Mrt. - mei 2018, 13e jg. nr.2. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 

Natuur en Kunst

'De serene blik' is een tentoonstelling met werk van vier realisten: Floris Verster, Jan Mankes, Dick Ket en Henk Helmantel, in Museum More in Gorssel. 'De mecenas en de verversbaas' belicht de relatie tussen mecenas Helene Kröller-Müller en de schilder Bart van der Leck, in het Kröller-Müller Museum in Otterlo. In beide musea lopen natuur, kunst en architectuur vloeiend in elkaar over.

Door Peter van Dijk

Door een beeldentuin wandelen op een zonnige lentedag, zal een andere en heviger kunstervaring opleveren dan een bezoek aan de licht-mijdende zalen van het Centraal Museum in Utrecht of het Rijks in Amsterdam op eenzelfde zonovergoten dag. Zon maakt vrolijk, prikkelt de zinnen, dat is bekend. Museumzalen die overlopen in de zonnige natuur zijn opwekkend en rustgevend. In de geest van Paul Cézanne, 'Kunst, een harmonie parallel aan de natuur', zien we steeds meer musea ontstaan die zich verbinden met de natuur. De trendsetter van het museum dat aan aantrekkingskracht wint door de openlucht, was Insel Hombroich, ten zuiden van Düsseldorf, geopend in 1987.

In Nederland is Museum MORE | Kasteel Ruurlo de jongste aanwinst op dit gebied, de thuisbasis van de schilder Carel Willink (open sinds juni 2017). Daarvoor al, opende het schitterende Voorlinden in Wassenaar (september 2016) de deuren. Tot deze categorie behoren ook Beelden aan Zee in de Scheveningse duinen, Kröller-Müller op de Hoge Veluwe en het Nationaal Militair Museum in Soesterberg. Museum De Buitenplaats bij Groningen wil expliciet natuur, kunst en architectuur verbinden.

De vele musea, die in de 19de eeuw hun poorten openden, waren statige tempels van kennis, inzicht en esthetiek. Tot aan de Tweede Wereldoorlog bleef dit type sacraal monument het middel om mensen kunstwerken te tonen en tot introspectie te laten komen. Pas na de oorlog werd geëxperimenteerd met contact met een groter publiek en de kunstenaars zelf. Het inspirerende voorbeeld was het Centre Pompidou in Parijs. Een tweede trend was het recyclen van fabrieksgebouwen tot musea, meestal voor moderne kunst. Tate Modern heeft voor Europeanen de naam de iconische voorloper te zijn, maar het ontstond een jaar nadat het Massachusetts Museum Of Contemporary Art in North Adams (USA) de trend zette, door een van de grootste fabriekscomplexen in Amerika te verbouwen tot kunsthal (geopend in 1999).

Totaalervaring
Als laatste trend kunnen we constateren dat museumbezoek steeds meer een 'totaalervaring' wordt: kunst, architectonische hoogstandjes, lunchen en wandelen in parken en bossen. Het zijn vooral de 60-plussers die deze trend aandrijven. Museum More, sinds juni 2015 open, ligt midden in het dorp Gorssel en heeft weliswaar geen park, zoals het zustermuseum in Ruurlo, maar wel een slimme website, met een rubriekje 'Dagje uit'. Via de gemeentelijke site worden vele prettige wandelingen en fietstochten aanbevolen.

Ik volgde op een zonnige winterdag een van de tips, de wandeling langs het stroompje de Dommerbeek. De geest kwam tot rust in de zon, langs het kabbelende water en onder de mooie beuken van Gorssel. Klaar voor de kunst. En die was een verrassing. Het mooie Museum More heeft uit eigen en vele andere collecties vier Nederlandse realisten bij elkaar gebracht, Floris Verster, Jan Mankes, Dirk Ket en Henk Helmantel, onder de titel 'De serene blik'. Een goedgevonden, verbindende titel. Sereniteit is terug te vinden in het werk van alle vier schilders. De de enige nog levende schilder van het viertal is Henk Helmantel, die goed verkoopt.

Helmantel, inmiddels 74, is een sober mens, gedisciplineerd door het boerenleven en het gereformeerde geloof. Hij concentreert zich op stillevens en kerkinterieurs. Het kenmerk van zijn werk is licht, de vleiende lichtval. Een criticus noemde hem de meester van het devote licht. "Het is roerloos, het spat niet (..), het is licht van een hogere tijdloze orde." Dat is mooi getypeerd en geheel in de geest van Helmantel, die zelf zegt dat licht het grootste geschenk is dat de schilderkunst van de Schepper heeft ontvangen. Helmantel schildert stillevens in de traditie van de 17de-eeuwse genreschilders, maar veel ingetogener, alledaagser. Door de eenvoud wint zijn werk aan intensiteit, een intensiteit die weer verdiept wordt door perfecte belichting en doorleefde sobere kleuren.

Vanwege zijn voorkeur voor eenvoudige voorwerpen, potten, kruiken, witlof, kazen, dode vinken, wordt Helmantel weleens oppervlakkigheid verweten. Wie zijn kerkinterieurs heeft gezien, zal dat niet gauw beweren. Het zijn juweeltjes van harmonie, licht en verstilling. Kijk maar eens goed naar de zuidbeuk van de St. Nicolaaskerk, alles klopt, de verhoudingen, de kleur van gebroken wit, de rangschikking van de balken, de lichtval van buiten. Deze zuidbeuk ademt spiritualiteit. Een buitengewoon knap paneeltje is 'Meidoornbessen in Romeins glas'. De rode bessen zien er knapperig uit, een paar zijn gevallen, de achtergond is net van een andere kleur beige-groen dan het ranke vaasje, dat een beetje vlekkerig geschilderd is. Licht weerkaatst op een deel van de buik van de vaas. De frisse bessen contrasteren harmonisch met het verweerde Romeinse glas. Een voorbeeld van sereniteit en schoonheid.

Jan Mankes
Jan Mankes heeft een zelfde soort eigenzinnigheid als Helmantel. Hij leefde in een andere tijd, 1889-1920, waarin de kunststromingen over elkaar buitelden. Een greep: expressionisme, post-impressionisme, kubisme, dadaïsme, nieuwe zakelijkheid, surrealisme. Ze gingen allemaal aan Mankes voorbij, hij bleef kalm stillevens schilderen. Ook zijn landschappen, portretten en dierstukken zijn eigenlijk stillevens, in de meest letterlijke zin van het woord: verstild, bewegingloos. Mankes vond het expressionisme te oppervlakkig, hij probeerde met zijn kunst een 'dieper gevoel' uit te drukken. Middelen om het diepere gevoel te benaderen waren zachte warme kleuren, vervagende contouren, een dromerige sfeer.

Een evident voorbeeld van deze aanpak is zijn 'Bomenrij' uit 1915. Mankes zelf omschreef dit schilderij in olieverf wat zuinig als: "Hoog opgaande eiken met onder een stukje boschgrond, een trieste wintermiddag." We zien hoge blauwige stammen en kale takken in een ritmische beweging, die van hoog naar laag diagonaal over het doek gaat. Een paar kleine menselijke figuurtjes, die in de kou van de winter nog nietiger worden. Tot grote hoogten stijgt Mankes als hij witte bloemen schildert, bijvoorbeeld dwergasters en appelbloesems, in een vaasje of tegen een vervagende achtergrond. Het wit van de bloemen valt meteen op, spettert in je ogen, het is een intens en overtuigend wit. Hij schildert zijn bloemen met vervagende verfstreken, maar het wit ontstijgt de dromerigheid, het is eerder een statement: een lofzang op wit als kleur.

Een ander wit, ook prachtig, gebruikte Mankes in 'Vrouw voor haar huis', een olieverfschilderij in de stijl van een oud-Hollandse meester als Pieter de Hooch. Alleen de kleur en de regenpijp zijn anders dan bij de oude meester, moderner. Oud-Hollandse ramen. Een hardblauwe deur met vage gelige vlekken, een stille breiende vrouw in een zwart kostuum, vermoedelijk zijn moeder. Op de onderkant van de bakstenen muur is een beschermende stuclaag aangebracht. De laag is wit geschilderd. Helder wit met spoortjes geel, het straalt properheid uit.

Floris Verster
De dichter onder de realisten was Floris Verster, voluit Verster van Wulverhorst, die uit een nette familie kwam, aan het Rapenburg in Leiden. Hij kreeg les van Breitner en doorliep de Academie in Den Haag, waar hij zich begon te interesseren voor het impressionisme dat toen op de Academie als 'realistische zwijnerij' werd afgedaan. Verster begon in navolging van de Haagse school stemmige landschappen en pittoreske dorpen en boerderijen rond Leiden te schilderen. Daarna kwamen de uien en geslachte kippen.

Zijn bekendheid begon toe te nemen door zijn bloemboeketten. Hij gebruikte gewone alledaagse bloemsoorten zoals zijn tijdgenoten Vincent van Gogh, Henri Fantin-Latour en Edouard Manet. In Brussel ontdekte Verster tijdens een studieverblijf de fonkelende stillevens van James Ensor. Een vruchtbare periode van spetterende esthetiek brak aan. Grote doeken met schitterende boeketten, in dunne lagen en dan weer dikke verfstroken aangebracht, zoals te zien in 'Donkere pioenen in aardwerken pot', dat het Singer Museum voor deze tentoonstelling aan More uitgeleend heeft. Dit was destijds een vernieuwend schilderij, omdat Verster verwelkende bloemen, een weinig populair thema, vereeuwigde in dieprode en roze kleuren. Voor het contrast plaatste hij er vergelende bladeren bij.

Van zijn vrouw Jenny Kamerlingh Onnes maakte hij een stralend levensgroot portret: een mondaine vrouw, zittend op een stoel in een witte robe en met zwarte lange handschoenen. Niet bepaald de kostumering van een dominee, maar deze Jenny was de eerste vrouwelijke dominee in Nederland. Een opvallend werk uit 1892, het jaar van zijn huwelijk, is een groot schilderij met oplichtende flessen en doorschijnende vazen, een spel van licht en kleuren tegen een donkere achtergrond. Het is een uitbundig feest van kleur en licht. Zijn jonge bruid Jenny vond de kleurcombinaties prachtig.

L'art pour l'art
Verster raakte bevriend met de Tachtigers en werd geboeid door het 'l'art pour l'art'-beginsel. Dat gedachtegoed verleidde hem tot een herbezinning op zijn kunst, hij kreeg behoefte aan vereenvoudiging en vergeestelijking. Vanaf de eeuwwisseling schilderde hij vooral met een klassieke, dunne verfbehandeling, sobere stillevens met eieren in een schaal, potten, vruchten, flessen. Hij bleef echter een zoekende, gebruikte ook impressionistische technieken en nam zelfs sneeuwlandschappen als onderwerp.

Zijn grote vriend, de dichter Albert Verwey, typeerde hem als: "de schilder, die nooit door geen andere hartstocht bezeten is geweest dan het wezen der dingen weer te geven in hun kleuren." Net als Helmantel kreeg Verster het verwijt vooral alledaagse, gewone dingen te schilderen. Dus oppervlakkig te zijn. Maar Helene Kröller-Müller zag scherper dan de reguliere critici, hij werd een van haar favoriete kunstenaars. Ze kocht ruim honderd van zijn werken. Dat is een derde deel van zijn totale productie.

Dick Ket
Verandert kennis van de biografie van een kunstenaar de manier van kijken naar zijn werk? vroeg ik al eens op deze plaats. In het geval van Vincent van Gogh is dat effect onloochenbaar. Zonder het oor zouden er ongetwijfeld minder mensen in de rij staan. In het geval van een kunstenaar als Mark Rothko geloof ik niet dat kennis van zijn Litouwse, joodse verleden de kracht van zijn kleurvlakken voor de toeschouwer verandert. Bij het zien van de schilderijen van Dick Ket (1902-1940) wil je meteen begrijpen wat voor man achter de eindeloze reeks van huiselijke stillevens en indringende zelfportretten zat.

Er zijn twee Dick Kets, een die werkte vóór 1930 en een erna. In het begin van zijn loopbaan experimenteerde hij volop met Oost-Indische inkt, zacht potlood, houtskool en rood krijt. Hij tekende 'sur place' bijna impressionistische stadsgezichten in Hoorn, Ede, Schoonhoven. Schilderen deed hij in die eerste tien jaar met een paletmes, hij bracht dikke lagen op het doek. Vanaf 1930 koos Ket voor de totale afzondering in z'n eigen huis, hij kwam de deur niet meer uit, tekende en schilderde uitsluitend zelfportretten, portretten van zijn vader, om wie hij veel gaf, een enkel portret van zijn moeder, om wie hij minder gaf en stillevens. Van de iets meer dan 100 schilderijen die Ket maakte zijn er 40 zelfportretten.

De ingrijpende omslag kwam door Dick Kets aangeboren zeldzame hartziekte en zuurstofgebrek. De ziekte ging steeds meer zijn leven bepalen. In zijn brieven schreef Ket vaak over aanvallen van benauwdheid, beklemming op de borst, hartkloppingen en doorslaan van het hart. De bezorgdheid om zijn hart maakte hem nerveus en angstig.

Flinke inspanning
Op de tentoonstelling in Museum More is slechts één schilderij van voor de omslag te zien. Ket kijkt met een vorsende blik de toeschouwer aan, terwijl hij een forse groene zoutzuur-fles optilt. Om zichzelf te schilderen moest hij die zware fles voortdurend neerzetten en optillen. Een flinke inspanning voor een hartpatiënt. De andere schilderijen zijn portretten, stillevens, voorwerpen en interieurs van zijn huis in Ede. Wat opvalt is dat Ket, hoewel hij opgesloten zat in zijn eigen huis, in tegenstelling tot Mankes wel ontvankelijk was voor nieuwigheden in de kunst. Zo gebruikte hij verrassende perspectief-verspringingen en kubistische elementen om zijn werk een eigen draai te geven en de verbaasde kijker te dwingen om zorgvuldig te kijken.

Verrassend is dat Ype Koopmans, de artistiek directeur van Gorssel en Ruurlo, in de catalogus een van de bekendste zelfportretten van Ket, 'Met blote borst en zwarte cape', vergelijkt met de 'Flora' van Bartolomeo Veneto uit de 1525. Er is een frappante overeenkomst: zelfde houding, zelfde draaiing van het hoofd, allebei een bloem in de rechterhand, Ket met pet, Flora met een hoofdsluier, allebei ontblote linkerborst. Ket, zelf een fijnschilder, bewonderde inderdaad het vakmanschap van de oude meesters, maar hij wilde meer. Over Willem Heda, de 17de eeuwse stillevenschilder, zei hij: "De stofuitdrukking is knap, maar ook vervelende handarbeid, huisvlijt verdomme, schilders zijn toch geen vaklieden - alleen?"
Hij wilde, in zijn eigen woorden: "De indringendheid der primitieven, de breedheid van een Breitner, het decoratieve van 'n Cassandre" schilderen. De breedheid van Breitner heeft hij door zijn ziekte niet kunnen bereiken, maar indringend en decoratief is zijn werk zeker. Vol kleine verwijzingen naar zichzelf, zijn woonplaats, zijn ziekte, zijn naam, zijn geliefden en voorbeelden, de sterfelijkheid. Verwijzingen naar een schildersleven op de vierkante meter.

Bart van der Leck
Een zonovergoten bezoek aan Kröller-Müller houdt ook zo'n totaalpakket van prettige zaken in. Gratis witte fietsen om door het bos naar het museum te pedaleren, reeën die zich soms laten zien, een prettig café aan de tuinkant, een beroemde beeldentuin met 160 sculpturen. Een schitterend museum, waar licht en kalmte heerst en een van de mooiste kunstcollecties in Nederland huist.

Tot 13 mei 2018 is er een middelgrote, maar instructieve tentoonstelling over de vormgever, schilder, tekenaar Bart van der Leck te zien, een van de ontdekkingen van Helene Kröller-Müller. Hij was in feite gescout door haar professionele gids in het land van de kunst, kunstpaus Henk Bremmer (1871-1956). Bremmer gaf Van der Leck sinds 1912 een toelage, maar wilde stoppen, vanwege de financiële onderzekerheid die Eerste Wereldoorlog met zich meebracht. Mevrouw Kröller-Müller nam het mecenaat van hem over en Van der Leck mocht meteen de mijnen in Algerije bezoeken voor het ontwerp van een glas-in-lood-raam in het Haagse hoofdkwartier van de familiefirma. Het plezier dat Van der Leck in dit tripje door Spanje en Noord-Afrika had, is op te merken in prachtige, gekleurde schetsen.

Huzaren
Het verhaal van Van der Lecks relatie met Helene Kröller-Müller en zijn onstuimige ontwikkeling, dankzij het intensieve contact met de collega's van De Stijl, Theo van Doesburg en Piet Mondriaan, wordt chronologisch verteld. Het eerste schilderij dat Helene van hem kocht, het koddige 'Huzaren', opent de tentoonstelling. Daarna volgen ontwerpen voor de pakketdienst, de Batavier Lijn van de firma, voor mozaïeken in het Londense kantoor en interieurstudies voor de vele huizen van de familie. Wat betreft de laatste activiteit, kwam hij geregeld in botsing met huisarchitect Hendrik Berlage over kleurstellingen en hij kreeg ook behoorlijk de pest aan de man. Als een soort weerkaatsing van zijn werk, kreeg ik tegelijk inzicht in de kunstzinnige ontwikkeling van Helene Kröller-Müller, zijn mecenas. Foto's van haar werkkamer, tekeningen van verbouwingen, kleurideeën, foto's van haar huizen, geven extra informatie. Haar ideeën en meningen leren we kennen in de teksten op de wanden.

Zij waardeerde zijn werk buitengewoon. In haar 'Beschouwingen' (1925) schreef ze: "Van der Leck is een Mensch, dien ik altijd zal blijven steunen, zoo lang ik kan, want ik heb groote verwachtingen van hem, - hij wantrouwde alles wat men stemmig noemt, - was het niet hetzelfde wat ik al zoo lang had gewild: open kleuren als symbool van waarheid, weg met de stemming, zij is een leugen, lucht en licht en geen donkere hoekjes meer - Blij was ik in van der Leck eens een steun voor de toekomst te zien."
In 1916 verhuisde Van der Leck met zijn gezin naar het goedkopere Laren, waar ook Piet Mondriaan woonde, die vanwege de oorlog niet terug kon keren naar Parijs. Zij werden vrienden. Mondriaan was geboeid door Van der Lecks 'exacte techniek', waarmee hij bedoelde de primaire kleuren en egale kleurvlakken van Van der Leck. En onder invloed van Mondriaan begon Van der Leck zijn werk steeds meer te abstraheren.

Lijnenkunst
Zijn mecenas kon die ontwikkeling niet erg waarderen. Deze composities noemde zij 'lijnenkunst'. "Ik blijf er bij, uw abstractie geldt alleen het object en drukt geen stemming uit. Het totaal geabstraheerde object boeit niet meer, omdat de fantasie er zich niet aan vast kan houden. Mijn gevoel is, dat u in uw tegenwoordige omgeving teveel redeneert en daardoor uw eerste emotie doodt. Gaarne geef ik echter toe, dat ook ik mij kan vergissen en daarom moeten wij het maar aan de toekomst overlaten." (Bron: tentoonstellingstekst KMM). Piet van Doesburg daarentegen was laaiend enthousiast. "Vrijdag jl. was ik met Huszar te 's-Gravenhage om in de verzameling H.Kröller je laatste werken te zien - en kan als eindconclusie zeggen, dat ik nog nimmer in de gelegenheid was een zoo voldragen oeuvre te bewonderen. Bij geen enkele kunstenaar - trof ik het beeldend beginsel zo zuiver en rijp aan - Vooral het triptiek (mijn arbeid) trof mij door zijn universele levenseigenschappen opgelost in verhouding tot de zuivere middelen der schilderkunst." (Bron: tentoonstellingstekst KMM). Doesburg doelde op 'Compositie 1916 no. 4', ook wel 'Mijntriptiek' genoemd.

Theo van Doesburg nodigde beide bevriende schilders uit om met hem het tijdschrift 'De Stijl' op te richten, dat een grote invloed uitoefende op de kunst in Nederland en daarbuiten. Het bekendste product van deze beweging is wel de stoel van Gerrit Rietveld. Opvallend is dat het tijdschrift niet te vinden is in de bibliotheek van Helene Kröller-Muller. Hoewel ze Van der Leck bleef steunen en ook werk van Mondriaan kocht, lijkt het alsof ze bij de opkomst van de beweging De Stijl is gestopt met haar toewijding aan de Nederlandse kunst. De tentoonstelling stopt ook op dit moment van de geschiedenis en eindigt met een zaal die laat zien hoe Mondriaan en Van der Leck elkaar beïnvloed hebben. Een fijne inzichtelijke tentoonstelling van wat dus eigenlijk een driehoeksverhouding was: Kröller-Müller, Mondriaan en Van der Leck.

Wat komt
Voor wie op een zonnige lentedag van het Kröller-Müller Museum en de Hoge Veluwe een uitje wil maken: vanaf 19 mei tot 26 augustus 2018 is er een bijzondere tentoonstelling met litho's van Henri Fantin-Latour. Bijzonder, omdat deze litho's vanwege hun kwetsbaarheid bijna nooit getoond worden. Fantin-Latour is bekend vanwege zijn bloemstillevens en grote groepsportretten. Maar ditmaal is 'De vrouw als Venus' het onderwerp van zijn lithografische productie. Verder begint op 2 juni, tot 9 september 2018, een expositie van Odilon Redon, deels samengesteld uit het bezit van het museum, deels uit een particuliere verzameling.

De serene blik, 4 REALISTEN: Verster, Mankes, Ket en Helmantel, t/m 13 mei 2018, Museum More, Hoofdstraat 28, Gorssel. Website: www.museummore.nl.

De mecenas en de 'verversbaas', Helene Kröller-Müller & Bart van der Leck, t/m 13 mei 2018, Kröller-Müller Museum, Houtkampweg 6, Otterlo. Website: www.krollermuller.nl.

Peter van Dijk is journalist.