Febr. - apr. 2019, 14e jg. nr.1. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 

Utrecht, Caravaggio en Europa

Na zoveel jaren van voorbereiding, met veel rumoer in de media aangekondigd, door de koning geopend en een time-slot dat de stroom bezoekers moet doseren, zou de tentoonstelling over Caravaggio en zijn invloed op zijn Europese collega's in het Utrechtse Centraal Museum moeten imponeren. Maar dat valt wat tegen.

Door Peter van Dijk

Het is zeker een originele en onderhoudende tentoonstelling geworden. Maar Caravaggio (1571-1610) zelf is nauwelijks aanwezig en de invloed op zijn Nederlandse navolgers is erg betrekkelijk. Mijn scepsis komt wellicht omdat mijn bezoek viel na 15 januari en ik dus het beste werk van Caravaggio (volgens zijn tijdgenoten) heb gemist, 'De graflegging van Christus' (1603). Dat schilderij mocht maar een maand het Vaticaan verlaten, maar in april as. kan het alweer naar München reizen. Daar is het vanaf 17 april opnieuw een maand te zien.

Er hangen in Utrecht slechts twee, kleinere, Caravaggio's, een 'Medusa', (er bestaan twee versies, dit is de gesigneerde uit 1597), eigendom van een particuliere verzamelaar en 'De mediterende Hiëronymus' (1606), die uit Montserrat in Spanje is overgekomen. Een beetje weinig voor een tentoonstelling die de invloed van de maestro wil demonstreren. Zeker voor de bezoekers van de indrukwekkende dubbeltentoonstelling 'Caravaggio-Rembrandt', die het Van Gogh in 2006 organiseerde, omdat het Rijks wegens verbouwing gesloten was. Toen hingen er veertien topstukken van de Italiaanse geweldenaar naast negentien Rembrandts. Ook de Hollandse Caravaggisten, nu het hart van de Utrechtse tentoonstelling, hingen toen in het Van Gogh.

Maar dankzij beide werken van Caravaggio op de Utrechtse expositie kun je toch wel enigszins begrijpen waarom aanpak en stijl van de Italiaanse vernieuwer zo aanspreken. Bij Caravaggio draait alles om actie, emotie en levensechtheid, gesteund door een sterk licht-donker effect. Hij schilderde het echte leven en niet, zoals zijn voorlopers, de wereld als een voorpost van de hemel.

Van de straat
Caravaggio's heilige Hiëronymus is een treurige oude man, zo van de straat gehaald, peinzend, half bloot. Over de lendenen ligt zijn afgegleden rode mantel, een verwijzing naar zijn tijd als kardinaal. In de buikstreek, in de mantel en rondom zijn uitgemergelde lijf kun je heel goed het stijlmiddel van de meester bewonderen: het 'chiaroscuro', het clair-obscur, een oude techniek die door Caravaggio, dankzij het zware dramatische effect, als een nieuwe techniek werd gelanceerd. Door de krachtige overgang van zwart naar licht, ogen de rimpels van de oude mannenbuik en de plooien in de mantel driedimensionaal.

Ook een andere bekende aanpak blies hij nieuw leven in. Een eeuw eerder schilderde en tekende Leonardo da Vinci al modellen die hij op de pleinen en in de achterbuurten van Florence gevonden had, maar je kunt hen niet bewonderen in zijn allerbekendste werken zoals de 'Mona Lisa', 'De dame met de hermelijn' of 'Maria met haar kind'. Wel in zijn tekeningen voor 'Het Laatste Avondmaal'. Leonardo was vooral geboeid door wonderlijke en bizarre koppen. Caravaggio zocht een eeuw later zijn modellen eveneens onder het gewone volk, maar hij zette hen wel realistisch op het doek, als gewone mensen, soms ongewassen en pokdalig. Voeten van heiligen kunnen er bij hem smerig uitzien.

Op het andere schilderij van Caravaggio in Utrecht zien we de enge, angstwekkende oogbollen van Medusa onder een haardos van kronkelende slangen. Het clair-obscur-effect in dit schilderij schuilt in het contrast tussen het versteende wit van het verlichte gezicht en de duistere slangen en ondergrond. Angst en zwart horen bij elkaar.

De schilder en leraar Karel van Mander (1548-1606) heeft in zijn tijd de faam van Caravaggio naar Nederland gebracht. Hij raadde jonge schilders aan om net als hijzelf naar Italië te reizen en daar bestaande kunstwerken te 'stelen en te rapen', dat is afkijken en nabootsen. Van Mander zelf woonde drie jaar in Rome, dat in die tijd het kunstzinnige centrum van Europa was, dankzij het mengsel van oud en nieuw, zoals Romeinse ruïnes naast bouwputten voor nieuwe pelgrimskerken. Kerken, kerkvorsten en adel gaven jonge schilders opdrachten voor altaarstukken, decoraties en ramen.

Van Mander heeft Caravaggio waarschijnlijk niet ontmoet, maar hij kende zijn werk. In zijn Schilder-boeck uit 1604 schrijft hij dat Caravaggio 'wonderlijke dingen' aan het doen was en hij spoort jonge schilders aan Caravaggio na te volgen: 'Sooveel zijn handelinghe belangt, die is sulcx, dat se seer bevallijck is, en een wonder fraey maniere, om de Schilder-jeught nae te volgen'.

Zuidwaarts
Drie jonge Utrechtse schilders, Dirck van Baburen, Gerard van Honthorst en Hendrick ter Brugghen, volgden de raad van Van Mander op en trokken, ter afsluiting van hun opleiding, rond 1607 zuidwaarts. Ze troffen daar zo'n 2.700 andere kunstenaars, allemaal op zoek naar opdrachten, waarvan 570 buitenlanders, waaronder een vijftigtal Noord-Nederlanders. Vaak woonden ze bij elkaar in dezelfde wijken, soms in hetzelfde huis, zoals Baburen en David de Haen. Ze gebruikten vaak dezelfde modellen en rekwisieten en wisselden ideeën uit.

Velen waren gefascineerd door Caravaggio, die 'dal naturale', naar het echte leven schilderde. Hij schilderde niet alleen het echte leven, hij leefde ook zijn eigen echte leven, onverschrokken en bandeloos, soms verlopen, emotioneel, veel drank en vrouwen, een vechtersbaas die het zwaard snel in de hand nam. Hij ontvluchtte Rome op verdenking van moord. Ook de jonge Nederlandse schilders keken, behalve zijn realistische schilderstijl, zijn realistische levensstijl af. Ze zaten regelmatig in de beruchte kroegen van het Campio Marzio. Honthorst leefde een tijdje met een prostituee en belandde een nacht in de cel. Ter Brugghen en Baburen waren lid van de Bentvueghels, een Nederlandse vriendenclub ter ere van Bacchus.

De drie Utrechtse schilders hadden succes in Rome. Dirck van Baburen (1592-1624) kreeg op zijn tweeëntwintigste als eerste een opdracht. Hij schilderde in 1615 voor de Santa Maria dei Servi in Parma de 'Marteldood van de heilige Sebastiaan'. Het werk is verloren gegaan. Honthorst (1592-1656) was iets ouder toen hij in 1617 van de ongeschoeide karmelieten de opdracht kreeg voor het hoofdaltaar van de kerk Santa Maria della Vittoria. Hij schilderde 'De heilige Paulus op weg naar de derde hemel'. Het was het begin van zijn bekendheid. Zijn volgende opdracht was een 'Onthoofding van Johannes de Doper'. Daarna meldde prinses Flaminia Collona Gonzaga zich, zij wilde zich laten portretteren op een altaarstuk.

De belangrijkste mecenassen van Rome, de gebroeders Giustiniani, gaven vele buitenlandse schilders, waaronder Honthorst en Baburen, opdrachten. Er werd ook flink voor de vrije markt geschilderd, vooral kroegtaferelen, muzikanten en feestpartijen. Kardinaal Francesco Maria del Monte bezat een 'Musicerend gezelschap' van Honthorst.

Roem
Honthorst en Baburen bleven tien jaar in Rome en oogstten roem. Van Ter Brugghen (1588-1629) zijn geen schilderijen uit zijn Romeinse tijd bekend, dus over succes of gebrek daaraan valt niets te zeggen.
Bij hun terugkeer was, dankzij de twaalfjarige wapenstilstand (1609-1621) tijdens de 80-jarige oorlog met Spanje, de economische toestand in de republiek flink verbeterd. De handel met de rest van de wereld groeide hard en de burgerij investeerde en verfraaide haar huizen.

Er was volop werk voor de teruggekeerde Italiëgangers. Burgers, katholieke schuilkerken en kerken van allerlei protestantse denominaties bestelden schilderijen. Uit deze productie en die van andere Caravaggio-navolgers, zoals Otazio Gentileschi, Bartolomeo Manfredi, Jusepe de Ribera, Orazio Borgianni en Valentin de Boulogne, stelden de conservatoren in Utrecht hun keuze samen en groepeerden die thematisch.

Dat was een gelukkige greep, want bij ontstentenis van Carravagio, kunnen we nu bij ieder thema drie of vier van deze navolger-schilders beoordelen. Wie is het best in compositie, wie schildert het mooist figuren, bij wie is verstilling het best weergeven, bij wie spat de feestvreugde eraf, waarom al die verschillen? Een kleine competitie in esthetiek en vervoering.

Van Honthorst wint
Van Honthorst is duidelijk de evenwichtigste van het stel Nederlanders. De figuren van Baburen hebben soms rare platte voorhoofden, opgeblazen voeten of een te grote hand, zoals de 'Fluitspeler' (1621). Zijn 'Jongen met mondharp' (1621) maakt een doodse indruk, meer een etalagepop dan een levenslustige muzikant. Misschien ligt het aan het instrument, want zijn fluitspelers zijn weer ontroerend mooi.

Bij Ter Brugghen schort het geregeld aan de verhoudingen, te korte armen, te zware armen, krap in de kleren. Maar zijn 'De roeping van Mattheüs' (1621) maakt weer indruk, ondanks een onnatuurlijk lange duim die voor de neus van Mattheüs zweeft. De duim moet waarschijnlijk een wijsvinger zijn, zoals bij alle vijf andere heren en jongens op dit schilderij.

Gerard van Honthorst in Holland wijkt wel af van de Italiaanse Van Honthorst. Hij gebruikte terug in Nederland warm-bruine grondlagen en heldere decoratieve kleuren, en raakte ver afgedwaald van zijn Caravageske inspiratiebronnen. Dit is goed te zien in zijn 'Musicerend gezelschap' (1623). In Rome werd Honthorst 'Gerard van de nachten' genoemd. In Nederland maakte hij die bijnaam opnieuw waar. Hij plaatste geregeld een lichtbron, een kaars of een toorts achter een object of persoon, waardoor je de vlam niet ziet, maar wel de belichting. Hierdoor ontstaat een intiemer beeld.

Een mooi voorbeeld is 'De koppelaarster' (1625), waarin de kaarsvlam net zichtbaar is achter de schouder van een jongeman en het licht van de kaars over het leuke gezicht en het decolleté van een jonge schone speelt. Op één schilderij is de kaars wel zichtbaar, de kandelaar staat tussen de deemoedige Christus en de belerende hogepriester, die achter zijn tafel zit. Alleen de voorzijden van beide mannen worden verlicht, de rest van het gezelschap valt weg in de schemer. De vermaningen van de hogepriester tegen Jezus lijken door de intieme sfeer nogal gemoedelijk van aard.

Honthorsts figuren zijn esthetischer en zijn composities zijn ruimer opgezet dan die van zijn Utrechtse vakbroeders. Eén van zijn allermooiste schilderijen vind ik 'De heilige Sebastiaan' (1623), in bezit van de The National Gallery (Londen). De heilige heeft een prachtig geschilderde huid, met een paar dunne straaltjes bloed, maar het is vooral een superieure compositie die intens lijden uitdrukt, door een arm laag vastgebonden aan een paal en de linker diagonaal omhoog, vastgebonden aan een tak. Ter Brugghen kan daar met zijn 'Sebastiaan en Irene' (1625), ondanks een gelijksoortige compositie, niet tegenop. Honthorst wint vele vergelijkingen.

In deze bespreking heb ik tot nu toe vooral aandacht besteed aan de Utrechtse schilders, die Caravaggio bestudeerd hebben. Per slot van rekening is dit een Utrechtse tentoonstelling. Onder het werk van de Zuid-Europese navolgers bevindt zich echter een aantal schitterende werken. Jusepe de Ribera spant wel de kroon met 'De heilige Andreas' uit 1620. Geheel in de stijl van Caravaggio, met een diep zwarte mantel en een verstilde devotie die verhevigd wordt door een lichtbron van boven. Let ook op de 'Verloochening door Petrus' (1616). Door de tastbare verslagenheid bij het gezelschap op dit werk, wint het van de zes andere geschilderde verloocheningen.

Nicolas Tournier schilderde ook recht in de leer van Caravaggio. Op zijn 'Graflegging van Christus' uit 1635 zijn slechts twee personen, een jonge en een oudere man, aanwezig, naast de dode Christus. Maar ze doen iets nuttigs, namelijk het lijk prepareren voor de teraardebestelling. De oudere man heeft een oplichtende blauwe tulband op zijn hoofd, een kwast in zijn hand en hij zoekt met zijn ogen iets op de grond. Vooraan een schaal, een schenkkan en zwarte bloemen. Het werk is geschilderd in een sterk chiaroscuro, in de stijl van de Italiaanse meester. De graflegging van Caravaggio zelf, telt vijf omstanders die hun verdriet op oosterse wijze door luid misbaar laten vergezellen. Eigenlijk overtreft de navolger de meester in het weergeven van de plechtigheid en het drama van het moment.

Al met al een mooie tentoonstelling, vrijwel zonder Caravaggio, maar zijn hand is zichtbaar bij De Ribera en Tournier. Maar in feite is het ook een tentoonstelling zonder Nederlandse navolgers van Caravaggio. In de voortreffelijke catalogus lezen we in het essay van Ashok Roy, een grootheid op het gebied van verf en schildertechnieken en directeur van de Londense National Gallery, dat het Hollandse werk van de drie Utrechtse Caravaggisten losstaat van de invloed van Caravaggio.
"In de meeste musea overal ter wereld waar schilderijen van Baburen, Ter Brugghen en Honthorst te bezichtigen zijn, wordt op het informatiebordje steevast hun schatplichtigheid aan Caravaggio genoemd, of worden ze als voorbeelden van het caravaggisme bestempeld."

Historisch misschien onvermijdelijk, schrijft Roy, maar onzin. Deze schilders hebben na hun terugkeer uit Italië hun Romeinse gewoontes, zoals het schilderen op een enkele donkere grondering, achter zich gelaten en zijn hun schilderingen gaan zetten op de toen in Holland gebruikelijke dubbele grondlaag. Volgens Roy was dat een radicale verandering, waardoor de toon van het schilderij warmer werd. Hij verwijst als voorbeeld naar de Londense 'Luitspeler' van Ter Brugghen. De Nederlandse Caravaggisten hanteerden terug in Nederland een vlakkere stijl, gebruikten minder zwarte pigmenten en ze schilderden kleurrijker dan Caravaggio en diens zuidelijke navolgers.

'Utrecht, Caravaggio en Europa' is een tentoonstelling geworden over de invloed van Caravaggio op een paar Zuid-Europese navolgers en de verschillen tussen Caravaggio en de zogenaamde Hollandse Caravaggisten.

Utrecht, Caravaggio en Europa, t/m 24 maart 2019, Centraal Museum, Agnietenstraat 1, Utrecht. Website: www.centraalmuseum.nl.

Alte Pinakothek, Barer Straße 27, München (Duitsland), 17 april t/m 21 juli 2019. Website: www.pinakothek.de.

Peter van Dijk is journalist.