac noemde Jongkind 'De briljante voorloper van de impressionisten'.

Uitverkoren
Op de grote expositie 'Nederlanders in Parijs', die tot 7 januari 2018 te zien was in het Van Gogh Museum, hing ook een achttal werken van Jongkind, de schilder die in deze expositie model moest staan voor het type dat via de kroeg zijn vriendenkring creëert.

Het is mij onduidelijk gebleven waarom slechts negen schilders, waaronder dus Jongkind, uitverkoren waren om te figureren. Op basis van het criterium -werken, leren en wonen in Parijs- kwamen honderden schilders uit meerdere eeuwen in aanmerking voor deze expositie. De keuze voor de veelomvattende titel en de kleine oogst aan schilders werd tijdens de tentoonstelling niet duidelijk, maar wordt pas toegelicht in de rijke catalogus, vol informatie. Het idee voor deze expositie begon met schilders uit de 19de eeuw, maar dat uitgangspunt is tijdens de realisatie blijkbaar schoorvoetend verruimd.

In de catalogus staan typeringen van deze uitverkoren negen schilders en daaruit valt hun selectie te beredeneren (pag. 28). Het ruikt een beetje naar een rationalisatie achteraf. Ieder voor zich van deze negen vertegenwoordigde, zo begrijp ik, een specifieke 'landing' in de Franse samenleving. In de opzet van het Van Gogh Museum mocht Jongkind natuurlijk niet ontbreken, omdat hij vanwege zijn vrije techniek in Parijs geëerd wordt als de vader van het Franse impressionisme. Zo’n gigant kan je als Van Gogh Museum natuurlijk niet uit je overzicht weglaten. Temeer daar Jongkind blijkbaar het type 'vriendenmaker' in de kroeg moest vertegenwoordigen.

Maar waarom werd Gerard van Spaendonck uitgekozen, een kunstenaar uit de achttiende eeuw, die werkte op het snijvlak van wetenschap en kunst? Zijn gehele professionele leven woonde hij inderdaad in Parijs en oefende als vak het opleiden van plantkundigen tot botanische tekenaars uit, aan de Parijse hogeschool Jardin des Plantes. Hij werd aangenomen als schilder van miniaturen door Lodewijk XVI. Dat hield in: het beschilderen van kleine portretten, serviezen, medaillons en tafelklokken. Van Spaendonck werd geaccepteerd als lid van de prestigieuze Académie des Beaux Arts, een eer die slechts één andere Nederlander met hem deelde: Ary Scheffer. Van Spaendonck werd zelfs bestuurder van de Académie en verkeerde dus in de hoogste krijgen. Hij mag als Franse kunstbobo gelden, dus als een sociaal zeer geslaagde immigrant.

Vanwege de geestdrift voor de opkomst van de natuurwetenschappen, was het tekenen of schilderen van bloemen en planten in de 18de eeuw een wetenschappelijke karwei, een illustratie bij verhandelingen. Hoewel de vakman Van Spaendonck misschien eerder als zo’n wetenschappelijke illustrator getypeerd kan worden dan als kunstenaar, hebben zijn weelderig gecomponeerde bloemstillevens artistieke kwaliteit. Hij was daarom een verrassende keuze voor de tentoonstelling 'Nederlanders in Parijs'.

Ary Scheffer, die nog net in de 18de eeuw (1795) geboren werd, is wat betreft zijn sociale status gelijk aan die van Spaendonck, hofschilder, society schilder, stimulator van jonge schilders. Maar Scheffer leek geselecteerd te zijn voor de tentoonstelling vanwege zijn protesten tegen de werkwijze van de Salon-jury. Overigens valt in zijn werk geen opstandigheid of protest terug te vinden. Hij schilderde vooral gladde klassieke historische werken, maar hij moest dan ook een vorst, Louis-Philippe van Orléans, behagen. Scheffer was een geboren Nederlander, maar de Fransen noemen hem een Franse schilder. Vanwege zijn onderwerpkeuze valt die annexatie te begrijpen. Ons boeit Scheffer minder.

 
Johan Barthold Jongkind, 'Boulevard de Port-Royal', 1874, doek. C. Paulus van Pauwvliet, Amsterdam.

Alternatief
Een goede keuze in plaats van Scheffer zou bijvoorbeeld August Allebé (1938-1927) zijn geweest, een echte Hollander, opgeleid aan de École des Beaux-Arts in Parijs. Als schilder geldt hij als de voortrekker van het Amsterdamse impressionisme. Hij werd bekend als hoogleraar op de Amsterdamse Kunstacademie en opleider van vele kunstenaars van naam zoals Mondriaan, Witsen, Israëls, Leo Gestel, Kees Maks. Dus waarom hij niet? Kees van Dongen heeft weleens een baggerboot geschilderd, maar is toch vooral geselecteerd als een schilder van het mondaine Parijse stadsleven. Hij verhuisde pas in 1895 naar Parijs en staat bekend als een moderne schilder uit de twintigste eeuw. Dus waarom niet Jan Sluijters genomen?

Piet Mondriaan werd weliswaar in de 19de eeuw geboren (1872), maar ging nog later, in 1911, naar Parijs. Hij ontwikkelde zich in die stad onder invloed van het kubisme van een realistische schilder van bomen tot een beginnend schilder van abstracte werken. Pas na de Eerste Wereldoorlog komt zijn abstracte kunst tot volle wasdom. Dus hij hing blijkbaar als sluitstuk van de 19de eeuw op de tentoonstelling. Een wonderlijke rol voor een schilder die we vooral kennen als een typische modernist uit de 20ste eeuw. Voor wie de expositie zonder catalogus volgde, was het thema 'Nederlanders in Parijs' als criterium te ruim en onbevredigend. De keuze van de exposanten is onduidelijk, met als resultaat een gevoel van verwarring, doordat er teveel ongelijksoortig werk geëxposeerd werd.

Samenhang
Het aantrekkelijke van de expositie 'Nederlanders in Parijs' was overigens wel dat de schilderijen van de negen uitverkorenen getoond werden in samenhang met werk van tijdgenoten. We konden de schitterende bloemstukken van Van Spaendonck vergelijken met bloemenstillevens van Pancrace Bessa, Jan Frans van Dael en Henriette Knip (die overigens een halve eeuw later zijn gemaakt). Al deze kunstenaars schilderden hun bloemen levensecht, als botanisten, plant en dier werden in de 18de eeuw natuurgetrouw weergegeven.

Dat kunstbobo’s in Frankrijk er goed van leefden, laat een doek zien van de hand van Philip van Bree, die het atelier van de Vlaamse schilder Jan Frans van Dael heeft vastgelegd. Van Dael had een prachtig huis in de Sorbonne, met een tuin voor zijn bloemen. Zijn atelier was, zo geschat, acht meter hoog, met grote boogramen, gedempt licht, veel vazen en bloemen. In de studio staan of zitten welgeteld elf jonge vrouwen, sommige met potlood, aanwijsstok, kwast of ze lezen of kijken rond. Evenals zijn leermeester Van Spaendonck gaf de Vlaamse schilder tekenles. Bloemen tekenen was in de achttiende eeuw een geliefde hobby van sjieke dames. Ook Van Dael was in dienst van het Franse hof. Van Spaendonck leefde in soortgelijke omstandigheden, ook hij gaf welgestelde dames les, maar dan op zijn werkadres in de Jardin des Plantes. Hij had zijn atelier in het Louvre.

Landleven
Behalve genoemde Van Spaendonck, Scheffer, Mondriaan en Van Dongen waren de anderen typische 19de-eeuwse schilders, die gegrepen werden door de eenvoud, ongereptheid en schoonheid van het landleven: Johan Barthold Jongkind dus, de gebroeders Jacob, Matthijs en Willem Maris, Frederik Hendrik Kaemmerer, Georg Hendrik Breitner, Vincent van Gogh.

Verrassend was de kennismaking met de min of meer vergeten schilder Kaemmerer. Deze was hard op weg een bekend lid van de Haagse school te worden, toen hij werd gescout door de kunsthandelaar Goupil. Samen met Jacob Maris trok hij naar Parijs en werd toegelaten tot de bijna heilige kunstopleiding Académie des Beaux Arts. Daar werd hij door Jéan Léon Gérôme opgeleid tot een ware ‘academicien’, een schilder van historische werken en portretten van aantrekkelijke dames gekleed in jurken van overdadig zijde, die vooral in Amerika goed verkocht werden door Goupil. Kaemmerer werd toegelaten tot de tentoonstelling, omdat hij gezien kan worden als een product van de kunsthandel.

Overigens een zeer succesvol product. Dat viel wel op te maken uit het schilderij dat Coen Metzelaar, een andere Parijsganger, van zijn atelier maakte. Hoge plafonds, koperen kroonluchter, zware gordijnen, parket, de werkplek ademt luxe. Kaemmerer maakte om artistiek fris te blijven, reizen door Europa. Zo schilderde hij samen met zijn vriend Anton Mauve in Scheveningen strandgezichten, maar zijn dames en luchten zijn wat gemakzuchtiger dan de impressies van Mauve, die vol schwung en sfeer zitten.

Bijvangst

Ook de ‘bijvangst’ op deze expositie, zoals Johan Hendrik Weissenbruch, Georgius J.J. van Osch, Charles Rochussen, Anton Mauve, Willem Bastiaan Tholen, Willem Roelofs, Martinus Kuytenbrouwer, Willem Witsen, Jozef Israëls en vele anderen, trok opgewekt de natuur in en leerde nieuwe technieken en manieren van kijken in Parijs.

Het alledaagse landschap met de hardwerkende bevolking was in Frankrijk rond het midden van de 19de eeuw uitgegroeid tot het belangrijkste onderwerp van de moderne schilders. Franse critici spraken van een ommekeer in de kunst. De regels van de Académie des Beaux Arts en de verplichte onderwerpen werden opzijgeschoven en het vrije schilderen naar eigen inzicht won terrein.

Johan Barthold Jongkind, 'Une rue à Delft, le soir', 1868. Musée des Beaux-Arts de la Ville de Paris, Petit Palais. Foto: c. Petit Palais/ Roger-Violet.

Deze cultuuromslag was veroorzaakt door de opkomende industrialisering en mechanisering, die vervuiling, lawaai, ergernis, vervreemding, maar ook mobiliteit en individualisme teweegbrachten. Aartsvaders van deze modernisering van de schilderkunst waren de Franse kunstenaars Camille Corot, Jean-François Millet en Théodore Rousseau, die in de landerijen en bossen rond het dorpje Barbizon hun inspiratie vonden. Ook Nederlandse kunstenaars ontdekten de nieuwe thema’s en reisden deze aartsvaders achterna. Sommigen, zoals Kuytenbrouwer, waren zo onder de indruk van de landschappelijke pracht, dat ze zich er eveneens vestigden.

Museum Mesdag
Het effect van Barbizon op Nederlandse kunstenaars was zowel in Amsterdam als in Den Haag te bekijken. Het best en rustigst lukte dat op een compacte tentoonstelling in Museum Mesdag in Den Haag. Hendrik Willem Mesdag, miljonair, schilder en verzamelaar, kocht meer dan 200 werken uit die periode. Maar ook uit andere collecties waren schilderijen naar Den Haag gehaald, zoals het ontroerende 'Zittende meisje' van Jacob Maris, in grijze harmonische tinten op het doek gezet.

Leerzaam was het 'Gezicht op Montigny', van Charles-François Daubigny, dat uit Schotland over was gekomen en naast eenzelfde voorstelling van Jacob Maris hing. Zowel de Fransman als de Nederlander bezochten dit verstilde rivierdorpje ten oosten van Fontainebleau. Maris liet zich duidelijk inspireren door Daubigny. Het schilderij van Maris is wat gladder, sneller op het doek gezet en daardoor wat gestileerder dan het werk van Daubigny, dat wat nonchalanter oogt. Jacob Maris is een mooi voorbeeld van een schilder, die na een paar bezoeken aan Barbizon besloot om zich in Parijs te vestigen, gewoon om meer te leren van zijn Franse collega’s. Hij reisde samen met zijn vriend Hendrik Kaemmerer naar Parijs en schreef zich in bij de school van Ernest Hébert. Barbizon, met de vele collega’s die daar verbleven, bleef hem trekken. Een paar jaar later reisden Maris en Kaemmerer met hun nieuwe vriend David Artz gezamenlijk naar Fontainebleau.

Uit een brief van Maris blijkt dat het een prettige reis was: “Ik heb er menige studie gemaakt, maar nog meer plijzier gehad. Er waren over de dertig artiesten en studenten uit Parijs (…) we gingen des nachts op stekelvarkensjacht en maakten in eene grot groot vuur van takkenbosschen op de rug verzameld.” (Catalogus, p. 123). Met zijn kennis en invloeden opgedaan in Parijs, ontwikkelde Jacob Maris zich tot een toonaangevende landschapschilder in Nederland, een moderne erfgenaam van zeventiende eeuwse geweldenaars als Jacob van Ruysdael en Jan van Goyen.

Matthijs Maris
De laatste aan de Haagse school gelinkte tentoonstelling was gewijd aan Matthijs Maris in het Rijksmuseum, de middelste broer van Jacob en Willem. Matthijs hield van de natuur, hij begon zijn loopbaan veelbelovend als lid van de Haagse School, net als zijn broers en woonde bijna tien jaar in Parijs, voor een deel bij zijn broer Jacob. Hij had dus ook bij de 'Nederlanders in Parijs' in het Van Gogh kunnen hangen.

2017 was het honderdste sterfjaar van Matthijs, reden voor het Rijksmuseum in Amsterdam om een grote overzichtstentoonstelling aan deze schilder te wijden, die in zijn eigen tijd een cultfiguur was. Vincent van Gogh schreef over hem: “Hij is niet slechts een talent, hij is een genie.” Geholpen door de tijdelijk sluiting van het museum The Burrell Collection in Glasgow, - William Burrell was een groot verzamelaar van Maris -, kon het Rijksmuseum een uitgebreid overzicht van zijn werk samenstellen (75 tekeningen, etsen en schilderijen). De ontwikkeling van Matthijs werd overtuigend geëxposeerd. Dat was overigens niet erg lastig. Zijn ontwikkelingslijn ging in hoog tempo van realisme naar mistige spiritualiteit.

De vroege Matthijs schilderde met verve bosgrond, realistische schaapskoppen, geitjes en boomwortels. Daarna maakte hij een tijd lang zoetsappige tafereeltjes met een middeleeuwse sfeer, dromerige meisjes in spinrokken en tenslotte raakte hij steeds meer geboeid door ideeën, gevoelens en dromen. Hij wilde niet meer het uiterlijk, maar het innerlijk op het doek toveren. Hij reisde in 1860 met zijn broer Jacob langs de Rijn tot in Zwitserland en via Frankrijk weer terug. In Duitsland ontdekte hij de wat kitscherige Duitse romantiek.

Vrijwilliger

In 1869 vertrok Matthijs naar zijn broer Jacob in Parijs, omdat er in Nederland weinig werk uit zijn handen kwam. Hij voelde zich in Parijs op zijn gemak, maar kreeg ook steeds meer de pest aan opdrachten van kunsthandelaren die hem niet bevielen, maar wel geld opleverden.

Uit dankbaarheid voor de Franse gastvrijheid meldde hij zich aan het begin van de Frans-Duitse oorlog van 1870 als vrijwilliger in het Franse leger aan. Hij moest vooral wachtlopen, meestal in te dunne kledij.

 
Charles François Daubigny, 'Bords de la rivière L'oise', 1864, particuliere collectie.

In 1874 schilderde hij 'Vlinders', een liggende jonge vrouw, met een weelderige bos rode haren, een rode en een gele vlinder boven haar hoofd, waarmee hij zijn reputatie herbevestigde. Overigens lijkt dit werk sterk geïnspireerd door de beroemde 'Ophelia' (1852) van de prerafaëliet John Everett Millais, die ook ligt, maar dan in moeraswater, in een zorgvuldig geborduurde jurk, geen vlinders maar witte bloemen op de wallenkant. Ophelia ligt naar links, het meisje van Maris naar rechts. Na negen jaar Parijs liet Matthijs zich, notabene door een kunsthandelaar, Daniel Cottier, verleiden om naar Londen te verhuizen. Cottier wilde snel en goed geld verdienen met Matthijs Maris, maar die aanpak stond de schilder tegen. Overigens deed hij er wel tien jaar over om het contact met zijn kunsthandelaar te verbreken.

Matthijs Maris ploeterde jaren op het ontdekken van technieken om zijn werk een bewasemd toverachtig uiterlijk te geven. Hij schuurde eindeloos met puimsteen op verflagen om vervolgens nieuwe lagen aan te brengen. Altijd in donkere, herfstige kleuren. In de verf schilderde hij nauwelijks zichtbare personen. Het 'Vrouwenhoofd', waar Maris twaalf jaar aan werkte en dat de koper niet aan het publiek mocht tonen, leek meer op een meisje dan op een vrouw. In de bruine nevel was slecht te zien wat of wie het portret voorstelt. Laat staan welke emotie, droom of diepere gedachte hier uitgedrukt wordt. Spiritualiteit blijft duister in de nevel.

'Jongkind & zijn vrienden' is nog te zien t/m 27 mei 2018 in het Dordrechts Museum.

  • 'Nederlanders in Parijs, 1789-1914' was van 13 oktober 2017 t/m 7 januari 2018 te zien in het Van Gogh Museum, Amsterdam.
  • 'Nederlanders in Barbizon' was van 27 oktober 2017 t/m 7 januari 2018 te zien in het Museum Mesdag, Den Haag.
  • 'Matthijs Maris' was van 6 oktober 2017 t/m 7 januari 2018 te zien in het Rijksmuseum, Amsterdam.

Peter van Dijk is journalist.

Terug naar boven | Print dit artikel! | LEES MEER ARTIKELEN OP DE PAGINA ACTUEEL

Verder in dit nummer:
Actueel

Kunst in de bunker: Sammlung Boros Berlijn, door Yves JORIS

HET VLOT
Kunst is (niet) eenzaam, door Joke M. Nieuwenhuis Schrama

Haiku 1 van Ria Giskes

André Kerstész
'Mirroring Life',

door Wim Adema

Zonder risico, geen innovatie,
door Han de Kluijver

Haiku 2 van Ria Giskes

Ter herinnering aan Khadija Saye,
door Wim Adema

Kunstflitsen,
kunsttips voor lezers

 

Achtergrond

Schatten uit het Wrak van het Ongelooflijke
Damien Hirst, een kunstenaar die het
toeval regisseert
,
door Han de Kluijver

Sonia Lewitska
-kunstenaar met poëtische zeggingskracht-door Wim Adema

Leonora Carrington
-de vergeten surrealist-, d
oor Wim Adema

 

Agenda
actuele exposities in Nederland en België

Uitgelicht
opmerkelijke
kunstberichten

Archief
vorige nummers

Colofon
over Het Beeldende Kunstjournaal

 

Nieuwsbrief
Verschijnt als er een nieuw nummer uit is.
Aanmelden kan door
een e-mail te sturen.

Facebook
Bezoek Het Beeldende Kunstjournaal op Facebook! Wordt fan!

Oproep
Vrijwiligers gezocht!