Het Beeldende Kunstjournaal is een uitgave van het Platform ArtizonTaal. Eindredactie: Rob den Boer. Postadres: Postbus 268, 4100 AG in Culemborg, E-mail: redactie.bkj@hetnet.nl.
[terug]

Verveling

Verveelt u zich wel eens? Zo niet, dan wordt het misschien hoog tijd!
Want: de ene na de andere filosoof houdt een vurig pleidooi voor de verveling.

Door Joke J. Hermsen

Verveling. Het woord alleen al doet onmiddellijk het druilerige uitzicht op mijn kamertje in de ingeslapen nieuwbouwwijk op een verloren zondagmiddag tevoorschijn toveren. Wat kon ik me vervelen als kind. In het pre-digitale en pre-mobiele telefoontijdperk viel er voor een veertienjarige als ik weinig anders te beleven dan op bed naar buiten te staren, naar radio Noordzee te luisteren en af en toe gapend en geeuwend de bladzijde van een wis- of scheikundeboek om te slaan. Jaren van grenzenloze verveling zijn aan mijn coming-out als volwassene vooraf gegaan. En toch kan ik soms denken, als ik naar mijn dochter van dezelfde leeftijd kijk, die omringd door computers, video’s en mobiele en digitale netwerken, nu al tijd te kort komt, dat al dat vervelen toch niet voor niets is geweest. Temidden van de als slakken voortslepende uren, welde er, al starend uit het raam, iets in mij op, dat ik misschien pas veel later als een van de bronnen van mijn schrijverschap heb leren herkennen.

Verveelt u zich wel eens? En vindt u dat dan prettig of onprettig? Probeert u de verveling met activiteit en verstrooing te verdrijven, of zoekt u de verveling juist op, in een poging aan de waan van de dag en de algehele rusteloosheid te ontsnappen? Er is met de verveling, op zijn zachtst uitgedrukt, iets merkwaardigs aan de hand. We proberen hem te ontvuchten en we worden er door omringd. We plannen de agenda’s vol en toch kunnen we op elk moment van de dag door de verveling besprongen worden. We richten ons op een doel, een activiteit en worden juist dan door de verveling verrast. We denken eraan te kunnen ontsnappen, door een opdracht te aanvaarden, een vriend te bezoeken, een televisieprogramma met half oog te volgen, maar zien dan ineens de grauwe wolk van verveling opdoemen, die elke zin onze handeling ook daadwerkelijk uit te voeren, teniet doet. En alsof dat allemaal nog niet erg genoeg is, doet de verveling zich ook nog eens in dubbele gedaante aan ons voor!

Want aan de ene kant is er, zoals de Noorse filosoof Lars Svendsen dat in Filosofie van de verveling (2003) noemt, de ‘toestandsverveling’. Het is de verveling die je overkomt als je op een vliegveld urenlang op een connected flight moet wachten en je niets – zelfs geen krant - bij je hebt om de tijd, die zich plotseling in heel haar slepende oneindigheid aan je opdringt, te verdrijven. Op zulke momenten lijkt de tijd niet vooruit te branden. Je voelt de tijd als het ware met heel haar loodzware gewicht op je ongeduldige schouders drukken. Het is bijna alsof je door de tijd verzwolgen wordt, alsof je er één mee wordt en je zelf het tergend traag voortslepen van de sekonden op de wijzerplaat bent geworden. Het is de verveling die je meestal door omstandigheden van buitenaf wordt opgelegd, als je in een lange file terecht bent gekomen en al minutenlang geen meter vooruit hebt kunnen gaan, of als je op een nieuwjaarsreceptie rondloopt en na het zoveelste obligate praatje echt gelooft dat je dood zou kunnen gaan van verveling. Het is de verveling die je, opmerkelijk genoeg, vaak overkomt in het gezelschap van al dan niet anonieme anderen, die ook aan het wachten, aan het borrelen, kletsen, kortom: de tijd aan het doden zijn. Het is al ellende wat de klok van de verveling slaat, en deze klok loopt ook nog eens gruwelijk traag, waardoor aan het lijden geen einde lijkt te komen.

Aan de andere kant is er de meer fundamentele, ‘existententiële’verveling, een verveling die we volgens Svendsen pas zo’n tweehonderd jaar zouden kennen, maar waarvan ik zou denken dat deze zich hooguit sinds die tijd in steeds sterkere mate aan ons heeft opgedrongen. Het is de verveling die niet van buitenaf komt, maar van binnenuit opwelt, en die ons ook met name als we alleen zijn overvalt. Het is de verveling die ons, mogelijk door het wegvallen van God en andere grote ‘ideologieën’, zoals Pascal destijds al meende, met de pure zinloosheid van het bestaan confronteert, met de eigen nietigheid en eindigheid. Nergens kun je meer enige zin voor opbrengen of het nut van inzien, gelaten onderga je de uren, liggend op bank of bed, ijsberend door de kamer, door het raam naar buiten starend, of zappend voor de televisie. Slechts omringd door het grauwe niets van een oneindige leegte, apathisch, chagerijning en lusteloos, raken we ons tijdens die verveling bewust van de onbeduidendheid en onverschilligheid van het bestaan, waarin alle dingen, inclusief wijzelf, dreigen weg te zinken. Net zo vurig als we op het vliegveld de wijzers van de klok vooruit proberen te denken, proberen we ook deze verveling te ontvluchten, door ons aan onze haren omhoog te trekken, naar buiten te gaan, iets aan te vangen, vertier en verstrooiing te zoeken, de mailbox nog maar eens te openen, want de horror vacuii die deze verveling ons inboezemt, is nauwelijks te verdragen.

Hoe verrassend is het dan ook dat een aantal hedendaagse filosofen als Lars Svendsen en Wilhelm Schmidt, en in eigen land recentelijk Awee Prins in Uit Verveling, nu juist voor dit type verveling opnieuw een pleidooi willen houden. Hun stelling komt er kort gezegd op neer dat alle mogelijke uitvluchten de existientiële verveling welliswaar korstondig kunnen verdrijven, maar dat deze verveling hierdoor uiteindelijk alleen maar zal toenemen. De moderne mens is volgens hen namelijk, ondanks de hoge werkdruk en de volle sociale agenda, ten diepste verveeld. Aan de primaire levensbehoeften is ruimschoots voldaan, hij heeft een dak boven zijn hoofd, eten en spullen in overvloed, wordt door geen vijand belaagd of uit zijn huis gedreven, waardoor op gegeven moment de vraag: ‘wat nu?’ zich aan hem opdringt. De feitelijke kaalheid van het bestaan kan met andere woorden pas nu in volle glorie op de voorgrond treden. Want niets lijkt meer enige zin aan het bestaan te kunnen geven, God niet, Marx niet, noch enig andere politieke of sociale geloofsovertuiging. We hebben het allemaal al gehad en verwerkt en als zijnde inadequaat van de hand gewezen. De tijdgeest van het postmodernisme is volgens Awee Prins die van de verveling. ‘We leven namelijk in een tijdperk van het totale relativisme en de volkome manipulatie, de mens niet uitgezonderd.’ Er is geen enkele Grote Betekenis meer over die het besef van leegte, saaiheid en verveling kan verdrijven.

‘Ik geloof dat de verveling ontstaat uit een gebrek aan persoonlijke overtuiging,’ schrijft Svendsen, ‘en dat is voor een groot deel hierop terug te voeren, dat alle objecten en gebeurtenissen ons bereiken met een al bestaande code, terwijl wij, de nakomelingen van de romantici, een persoonlijke overtuiging verlangen.’ Uiteindelijk pleit hij ervoor de verveling die ons kan overvallen niet voortdurend met amusement en activiteit uit de weg te gaan, maar deze juist op te zoeken, te aanvaarden en te verduren, omdat er achter die immense leegte een bron van creativiteit zou schuilgaan. De op zichzelf teruggeworpen mens kan immers geen andere uitdaging meer nastreven dan die van de zelfverwerkelijking. In de verveling kan de mens de grenzen van zichzelf overschrijden, omdat hij, geconfronteerd met de leegte, zich van oude overtuigingen en meningen omtrent zichzelf en de de wereld kan ontdoen, en zo tot een nieuw inzicht kan komen. Svendsen maakt hier dankbaar gebruik van Heidegger, die de grondstemming van de verveling zag als een mogelijkheid ‘de eigenlijkheid van het zijn’ te openen. Het doet denken aan wat Nietzsche ooit ‘de onaangename windstilte van de ziel’ noemde, waarmee hij doelde op de verveling die aan het creatieve proces voorafgaat.

Wilhelm Schmidt maakt in Levenskunst: Lof der verveling een onderscheid tussen wat hij misbare en onmisbare verveling noemt. Misbaar is de ‘toestandsverveling’ die men alleen zo snel mogelijk probeert kwijt te raken, onmisbaar is de existentieële verveling, die, hoe ondragelijk ook, volgens hem een bron van inspiratie kan zijn. ‘Juist omdat zij leeg is, een vacuüm vormt, stroomt er veel op haar toe en trekt zij van alles aan: ongedachte gedachten, gedurfde ideeën, verbanden, samenhangen die plotseling ‘zin’geven.’ Voorwaarde hiervoor is wel dat de leegte daadwerkelijk leeg gehouden wordt, dat we haar niet overhaast met nieuwe afleidingen invullen, noch met alle aanbiedingen die de vervelingsbestrijdingsindustrie klaar heeft liggen. Juist door de overvolheid van onze agenda’s heeft de mens volgens Schmidt behoefte aan ‘een restauratie van de leegte, om vervuiling door informatie, nietszeggende woorden en overbodige indrukken te voorkomen.’ We moeten met andere woorden de verveling verduren en doorstaan om haar produktief en creatief te kunnen maken.

Gelukkig worden Schmidt’s en Svendsen’s puur filosofische stellingnamen inmiddels ook door neuropsychologisch onderzoek ondersteund, want anders zou het nut van de verveling alweer snel naar het rijk der fabelen worden verwezen. `Hersenen moeten eerst ont-focussen om creatief te kunnen zijn’, aldus Sophie Schweizer van de VU in een artikel in Intermediair. Vandaar dat een idee of oplossing je vaak pas te binnen schiet, als je onder de douche staat, even op de bank gaat liggen of een wandeling maakt. Nu begrijp ik waarom tijdens het schrijven de blauwe sofa zo vaak in mijn ooghoek lonkt! Eraan toegeven, luidt ook het neurologische advies. ‘Als mensen te druk, gestresst of angstig zijn, wordt de frontale cortex teveel geactiveerd en presteren ze slechter bij het uitvoeren van creatieve taken.’ In dromerige toestand nemen de zogeheten Thetagolven, die met creativiteit worden geassocieerd, pas echt toe.

Kortom: ‘als de verveling je overvalt, ga er dan in onder’, zoals de dichter Joseph Brodsky al schreef, ‘verdrink erin, ga tot de bodem!’ Dit kunnen we natuurlijk alleen voor elkaar krijgen als we ook de diepere motieven van de verveling aanvaarden, dat wil zeggen, als we erkennen dat het bestaan in wezen nietig, eindig en leeg is. Hooggespannen verwachtingen dienen bijgesteld te worden, en we moeten ons af en toe aan ledigheid, aan niets doen durven over te geven. In de verveling wordt volgens Brodsky de ‘pure, onversneden tijd in al zijn weerkerende, zinloze, eentonige glorie gespiegeld. Want verveling spreekt de taal van de tijd.’ In de verveling worden ons inzichten geopenbaard, die we anders niet zouden hebben. Het ruimt niet alleen overtollige informatie op en doet de hersenen ontspannen cq ont-focussen, het doet ons ook onze eigen nietigheid en eindigheid beseffen, waardoor we, bevrijd van hoogmoed en eigenwaan, wellicht ook tot meer compassie met soortgenoten kunnen komen. `Omarm de verveling’, schrijft Brodsky, want het is het enige wat geen illusie is. `Bedrijven zouden hun werknemers af en toe moeten dwingen tot nietsdoen,’ stelt neuropsycholoog Schweizer, ‘want onze hersenen hebben hersteltijd nodig. Als er teveel stresshormonen worden aangemaakt, gaat niet alleen de creativiteit verloren, maar wordt ook de hippocampus, belangrijk voor het geheugen, beschadigd.’

Al deze verschillende pleidooien voor de verveling staan haaks op de economische mores van deze tijd, die uitsluitend en steeds luider oproept tot werken, tot activiteit, tot handelen louter omwille van het handelen en tot het verdrijven van tijd in de consumptie- en amusementsindustrie. Verveling is misschien wel de enige plek die de moderne mens nog veroveren kan, om af en toe bij zichzelf, bij het niets, bij de eindeloze, oningevulde tijd te verwijlen, en vanuit die leegte, hoe angstaanjagend ook, tot nieuwe inzichten te komen. Aan de andere kant moeten we het nut van de verveling ook weer niet gaan overdrijven. Sommigen onder ons zullen er wellicht baat bij hebben, anderen zullen, als ze er eenmaal in wegzinken, nooit meer uit komen. Voor sommigen, die het geluk van een zelfstandig, creatief beroep kennen, zal het wellicht een verdieping van hun bestaan en hun werk opleveren, maar voor de meesten geldt dat hun werk en leven zelf al eentonig en vervelend genoeg zijn, dat je je oprecht kunt afvragen hoeveel baat zij bij nog meer zelfgekozen verveling zouden hebben. Er kleeft met andere woorden iets elitairs aan de verveling, zoals dat de afgelopen twee eeuwen al zo vaak in de literatuur getoond is. Van de intens verveelde Oblomov tot aan Madame Bovary en de zich stierlijk vervelende patienten in Thomas Mann’s roman De Toverberg, lijkt de verveling toch meer een luxe-kwaal voor degene die zich dat ook kunnen permitteren. Wellicht heeft het meer zin, in plaats van een te eenduidige loftrompet op de verveling af te steken, een bescheidener pleidooi voor meer ontspanning, minder werken en af en toe niets-doen te houden, maar goed, dat klinkt, filosofisch gesproken, natuurlijk niet bijster revolutionair en zal dan ook geen aandacht van de media genereren, die deze drie vervelingsfilosofen zo warm onthaald hebben. Voor het broodnodige evenwicht in een tijd waarin het arbeidsethos keer op keer wordt opgepoetst –‘samen werken, samen leven’- kunnen we deze filosofische oproep tot meer passiviteit echter niet serieus genoeg nemen.

Joke J. Hermsen

Joke J. Hermsen is schrijfster en filosofe en publiceert regelmatig over beeldende kunst is diverse media.