Verveling
Verveelt
u zich wel eens? Zo niet, dan wordt het misschien hoog tijd!
Want: de ene na de andere filosoof houdt een vurig pleidooi voor de
verveling.
Door
Joke J. Hermsen
Verveling.
Het woord alleen al doet onmiddellijk het druilerige uitzicht op mijn
kamertje in de ingeslapen nieuwbouwwijk op een verloren zondagmiddag
tevoorschijn toveren. Wat kon ik me vervelen als kind. In het pre-digitale
en pre-mobiele telefoontijdperk viel er voor een veertienjarige als
ik weinig anders te beleven dan op bed naar buiten te staren, naar radio
Noordzee te luisteren en af en toe gapend en geeuwend de bladzijde van
een wis- of scheikundeboek om te slaan. Jaren van grenzenloze verveling
zijn aan mijn coming-out als volwassene vooraf gegaan. En toch kan ik
soms denken, als ik naar mijn dochter van dezelfde leeftijd kijk, die
omringd door computers, video’s en mobiele en digitale netwerken,
nu al tijd te kort komt, dat al dat vervelen toch niet voor niets is
geweest. Temidden van de als slakken voortslepende uren, welde er, al
starend uit het raam, iets in mij op, dat ik misschien pas veel later
als een van de bronnen van mijn schrijverschap heb leren herkennen.
Verveelt
u zich wel eens? En vindt u dat dan prettig of onprettig? Probeert u
de verveling met activiteit en verstrooing te verdrijven, of zoekt u
de verveling juist op, in een poging aan de waan van de dag en de algehele
rusteloosheid te ontsnappen? Er is met de verveling, op zijn zachtst
uitgedrukt, iets merkwaardigs aan de hand. We proberen hem te ontvuchten
en we worden er door omringd. We plannen de agenda’s vol en toch
kunnen we op elk moment van de dag door de verveling besprongen worden.
We richten ons op een doel, een activiteit en worden juist dan door
de verveling verrast. We denken eraan te kunnen ontsnappen, door een
opdracht te aanvaarden, een vriend te bezoeken, een televisieprogramma
met half oog te volgen, maar zien dan ineens de grauwe wolk van verveling
opdoemen, die elke zin onze handeling ook daadwerkelijk uit te voeren,
teniet doet. En alsof dat allemaal nog niet erg genoeg is, doet de verveling
zich ook nog eens in dubbele gedaante aan ons voor!
Want aan de ene kant is er, zoals de Noorse filosoof Lars Svendsen dat
in Filosofie van de verveling (2003) noemt, de ‘toestandsverveling’.
Het is de verveling die je overkomt als je op een vliegveld urenlang
op een connected flight moet wachten en je niets – zelfs geen
krant - bij je hebt om de tijd, die zich plotseling in heel haar slepende
oneindigheid aan je opdringt, te verdrijven. Op zulke momenten lijkt
de tijd niet vooruit te branden. Je voelt de tijd als het ware met heel
haar loodzware gewicht op je ongeduldige schouders drukken. Het is bijna
alsof je door de tijd verzwolgen wordt, alsof je er één
mee wordt en je zelf het tergend traag voortslepen van de sekonden op
de wijzerplaat bent geworden. Het is de verveling die je meestal door
omstandigheden van buitenaf wordt opgelegd, als je in een lange file
terecht bent gekomen en al minutenlang geen meter vooruit hebt kunnen
gaan, of als je op een nieuwjaarsreceptie rondloopt en na het zoveelste
obligate praatje echt gelooft dat je dood zou kunnen gaan van verveling.
Het is de verveling die je, opmerkelijk genoeg, vaak overkomt in het
gezelschap van al dan niet anonieme anderen, die ook aan het wachten,
aan het borrelen, kletsen, kortom: de tijd aan het doden zijn. Het is
al ellende wat de klok van de verveling slaat, en deze klok loopt ook
nog eens gruwelijk traag, waardoor aan het lijden geen einde lijkt te
komen.
Aan de andere kant is er de meer fundamentele, ‘existententiële’verveling,
een verveling die we volgens Svendsen pas zo’n tweehonderd jaar
zouden kennen, maar waarvan ik zou denken dat deze zich hooguit sinds
die tijd in steeds sterkere mate aan ons heeft opgedrongen. Het is de
verveling die niet van buitenaf komt, maar van binnenuit opwelt, en
die ons ook met name als we alleen zijn overvalt. Het is de verveling
die ons, mogelijk door het wegvallen van God en andere grote ‘ideologieën’,
zoals Pascal destijds al meende, met de pure zinloosheid van het bestaan
confronteert, met de eigen nietigheid en eindigheid. Nergens kun je
meer enige zin voor opbrengen of het nut van inzien, gelaten onderga
je de uren, liggend op bank of bed, ijsberend door de kamer, door het
raam naar buiten starend, of zappend voor de televisie. Slechts omringd
door het grauwe niets van een oneindige leegte, apathisch, chagerijning
en lusteloos, raken we ons tijdens die verveling bewust van de onbeduidendheid
en onverschilligheid van het bestaan, waarin alle dingen, inclusief
wijzelf, dreigen weg te zinken. Net zo vurig als we op het vliegveld
de wijzers van de klok vooruit proberen te denken, proberen we ook deze
verveling te ontvluchten, door ons aan onze haren omhoog te trekken,
naar buiten te gaan, iets aan te vangen, vertier en verstrooiing te
zoeken, de mailbox nog maar eens te openen, want de horror vacuii die
deze verveling ons inboezemt, is nauwelijks te verdragen.
Hoe verrassend is het dan ook dat een aantal hedendaagse filosofen als
Lars Svendsen en Wilhelm Schmidt, en in eigen land recentelijk Awee
Prins in Uit Verveling, nu juist voor dit type verveling opnieuw een
pleidooi willen houden. Hun stelling komt er kort gezegd op neer dat
alle mogelijke uitvluchten de existientiële verveling welliswaar
korstondig kunnen verdrijven, maar dat deze verveling hierdoor uiteindelijk
alleen maar zal toenemen. De moderne mens is volgens hen namelijk, ondanks
de hoge werkdruk en de volle sociale agenda, ten diepste verveeld. Aan
de primaire levensbehoeften is ruimschoots voldaan, hij heeft een dak
boven zijn hoofd, eten en spullen in overvloed, wordt door geen vijand
belaagd of uit zijn huis gedreven, waardoor op gegeven moment de vraag:
‘wat nu?’ zich aan hem opdringt. De feitelijke kaalheid
van het bestaan kan met andere woorden pas nu in volle glorie op de
voorgrond treden. Want niets lijkt meer enige zin aan het bestaan te
kunnen geven, God niet, Marx niet, noch enig andere politieke of sociale
geloofsovertuiging. We hebben het allemaal al gehad en verwerkt en als
zijnde inadequaat van de hand gewezen. De tijdgeest van het postmodernisme
is volgens Awee Prins die van de verveling. ‘We leven namelijk
in een tijdperk van het totale relativisme en de volkome manipulatie,
de mens niet uitgezonderd.’ Er is geen enkele Grote Betekenis
meer over die het besef van leegte, saaiheid en verveling kan verdrijven.
‘Ik geloof dat de verveling ontstaat uit een gebrek aan persoonlijke
overtuiging,’ schrijft Svendsen, ‘en dat is voor een groot
deel hierop terug te voeren, dat alle objecten en gebeurtenissen ons
bereiken met een al bestaande code, terwijl wij, de nakomelingen van
de romantici, een persoonlijke overtuiging verlangen.’ Uiteindelijk
pleit hij ervoor de verveling die ons kan overvallen niet voortdurend
met amusement en activiteit uit de weg te gaan, maar deze juist op te
zoeken, te aanvaarden en te verduren, omdat er achter die immense leegte
een bron van creativiteit zou schuilgaan. De op zichzelf teruggeworpen
mens kan immers geen andere uitdaging meer nastreven dan die van de
zelfverwerkelijking. In de verveling kan de mens de grenzen van zichzelf
overschrijden, omdat hij, geconfronteerd met de leegte, zich van oude
overtuigingen en meningen omtrent zichzelf en de de wereld kan ontdoen,
en zo tot een nieuw inzicht kan komen. Svendsen maakt hier dankbaar
gebruik van Heidegger, die de grondstemming van de verveling zag als
een mogelijkheid ‘de eigenlijkheid van het zijn’ te openen.
Het doet denken aan wat Nietzsche ooit ‘de onaangename windstilte
van de ziel’ noemde, waarmee hij doelde op de verveling die aan
het creatieve proces voorafgaat.
Wilhelm Schmidt maakt in Levenskunst: Lof der verveling een onderscheid
tussen wat hij misbare en onmisbare verveling noemt. Misbaar is de ‘toestandsverveling’
die men alleen zo snel mogelijk probeert kwijt te raken, onmisbaar is
de existentieële verveling, die, hoe ondragelijk ook, volgens hem
een bron van inspiratie kan zijn. ‘Juist omdat zij leeg is, een
vacuüm vormt, stroomt er veel op haar toe en trekt zij van alles
aan: ongedachte gedachten, gedurfde ideeën, verbanden, samenhangen
die plotseling ‘zin’geven.’ Voorwaarde hiervoor is
wel dat de leegte daadwerkelijk leeg gehouden wordt, dat we haar niet
overhaast met nieuwe afleidingen invullen, noch met alle aanbiedingen
die de vervelingsbestrijdingsindustrie klaar heeft liggen. Juist door
de overvolheid van onze agenda’s heeft de mens volgens Schmidt
behoefte aan ‘een restauratie van de leegte, om vervuiling door
informatie, nietszeggende woorden en overbodige indrukken te voorkomen.’
We moeten met andere woorden de verveling verduren en doorstaan om haar
produktief en creatief te kunnen maken.
Gelukkig worden Schmidt’s en Svendsen’s puur filosofische
stellingnamen inmiddels ook door neuropsychologisch onderzoek ondersteund,
want anders zou het nut van de verveling alweer snel naar het rijk der
fabelen worden verwezen. `Hersenen moeten eerst ont-focussen om creatief
te kunnen zijn’, aldus Sophie Schweizer van de VU in een artikel
in Intermediair. Vandaar dat een idee of oplossing je vaak pas te binnen
schiet, als je onder de douche staat, even op de bank gaat liggen of
een wandeling maakt. Nu begrijp ik waarom tijdens het schrijven de blauwe
sofa zo vaak in mijn ooghoek lonkt! Eraan toegeven, luidt ook het neurologische
advies. ‘Als mensen te druk, gestresst of angstig zijn, wordt
de frontale cortex teveel geactiveerd en presteren ze slechter bij het
uitvoeren van creatieve taken.’ In dromerige toestand nemen de
zogeheten Thetagolven, die met creativiteit worden geassocieerd, pas
echt toe.
Kortom: ‘als de verveling je overvalt, ga er dan in onder’,
zoals de dichter Joseph Brodsky al schreef, ‘verdrink erin, ga
tot de bodem!’ Dit kunnen we natuurlijk alleen voor elkaar krijgen
als we ook de diepere motieven van de verveling aanvaarden, dat wil
zeggen, als we erkennen dat het bestaan in wezen nietig, eindig en leeg
is. Hooggespannen verwachtingen dienen bijgesteld te worden, en we moeten
ons af en toe aan ledigheid, aan niets doen durven over te geven. In
de verveling wordt volgens Brodsky de ‘pure, onversneden tijd
in al zijn weerkerende, zinloze, eentonige glorie gespiegeld. Want verveling
spreekt de taal van de tijd.’ In de verveling worden ons inzichten
geopenbaard, die we anders niet zouden hebben. Het ruimt niet alleen
overtollige informatie op en doet de hersenen ontspannen cq ont-focussen,
het doet ons ook onze eigen nietigheid en eindigheid beseffen, waardoor
we, bevrijd van hoogmoed en eigenwaan, wellicht ook tot meer compassie
met soortgenoten kunnen komen. `Omarm de verveling’, schrijft
Brodsky, want het is het enige wat geen illusie is. `Bedrijven zouden
hun werknemers af en toe moeten dwingen tot nietsdoen,’ stelt
neuropsycholoog Schweizer, ‘want onze hersenen hebben hersteltijd
nodig. Als er teveel stresshormonen worden aangemaakt, gaat niet alleen
de creativiteit verloren, maar wordt ook de hippocampus, belangrijk
voor het geheugen, beschadigd.’
Al deze verschillende pleidooien voor de verveling staan haaks op de
economische mores van deze tijd, die uitsluitend en steeds luider oproept
tot werken, tot activiteit, tot handelen louter omwille van het handelen
en tot het verdrijven van tijd in de consumptie- en amusementsindustrie.
Verveling is misschien wel de enige plek die de moderne mens nog veroveren
kan, om af en toe bij zichzelf, bij het niets, bij de eindeloze, oningevulde
tijd te verwijlen, en vanuit die leegte, hoe angstaanjagend ook, tot
nieuwe inzichten te komen. Aan de andere kant moeten we het nut van
de verveling ook weer niet gaan overdrijven. Sommigen onder ons zullen
er wellicht baat bij hebben, anderen zullen, als ze er eenmaal in wegzinken,
nooit meer uit komen. Voor sommigen, die het geluk van een zelfstandig,
creatief beroep kennen, zal het wellicht een verdieping van hun bestaan
en hun werk opleveren, maar voor de meesten geldt dat hun werk en leven
zelf al eentonig en vervelend genoeg zijn, dat je je oprecht kunt afvragen
hoeveel baat zij bij nog meer zelfgekozen verveling zouden hebben. Er
kleeft met andere woorden iets elitairs aan de verveling, zoals dat
de afgelopen twee eeuwen al zo vaak in de literatuur getoond is. Van
de intens verveelde Oblomov tot aan Madame Bovary en de zich stierlijk
vervelende patienten in Thomas Mann’s roman De Toverberg, lijkt
de verveling toch meer een luxe-kwaal voor degene die zich dat ook kunnen
permitteren. Wellicht heeft het meer zin, in plaats van een te eenduidige
loftrompet op de verveling af te steken, een bescheidener pleidooi voor
meer ontspanning, minder werken en af en toe niets-doen te houden, maar
goed, dat klinkt, filosofisch gesproken, natuurlijk niet bijster revolutionair
en zal dan ook geen aandacht van de media genereren, die deze drie vervelingsfilosofen
zo warm onthaald hebben. Voor het broodnodige evenwicht in een tijd
waarin het arbeidsethos keer op keer wordt opgepoetst –‘samen
werken, samen leven’- kunnen we deze filosofische oproep tot meer
passiviteit echter niet serieus genoeg nemen.
Joke
J. Hermsen
Joke
J. Hermsen is schrijfster en filosofe en publiceert regelmatig over
beeldende kunst is diverse media.