Dec. 2018 - jan. 2019, 13e jg. nr.5. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 

De losse stijl
Leonardo da Vinci en Frans Hals in Haarlem

De schilder Leonardo da Vinci staat bekend als een estheet, perfectionist en een universeel genie. Frans Hals heeft een reputatie van losbol, levenslust en van een kunstenaar met een ruwe schilderstijl. Een dikke eeuw scheidt beide kunstenaars, de één is een vertegenwoordiger van de renaissance, de ander een 'gouden-eeuwer' en eigenlijk niet plaatsbaar in een stroming. Hun werk is nu te zien in dezelfde stad, Haarlem, in twee verschillende musea.

Door Peter van Dijk

Het Teylers Museum toont drieëndertig tekeningen van Leonardo da Vinci (1452-1519) en een dertigtal tekeningen van tijdgenoten en navolgers. Het Frans Hals Museum herbergt een tentoonstelling van de schilder Frans Hals (1582-1666) en van zijn moderne bewonderaars-vakbroeders.

Als schilder is Leonardo da Vinci zeker niet met Frans Hals te vergelijken. Daarvoor is zijn aanpak te klassiek, bedachtzaam, gecomponeerd en te bijzonder door de sfumato-aanpak: transparante kleurlagen over elkaar gezet, waardoor de voorstelling een dromerig effect krijgt. Maar de tekenaar Leonardo hanteert, evenals de schilder Hals, een losse stijl vol bravoure en oog voor allerlei menselijke emoties. Hij interesseerde zich ook voor gewone mensen. Niet alleen voor adel en priesters, beeldschone vrouwen en jongemannen. Leonardo hield van contrasten. Met een tekenboekje aan zijn broekriem zwierf hij door Milaan, altijd open voor nieuwigheden en vreemde zaken. Hij legde met zijn metaalstift of krijt snel harmonieuze strijderskoppen vast, maar ook misvormde gezichten en bizarre hoofden en had reusachtig veel plezier in grappen en boertigheid. Leonardo ried zijn collegaschilders af het werk van anderen te kopiëren, maar stimuleerde hen gezichten naar het volle leven te tekenen. Pas dan konden ze vertrouwd raken met de verscheidenheid van gelaatsvormen. In de tekenhand van het Italiaanse genie lijkt die verscheidenheid oneindig.

Hoewel Frans Hals vooral bekend is van zijn portretten van de gegoede burgerij in Haarlem, schilderde hij voor de vrije markt graag mensen uit het volk. Beroemd zijn 'La Bohémienne' (1625, Louvre, Parijs) en natuurlijk 'Malle Babbe' (1635, Gemäldegalerie SMB, Berlijn). Vincent van Gogh, een groot bewonderaar van Hals, schreef: "Hij schilderde de dronkenlap, de oude gekke visverkoopster, de mooie zigeunerhoer, baby's in luiers, een dikke kok, musici. Het is zo mooi als Zola, maar gezonder en vrolijker, zij het net zo levend." (cat. p.66). Ook de twee Haarlemse musea, Teylers en het Frans Hals, erkennen enige verwantschap en bieden een combiticket aan, tegen een reductie. Maar uiteraard kunt u beide musea ook apart bezoeken. Let op: Teylers werkt alleen met online-tickets en time-slots en het Frans Hals kunt u gewoon binnenlopen.

Slotstuk
De tentoonstelling in het Teylers Museum is het slotstuk van een drieluik over de grote tekenaars van de Italiaanse renaissance. De allereerste tentoonstelling betrof tekeningen van Michelangelo (in 2005), daarna Rafaël (in 2012) en nu deze indrukwekkende tentoonstelling van Leonardo da Vinci. Het Teylers zelf bezit een grote verzameling tekeningen (1700 stuks), waaronder werken van Rafaël en Michelangelo, maar niets van Da Vinci. Het moest dus voor deze herdenking van Leonardo's 500ste sterfdag, volgend jaar, uit bedelen. De Britse vorstin Elizabeth II was genereus en leende er twintig aan het Haarlemse museum. De collectie van de Windsors kan dat wel lijden, zij telt 600 exemplaren van de wereldberoemde Italiaanse 'uomo universale'. Andere tekeningen komen uit onder meer Parijs, Hamburg, Londen, Florence, Venetië, Wenen, Den Haag, Rotterdam en Amsterdam. Dat betekende voor de twee conservatoren van deze tentoonstelling vele jaren van voorbereiding, van reizen en overtuigen. Het resultaat is fascinerend.

Leonardo da Vinci staat, gezien zijn geschriften en tekeningen, bekend als een van de nieuwsgierigste mensen ter wereld. Zijn duizenden waarnemingen, experimenten en analyses, vastgelegd met zijn pen en tekenstift, getuigen van Leonardo's streven te begrijpen, kennis te verwerven, uit te blinken en roem te vergaren. In zijn opvatting was schilderen de nuttigste van alle wetenschappen. Een schilder moest kennis van de natuur hebben, omdat hij deze zo getrouw mogelijk moest uitbeelden. Geometrie, perspectief, anatomie, licht en schaduw, de uitdrukking van emoties, temperamentenleer, dat allemaal moest een schilder kunnen begrijpen. De schilderkunst was ook superieur aan de literatuur, aangezien de meeste mensen makkelijker beeld dan tekst begrijpen.

We kennen de schilder Da Vinci als de schilder van harmonieus geproportioneerde gezichten, jeugdige vrouwen en mannen, met fijn gepenseelde gewaden, halskettingen, oorbellen en mysterieuze glimlachen. De uitdrukking op de gezichten van zijn modellen suggereren een diepe gevoelswereld, een zachte ironie zoals bij 'Cecilia Gallerani' (1490) en 'Dame met de hermelijn', een voorzichtig wantrouwen bij 'Lucrezia Crivelli' (1494) of de intense moederlijkheid van Maria met haar kind ('Maria en Ana', 1519). Hoe hij door middel van zijn schetsen probeerde de perfectie te bereiken, wordt op de tentoonstelling mooi duidelijk gemaakt aan de hand van zijn wereldberoemde fresco 'Het Laatste Avondmaal' (1498), in het echt te bewonderen in het klooster Santa Maria delle Grazie in Milaan. Het is in Haarlem aanwezig op een muur met nissen, als een geprojecteerde kopie in drie delen.

Aan de wand hangen studies voor de rechterarm van Petrus, een tekening om te oefenen op de gevouwen handen van Johannes de Evangelist, een overzicht van de tafelindeling, de tekening van de gedraaide kop van de verrader Judas met gespannen nek en halsspieren en een studie van het hoofd van Jacobus de Meerdere. Je kan dus de voorstudies bekijken waarmee Leonardo oefende op uitdrukking, stand, spieren en verhoudingen en op hetzelfde moment het uiteindelijke resultaat zien in de twaalf apostelen aan de tafel van het avondmaal op de wand. Het langst deed hij over het vinden van de juiste kop voor Judas. De abt van het klooster had al bij Ludovico Sforza, de hertog van Milaan geklaagd dat Da Vinci voortdurend afwezig was en dus niet werkte aan het fresco. Toen Sforza Leonardo op het matje riep, legde deze uit dat hij nog geen geschikt model gevonden had tijdens zijn zwerftochten door Milaan, "maar dat hij uiteindelijk, mocht hij niets beters vinden, altijd nog dat hoofd van die onheuse, aanmatigende prior had". (catalogus p.46) Hij vond zijn ideale Judas tenslotte in een achterbuurt.

Details
Deze wijze van presenteren schept de mogelijkheid om de schitterende details in het 'Avondmaal' goed te bekijken. Op de tekening staan Judas' hals- en nekspieren onder hoogspanning en op het geprojecteerde fresco heeft hij zijn hoofd gedraaid naar Petrus en Johannes die achter zijn rug om in gesprek zijn. Judas stoot een zoutvaatje op tafel om. Een slecht voorteken. Andere voorbeelden van mooie details. Petrus grijpt naar zijn mes, Bartolomeüs maakt met twee handen een afwerend gebaar, Thomas steekt in twijfel zijn vinger omhoog en aan de linkerkant van de tafel (voor de kijker rechts) zorgen Mattheüs, Thaddeüs en Simon voor veel opwinding. Jezus, in het symmetrische midden, oogt kalm en wijs, de rechterhand in een grijpgebaar, de linker naar boven open gevouwen. Hij heeft net verteld dat hij door een van de aanwezigen verraden zal worden. Om hem heen rumoer, vragen, protest, ongeloof, het fresco is een en al beweging en emotie.

Deze schildering vol drama en energie zorgde voor een ommekeer in de schilderkunst. Tot dan toe werd het laatste avondmaal geschilderd als een bevroren tafereel, iedereen netjes op een rij, Judas zat meestal apart, altijd zonder aureool. Geen reacties, geen treurnis, geen heftigheid. Van Leonardo's nieuwlichterij verspreidden zich onmiddellijk prenten door heel Europa en al tijdens Leonardo's leven werden er ettelijke kopieën geschilderd. Leonardo's interpretatie maakte school. Zeker ook in de Nederlanden. Een treffend voorbeeld is de compositie van 'De bruiloft van Simson' (1638) van Rembrandt. Simson's weelderig geklede Filistijnse bruid neemt, vol in het licht, de plaats in van Jezus aan Leonardo's eettafel, naast haar zorgt Simson, die een raadsel opgeeft aan de bruiloftsgasten, voor veel reuring. Het is een plechtig en tegelijk emotioneel schilderij. Rembrandt kende een prent van Leonardo's fresco.

Kopiëren van Frans Hals
Ondanks Leonardo's vermaan zelf op onderzoek uit te gaan en niet te kopiëren, werd het natekenen en -schilderen de geëigende methode om het vak op kunstacademies of bij meesters te leren. Autodidacten, zoals ze in onze tijd voorkomen, bestonden voorheen nauwelijks. Het Frans Hals Museum heeft zelfs een tentoonstelling gewijd aan het kopiëren van en geïnspireerd raken door een meester, Frans Hals dus. Wonderlijk genoeg herhaalde zich in dit geval een soortgelijke geschiedenis als rond de revolutionaire schwung van Leonardo da Vinci.

Frans Hals werd in de 19de eeuw als een meester van modern schilderen herontdekt door gevierde grootmeesters als Manet, Liebermann, Van Gogh en vele anderen. Anderhalve eeuw was hij verguisd geweest als een losbol en een dronkenlap. Dat onterechte oordeel werd vooral gelanceerd door zijn eerste biograaf Arnold Houbraken, schrijver en schilder van vooral bijbelse taferelen. Vandaar wellicht. Vanaf Hals' dood tot diep in de 19de eeuw, werd de schilderkunst gedomineerd door regels die bedacht waren door de professoren van de Academies die door de staat betaald werden. Zo moest een schilder verheven onderwerpen uitbeelden, naakt mocht alleen als het Griekse of Romeinse godinnen betrof, een gladde stijl en heldere lijnvoering waren verplicht, losse verfstrepen en dikke klodders waren verboden. De schilders die opgeleid waren volgens deze regels, zaten weer in de commissies die nieuw aanstormend talent moesten beoordelen. Uiteraard aan de hand van de regels die ook voor hen hadden gegolden. Zo verstikte iedere originaliteit en creativiteit.

Sloopwerk
Langzaam werd dit gestolde regelgedrocht gesloopt. Eerst door Eugène Delacroix, de frontman van de romantiek, vervolgens door de realist Gustave Courbet, daarna kwam de tweede golf van realisten, met de schilders van Barbizon, zoals Jean-François Millet en Charles-François Daubigny, die weliswaar opgeleid waren volgens het academisme, maar zich losmaakten van regels en met hun ezels de natuur introkken, waar ze in de bossen rond Barbizon maar weinig Griekse godinnen tegenkwamen. Deze school geldt als de voorloper van de impressionisten en na de opkomst van Edouard Manet, Vincent van Gogh, Claude Monet, was het wel gedaan met de rigiditeit van de officiële opleidingen.

Frans Hals werd herontdekt door de Franse criticus Théophile Thoré, die als politieke balling een tijd in Brussel woonde en geregeld Nederland bezocht onder zijn schuilnaam W. Bürger. In 1863 zag hij op de bovenzalen van het stadhuis in Haarlem Hals' regenten- en schuttersstukken. Thoré kwam een paar keer terug en schreef het jaar daarop een lovende recensie in het gezaghebbende Franse tijdschrift Gazette des Beaux Arts. "Ik ken geen schilderijen die met zoveel elan zijn uitgevoerd. De levensgrote figuren, gemodelleerd met brede, zwierige toetsen, steken in reliëf buiten de lijst uit. Het is prachtig en bijna beangstigend." (Cat. p.8)

Vervolgens was er geen houden meer aan. Vele moderne Franse meesters namen de stoomtrein naar Haarlem, in hun kielzog volgden Duitsers, Engelsen en Amerikanen. Ze waren zo gegrepen door Hals, dat ze zijn aanpak en stijl geheel in hun vingers wilden krijgen en aan het kopiëren sloegen. Wie er kwamen, valt terug te vinden in de gastenboeken. Een aantal van die kopieën en de door Hals geïnspireerde schilderijen, heeft het museum bijeengebracht en naast de oorspronkelijke Frans Halsen tentoongesteld. Dat levert een verrassend levendige expositie op. Gustave Courbet heeft 'Malle Babbe' gekopieerd, John Singer Sargent vooral de kraag van een vaandeldrager, James Ensor een paar regentessen en William Merritt Chase schilderde zichzelf als een officier van de Cluveniersschutterij.

Vele andere schilders werden geïnspireerd door Hals' brede vlotte penseelstreken met losse toets. Max Liebermann, de beroemdste Duitse impressionist en kunstprofessor, die in Barbizon had gezeten, vele Nederlandse schilders tot zijn vrienden rekende en Nederlands sprak, was de grootste bewonderaar van Frans Hals. Hij noemde hem de meest fantasievolle schilder ooit. Hij genoot van de snelle verfstreken van Hals en waardeerde zijn vrije geest. Een gevleugelde uitspraak van hem is: "Door de schilderijen van Frans Hals krijg je lust te gaan schilderen, door die van Rembrandt vergaat je de lust daartoe (cat. p.18)." Van Liebermann hangt een bijzonder portret van de toenmalige burgemeester van Hamburg (1891) op de tentoonstelling, zo weggelopen uit een regenten-schilderij van Hals: zwarte mantel, witte molensteenkraag, hoge hoed, sabel op de linkerheup, gespen op de lakschoenen en een zakdoek in de linkerhand.

Manet, die getrouwd met een Nederlandse, Suzanne Leenhoff uit Zaltbommel, bezocht, wanneer hij in Nederland was, het Stedelijk Museum in Haarlem. Ook hij raakte gefascineerd door Hals zwierige penseelvoering. Bij zijn tweede bezoek schilderde hij zijn eigen versie van Hals' 'De vrolijke drinker' (1629) en noemde haar 'Le Bon Bock' (1873), ook op de expositie in Haarlem te zien. Kijk maar eens goed naar de 'Postbode Joseph Roulin' (1888) en je ziet meteen dat Vincent van Gogh een waardig landgenoot en erfgenaam van Frans Hals is, zoals de Franse kunstcriticus Albert Aurier opmerkte (cat. p. 90). Van Gogh ging anders schilderen toen hij het gebruik van pure kleur en de vrije penseelstreek van Frans Hals had gezien.

Het Frans Hals zet een prettige trend in de museumwereld voort, namelijk geen catalogus meer uitbrengen bij een tentoonstelling die weinig wetenschappelijke voorbereiding nodig had. In zulke gevallen heeft het gemiddelde publiek genoeg aan een tijdschrift vol interessante achtergrondverhalen, een summiere catalogus en veel 'faits divers'. Met de expositie 'Paden naar het Paradijs' was Museum Twenthe in 2015 een van de eerste die deze trend inzette. Dit jaar was er een mooi exemplaar te koop bij de tentoonstelling 'Aan Zee' in het Gemeentemuseum Den Haag en nu dus een gevarieerd nummer in het Frans Hals. Aan veel onderwerpen wordt een artikel gewijd, Frans Hals als inspiratiebron nu, de molensteenkraag, de penseelvoering van Frans Hals, de herontdekker van Frans Hals, Théophile Thoré.

Alles zwierig geïllustreerd door een tekenaar die ook in de tentoonstelling voortdurend aanwezig is, met getekende uitleg en volgetekende scheidingswanden. Bij een stripverhaal over Whistler in het tijdschrift, lees ik in een hele kleine letter zijn naam: Aart Taminiau. Over hem had ik ook wel een artikel willen lezen. Zou Aart te bescheiden en verlegen zijn geweest, of is dit gewoon een stomme omissie van de samenstellers?

Leonardo da Vinci, t/m 6 januari 2019, Teylers Museum, Spaarne 16, Haarlem. Website: www.teylersmuseum.nl.

Frans Hals en de Modernen, t/m 24 februari 2019, Frans Hals Museum, Groot Heiligland 62, Haarlem. Website: www.franshalsmuseum.nl.

Peter van Dijk is journalist.