Mei - juni 2019, 14e jg. nr.2. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 

Eerbetonen aan het Bauhaus

Het Bauhaus bestond slechts veertien jaar, maar heeft een onuitwisbare invloed gehad op architectuur, kunst en ontwerp. Dat laat een tentoonstelling in Rotterdam zien en de openingstentoonstelling in het nieuwe Bauhaus-Museum in Weimar.

Door Han de Kluijver

Dit jaar wordt de honderdste Bauhaus-verjaardag groots gevierd met de opening van het Bauhaus-Museum in Weimar (5 april), de opening van het vernieuwde Bauhaus Museum in Dessau (8 september) en talloze exposities. De tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam (t/m 26 mei 2019) is bijzonder de moeite waard. 'nederland ? bauhaus – pioniers van een nieuwe wereld' laat op overtuigende wijze zien hoe architecten en kunstenaars uit Nederland en het Bauhaus elkaar wederzijds beïnvloedden. Zo doceerden de architecten Mart Stam en Johan Niegeman in Dessau en was de pionier van het nieuwe bouwen in Nederland, J.J.P. Oud, invloedrijk in de beginjaren van de school.

Toen Theo van Doesburg in 1921 voor het eerst het Bauhaus in Weimar bezocht om het woord van De Stijl te verkondigen, stond de school nog in het teken van het expressionisme. Voor Theo van Doesburgs was het expressionisme een door de tijdgeest achterhaalde stijl en zijn acties hiertegen zorgden voor onrust binnen Bauhaus en directeur Walter Gropius was niet blij met z'n komst. Ondanks dat Van Doesburg er geen docent is geweest, is zijn invloed op de koerswijziging van expressionisme naar constructivisme van het Bauhaus, door zijn cursussen over De Stijl in zijn atelier, van groot belang geweest.

De tentoonstelling duidt de drie bepalende perioden van het Bauhaus: die van 'ambacht en utopie' (1919-1923), 'industrie en experiment' (1923-1928) en 'architectuur en wetenschap'. Die laatste periode liep af in 1933 toen de Nazi's de school sloten. De idealen van de school – het scheppen van een betere wereld met kunsten en ideeën – stonden haaks op die van het nationaal-socialisme. Het Bauhaus moest in haar korte bestaan twee keer verhuizen, kende financiële tegenslagen, en dat in een periode van grote politieke verschuivingen. Toch kon zij uitgroeien tot de meest invloedrijke ontwerpschool van de twintigste eeuw. Bauhaus zou de wereld van de vormgeving voorgoed veranderen.

De Weimarperiode
De ontwerpschool ontstond in de roerige periode na de Eerste Wereldoorlog, een jaar nadat Duitsland als verliezer en ontredderd uit de oorlog was gekomen. Kunstenaars gingen op zoek naar manieren om een betere toekomst te scheppen. Walter Gropius was een van die pionierende idealisten. Toen hij het Bauhaus in 1919 in Weimar oprichtte, wilde hij via onderwijs de kloof overbruggen tussen kunstenaars en arbeiders. In de Weimarrepubliek was ook grote behoefte aan zelfontplooiing. Er ontstond gaandeweg een wereldbeeld waarin de menselijke ziel als centrum van het bestaan werd gezien.

Het Bauhaus voert terug naar de arts-and-craftsbeweging die aan het einde van de negentiende eeuw in Engeland ontstond, als reactie op de industrialisatie. Ook in het Duitse keizerrijk heerste toen de angst dat de industrialisatie de nationale cultuur zou kunnen bedreigen en daarmee de ambachten die van generatie op generatie werden overgedragen.

Maar waar de arts-and-craftsbeweging de oplossing zocht in het handwerk van het verleden, probeerde het Bauhaus een brug te slaan tussen kunst en industrie. Daarom gingen de Bauhaus-ontwerpers in toenemende mate experimenteren met het maken van meubels in massaproductie. Volgens Mienke Simon Thomas, de samensteller van de Boijmans-tentoonstelling, is IKEA dan ook een directe afstammeling van het Bauhaus.

Ligt de ziel van het Bauhaus in dit minimalistische museum in Weimar?
Het nieuwe Bauhaus-Museum in Weimar laat zien wat de invloed van het Bauhaus is op de hedendaagse architectuur. Het ontwerp van de Berlijnse architect Heike Hanada, in samenwerking met Benedict Tonon, is een monolithische kubus van vijf verdiepingen die op een betonnen sokkel staat.

Aan de binnenkant is het museum een complexe ruimtelijke structuur, maar de buitenkant is van een opvallende eenvoud. Op de parkhelling staat het museum als een vrijstaand eenzaam object, een enkel, rechthoekig volume, bedoeld als een sterke iconische vorm. De gevel is van horizontale 'zwevende' betonnen panelen, die de voorkeur kregen boven glaswanden, die voor een spiegelende, afstandelijke uitstraling zouden zorgen. Deze betonnen gevel oogt natuurlijker, maar doet wel denken aan de grauwe monotone uitbreidingswijken uit het voormalig Oost-Duitsland.

Om de horizontale vloeiende ruimte ook in verticale richting tussen de verdiepingen door te laten lopen, zijn smalle steile trappen gemaakt. Een daarvan leidt vanaf de bovenste verdieping via een schacht naar de begane grond. Deze trap geeft je een claustrofobisch gevoel van ruimte, die helaas niet ver verwijderd is van de zuilengalerij in het naastgelegen Gauforum. Dit kolossale gebouw uit 1937 moest de macht van de nationaal-socialisten benadrukken.

Verfijnd lijnenspel
Een asymmetrisch raster van fijne geëtste zwarte lijnen vormt een regelmatig ritme, met in verzonken reliëf een doorlopende band met de woorden 'bauhaus-museum'. 's Nachts lichten vierentwintig witte LED-lijnen op die de geometrie van het gebouw benadrukken, maar zij maken het gebouw niet lichter.
Dit samenspel van horizontale en verticale lijnen wordt doorgezet in het ruwe betonnen interieur. De betonnen wanden zijn met witkalk behandeld en niet gestuukt, alsof het werkplaatsen zijn. De eveneens betonnen plafonds bestaan uit onbehandelde ribben, waartussen de installaties zijn weggewerkt. De kozijnen van deuren en ramen zijn van zilvergrijs, gepoedercoat staal. Het hoofdportaal, de liften en de balies zijn van galvalume, een met zink beklede staalplaat. Het geheel doet onbewust denken aan andere, monumentale industriële gebouwen, zoals het Tate Modern museum in Londen.

Het moderne gebouw heeft ook classicistische elementen, zoals de betonnen sokkel en de ingelijste betonnen portalen en ramen. Het zijn kenmerken die hun oorsprong in de oudheid hebben. Het is een benadering die ook Mies van der Rohe, de derde en laatste directeur van Bauhaus, beïnvloedde toen hij zijn Neue Nationalgalerie in Berlijn ontwierp. Maar ook de nazi-architect Hermann Giesler gebruikte deze ontwerptaal uit het classicisme in het naastgelegen Gauforum. Als vormcontrast heeft Heike Hanada gekozen voor opvallend grote horizontale en verticale raamopeningen, die voor sterke verbindingen tussen interieur en omgeving moeten zorgen.

Sundial for Spatial Echoes
In de entree van het Bauhaus-Museum in Weimar hangt de installatie 'Sundial for Spatial Echoes' van de in Berlijn wonende Argentijnse kunstenaar Tomás Saraceno (1973, Tucuman, AR). De installatie bestaat uit honingraatachtige 'wolkenclusters', gemaakt van spiegelglas. Het zijn architectonische ruimtes die eruit zien als celachtige, zwevende steden, die net als wolken van vorm veranderen, zich met elkaar verbinden en weer opdelen.

In letterlijke en figuurlijke zin wordt hier de vraag naar het begin en het einde van ruimte gesteld. Elke verandering van perspectief biedt nieuwe mogelijkheden voor verbeelding en nieuwsgierigheid. Ik ken het werk van Saraceno alleen door de tentoonstelling 'On Air' in het Parijse Palais de Tokyo, met haar hangende spinnenwebben, en zijn onderzoek om als mens te kunnen vliegen zonder gebruik te maken van fossiele brandstoffen. Deze wolkeninstallatie is echter ook indrukwekkend.

Saraceno's projecten zijn nauw verwant aan het ongebreidelde utopisme van radicale architecten zoals Peter Cook, oprichter van Archizoom, en Yona Friedman, bekend van zijn 'geschorste' steden en de uitvinder van de 'geodetische' koepel uit de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Spinnenwebben, astrofysica en legendarische visionairen zoals Buckminster Fuller zijn slechts enkele van Saraceno's inspiratiebronnen. Wat dat betreft sluit deze kunstenaar perfect aan bij het idealisme van het Bauhaus.

Een modern mausoleum
Door de realisatie van dit museumgebouw kan de stad Weimar haar belangrijke Bauhaus-erfenis nog beter op de voorgrond plaatsen. Toch is daar wel iets op aan te merken. Zo doordacht als het ontwerp is, zo afgeraffeld zien sommige details er uit. De Duitse perfectie is soms ver te zoeken. Aan de buitenkant sluiten her en der betonnen panelen, maar ook hoeken, niet goed op elkaar aan en maken de nauwelijks witgekalkte wanden een vuile indruk.

En wat op papier prachtig leek te werken, viel in de praktijk tegen: het gebouw gaat allesbehalve op in de omgeving. De 'stenige' uitstraling van het voorplein vormt een groot contrast met het omringende groen. Weimar is een groene stad, maar de betonnen kubus met zijn grauwe omgeving steekt daar schril tegen af. Zonde, want de buitenruimte is bijzonder belangrijk. Het museum bevindt zich tussen het openbaar groen, aangelegd tijdens de Weimar Republiek, en het monumentale Gauforum-complex. Wellicht ziet dit ensemble van gebouwen er anders uit, als het voorplein straks gereed is.

Wat vooral sterk is aan het museumontwerp, zijn de stedenbouwkundige hoogteverschillen. Hierdoor heeft het gebouw onverwachte perspectieven, ingelijste uitzichten en verrassende visuele verbindingen van binnen en van buiten. Het gebouw verdient nog wat 'puntjes op de i' in de afwerking, maar is niettemin een mooi eerbetoon aan het Bauhaus.

Bauhaus-Museum Weimar, Stéphane-Hessel-Platz 1, Weimar, Duitsland. Website: www.klassik-stiftung.de/ bauhaus-museum-weimar.

Han de Kluijver is architect bna bni bnsp.

Terug naar boven