September - november 2018, 13e jg. nr.4. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 

Aan Zee

"De tentoonstelling 'Aan Zee' neemt u mee op reis langs een schitterend stukje Nederland: de Zeeuwse kust met de brede stranden, fraaie duinen, schilderachtige dorpjes en het befaamde Zeeuwse licht." Dit is de openingszin van het tijdschrift 'Aan Zee', dat dient als vrolijke, lichtvoetige catalogus bij de tentoonstelling. Hij staat vol anekdotes, foto's, columns van bekende Zeeuwen en essays over de schilders van het licht van Zeeland: de luministen (lumen = licht) Piet Mondriaan, Jan Toorop, Ferdinand Hart Nibbrig en de expressioniste Jacoba van Heemskerck. Een heerlijke gids voor een zonnige tentoonstelling.

Door Peter van Dijk

Maar bestaat het licht van Zeeland wel? Volgens de Zeeuwse kunstenaar Loek Grootjans zeker. In de aanstekelijke tv-documentaire 'Panorama Pijbes' (maart 2017) liet hij aluminium bakken zien, waarin hij strandzand en zeewater van verschillende locaties had gestort. Onder kunstlicht en met verschillende waterstromingen kon hij aantonen dat het licht per uur en per plek kan veranderen.

Piet Mondriaan, die door de Eerste Wereldoorlog gedwongen werd in Domburg te blijven, wist de schittering van het Zeeuwse licht en de reflecties te vangen. Hij tekende en schilderde in kleine lijnstukjes de zee met de lucht er boven, met pieren, met duinen. Hij gebruikte een nieuwe techniek, gebaseerd op het pointillisme. Mondriaan in een brief aan een criticus: "Ik vind voor onzen tijd bepaald noodig, dat de verf zo veel mogelijk puur naast elkaar gezet wordt op een pointillé of diffuze wijze." (tijdschrift Aan Zee, p.22). Het licht in de Zeeuwse schilderijen van Mondriaan moet wel Zeeuws licht zijn, in Mondriaans werk bestaat het dus.

Jan Toorop
Jan Toorop (1858-1928), verslingerd aan de schoonheid van Domburg en het licht, wist Mondriaan te verleiden naar Zeeland te komen. Ze leerden elkaar de kneepjes van het pointillisme (schilderen door puntjes primaire kleur tegen elkaar te zetten, het menselijk oog ziet dan een secundaire kleur, bijv. rode naast gele stippen geeft oranje).

Beiden hadden de ambitie om het geestelijke, het spirituele te verbeelden. Toorop was een katholiek, hij zocht God in de natuur en Mondriaan was een theosoof, die de synthese van het natuurlijke en geestelijke zocht te verbeelden. Beiden werd de 'overwinning van het licht' toegedicht: "In zonnige, van licht en lucht doortrokken voorstellingen werd een diep doorleefd gevoel doorgegeven. Kleur en lijn bleken in staat om diepere lagen van een spirituele emotie aan te boren" (Aan Zee, p.20). Toorop keerde iedere zomer terug naar Domburg om het Zeeuwse licht te beleven en te schilderen.

Ook de Commissaris van de Koning in Zeeland, Han Polman, vindt dat het typisch Zeeuwse licht bestaat. "Je bent altijd binnen twintig minuten bij open water. Ons beroemde licht is daardoor anders. De zon breekt hier ook sneller door. Bovendien is er door de zoutkristallen een ander soort blauw, een ander soort glinstering. Dit licht heb je nergens anders in ons land." (Aan Zee, pag. 35)

Fotograaf
Het leuke van het tijdschrift/de catalogus 'Aan Zee' is dat tegenspreken niet erg is. De Belgische fotograaf Stephan Vanfleteren, die de opdracht van het museum kreeg om op zíjn manier de zee, de natuur en het licht van Zeeland vast te leggen en dat magistraal deed, zegt: "Nee, dat is flauwekul. Het 'Zeeuwse licht' kan je ook perfect vinden op Schiermonnikoog. Het heeft te maken met de ruimte die je krijgt. En die krijg je aan zee. Hetzelfde zie ik ook, waar ik woon, als ik op het strand sta. Maar je vindt het niet in de stad."

Illustratief voor het mysterie-licht zijn de laatste woorden van Ferdinand Hart Nibbrig, de pointillistische schilder, die zelfs een huis in Zoutelande liet bouwen om beter de tinteling van het Zeeuwse licht te kunnen vangen. Op zijn sterfbed zei hij: "Nu pas zie ik het licht zoals het is." (Aan Zee, p.48) Hoogstwaarschijnlijk heeft de theosoof Hart Nibbrig het laatste licht als spiritueel ervaren.

Het ervaren van licht is subjectief. Licht verschilt per streek, per uur, per weersgesteldheid en per waarnemer. De schilderingen van Toorop, Mondriaan en Hart Nibbrig op de Haagse tentoonstelling verschillen, maar de kunstenaars veroorzaken met hun werk alledrie een opwindende zonnige sensatie van essentiële rust en harmonie.

Guggenheim
In Den Haag hangt een schilderij van Mondriaan (1872-1944), dat na de tentoonstelling in november teruggaat naar New York. 'Zomer, Duin in Zeeland' uit 1910. Een schitterend schilderij, in slechts drie kleuren: licht blauw, violet en geel. Voor het eerst experimenteerde hij met grote kleurvlakken, geleerd van Kees van Dongen en Henri Matisse. Het Gemeentemuseum is de juridische eigenaar van dit grote schilderij, maar heeft het in permanente bruikleen gegeven aan het Guggenheim in New York. Het New Yorkse museum kan door dit werk de overgang van realisme naar abstractie bij Mondriaan beter in beeld brengen.

Als tegenprestatie kreeg het Haagse museum twee topwerken van Kandinsky, als aanvulling op de collectie Duits expressionisme. In de Haagse collectie is de verandering van realisme naar abstractie bij Mondriaan voldoende gedocumenteerd en wordt op de huidige expositie gedemonstreerd met 'Avond, De Rode Boom' (1910), 'Bloeiende Appelboom' (1912), verschillende strandgezichten en de kerktoren van Domburg, 'Zeegezicht' (1909).

Van het kwartet tentoongestelde schilders is Ferdinand Hart Nibbrig (1866-1915) de zonnigste. Hij hoefde maar vanuit zijn huis Santvlught een duintop op te lopen om de mooiste vergezichten te tekenen en in zijn atelier uit te schilderen. Op geduldige wijze componeerde hij wijdse kleurrijke landschappen, die vooral rust uitstralen. Ze werden door zijn tijdgenoten een beetje statisch gevonden, de schwung van Toorop, Jan Sluijters en Leo Gestel werd hoger aangeslagen. In zijn oorspronkelijke woonplaats Laren had ook het verzamelaarsechtpaar William en Anna Singer geen waardering voor hem: te modern. Deze foute inschatting is in 1981 recht gezet, het Singer Museum kreeg na een grote schenking een Hart Nibbrig-zaal. Hart Nibbrig zal straks nog beter vertegenwoordigd zijn in Laren, omdat Els Blokker de Nardinc-collectie, die zij met haar in 2011 overleden man Jaap Blokker opbouwde en waarin vele Hart Nibbrigs zitten, in 2018 aan het museum heeft geschonken. Er komt nu een Nardinc-vleugel en logischerwijs zal de Hart Nibbrig-zaal vermoedelijk verdwijnen.

Jacoba van Heemskerck
Hart Nibbrig leidde ook de vierde van het kwartet uit Domburg op, waaraan deze tentoonstelling gewijd is, jonkvrouwe Jacoba van Heemskerck van Beest (1876-1923). Haar vader was een marine-officier, die de zee bevoer en schilderde. Hij was haar allereerste leermeester. Later volgde ze lessen op de Haagse Academie, daarna nam ze privé-les bij Hart Nibbrig in Laren en ging in 1904 naar Parijs om zich verder te scholen bij de portretschilder Eugène Carrière.

Een portretschilder zou zij niet worden. Ze schilderde vooral landschappen, stadjes, bomen, zeetaferelen. In 1908 raakten zij en haar vriendin Marie Tak van Poortvliet, telg uit een Zeeuws geslacht, zo gecharmeerd van Domburg en de Zeeuwse kust, dat ze besloten er zomers te gaan wonen. In Domburg ontmoetten ze Jan Toorop en Piet Mondriaan en ze raakten in de ban van de spirituele ideeën van beide kunstenaars. Ze werden lid van de theosofische vereniging en ze begonnen een moestuin en een bijencultuur bij Marie's huis Villa Loverendale.

Het werk van Van Heemskerck, zoals tentoongesteld in Den Haag, is wezenlijk anders dan van Toorop c.s. Het luminisme van de anderen beviel haar niet, ze hield van krachtige zware lijnen en vormen. Via het kubisme kwam ze bij het expressionisme uit. Hierin kon ze abstract en met sterke kleuren werken. En een innerlijke betekenis meesturen. Haar grote doorbraak kwam in september 1913 toen ze op uitnodiging van kunstcriticus Herwarth Walden deelnam aan de grote expressionistische manifestatie op de Berlijnse Herfstsalon.

Van Heemskerck raakte in Berlijn onder de indruk van Wassily Kandinsky en probeerde van haar zeegezichten universele beelden te maken. Zeilboten op zee moesten van toen af aan het innerlijk leven van de mensheid weergeven. Kleine bootjes betekenden dat het innerlijk nog niet volgroeid was, wapperende zeilen verwijzen naar stormen en moeilijkheden. Het is wat gezocht, maar geheel naar de smaak van Walden, die eigenlijk Georg Levin heette, maar onder de indruk van de roman 'Walden; or, Life in the Woods' van de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau, zijn naam had veranderd.

De eerste Duitse expressionisten gebruikten meerdere technieken, zoals de houtsnede, om hun inzichten over te brengen. Ook Van Heemskerck hield van het werken met gekleurde houtsneden. Ondanks de zware zwarte golvende lijnen, zoals in 'Compositie XIII' (1916), heeft haar werk, dankzij het harmonieuze kleurgebruik, een kalme uitstraling. Met Kandinsky, Franz Marc, Fernand Léger en Marc Chagall werd zij tot de top van de expressionistische avant-garde gerekend. Walden werd haar mecenas en kwam geregeld op Loverendale logeren.

Na de dood van Jacoba in 1923 raakte haar hartsvriendin Marie Poortvliet (1871-1936) in de ban van de biologisch-dynamische opvattingen van Rudolf Steiner. Ze richtte in 1926 de Cultuurmaatschappij Loverendale op en introduceerde op haar pachtboerderijen de nieuwe landbouwmethode. Villa Loverendale werd het wetenschappelijke centrum. Marie Tak van Poortvliet, die een indrukwekkende kunstverzameling opbouwde met vele grote expressionisten en Mondriaan (geschonken aan Boijmans en het Haags Gemeentemuseum), was een belangrijke pionier van een landbouwmethode die nu een eeuw later gemeengoed begint te worden. Het merk Loverendale wordt nog altijd gebruikt voor producten van de biologisch-dynamische landbouw.

Aan Zee, t/m 18 november 2018, Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, Den Haag. Website: www.gemeentemuseum.nl.

Peter van Dijk is journalist.