Aug. - sept. 2019, 14e jg. nr.3. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 
VOORKANT ACTUEEL ACHTERGROND AGENDA UITGELICHT ARCHIEF COLOFON 
voorpagina
artikel
recensies van tentoonstellingen

over kunst en
kunstenaars

actuele exposities
Nederland België
opmerkelijke
kunstberichten
artikelen uit  
vorige nummers

over Het Beeldende Kunstjournaal

 

Actueel

Een herinnering aan Bram Hammacher
Kunsthistoricus, museumdirecteur en schrijver

Het Kroller-Müller Museum in Otterlo herdenkt met de grote beeldenexpositie 'Het begin van een nieuwe wereld' de persoon en het werk van oud-directeur Bram Hammacher (1897-2002). Hij had van 1948 tot 1963 de leiding over dit museum en onderscheidde zich door het inzetten van een nieuwe koers, waarbij de ontwikkeling van de moderne beeldhouwkunst zichtbaar werd gemaakt. Door zijn grote kennis van de beeldhouwkunst en talloze contacten met belangrijke beeldhouwers realiseerde Hammacher voor het museum een unieke beeldencollectie en beeldentuin.

Door Wim Adema

Bram Hammacher werd op 12 november 1897 geboren en was het oudste kind van Abraham Hammacher (1853-1927) en Wilhelmina Jacoba ter Smitte (1875-1950). Zelf trouwde hij twee keer. Zijn eerste huwelijk was met Anna Sophia Hooft Graafland (1893-1956) en na haar overlijden hertrouwde hij met de kunsthistorica Renilde van den Brande (1913-2014). Bram Hammacher bereikte de hoge leeftijd van 104 jaar.

In 1948 werd hij bij het Kroller-Müller Museum aangesteld als nieuwe directeur. Hij slaagde erin om naast de befaamde schilderkunstcollectie van oprichtster Helene Kroller-Müller een belangrijke beeldhouwcollectie op te bouwen. Hiermee zette hij bij het museum in Otterlo een geheel nieuwe ontwikkeling in gang.

 
Kröller-Müller Museum, beeldenzaal met werk van o.a. Hepworth, Marini en Zadkine. Foto: Walter Herfst.

Hij realiseerde ook een internationaal vermaarde beeldentuin. In hetzelfde jaar 1948 kreeg Bram Hammacher de P.C. Hooftprijs voor zijn essayistisch werk. Verder was hij buitengewoon hoogleraar Kunstgeschiedenis aan de Technische Hogeschool Delft (1952-1968) en ontving hij een eredoctoraat aan de Rijksuniversiteit Utrecht (1958). Na zijn pensionering in 1963 werd hij als directeur van het museum opgevolgd door Rudi Oxenaar.

Hammacher zat niet stil want hij hield vervolgens honderden voordrachten over kunst, schreef daarnaast honderden artikelen en realiseerde tussen 1967 en 1994 publicaties over onder meer Henry van de Velde, Barbara Hepworth en Marino Marini. In het Musée d'Orsay in Parijs werd hij in 1990 Commandeur des Arts et des Lettres. Ter gelegenheid van het bereiken van de honderdjarige leeftijd, organiseerde hij in het Kroller-Müller Museum een grote expositie met beeldhouwwerk van Picasso, Gonzales, Miro en Chillida. Vanaf 1978 woonde en werkte Bram Hammacher in Brussel. Tijdens zijn laatste levensjaren verbleef hij in Abamo Terme (Italië), waar hij op 19 april 2002 overleed.

Kunsthistorische werkzaamheden
Voor een goed profiel van Bram Hammacher is het belangrijk om eerst een schets te geven van zijn interesses en kunsthistorische werkzaamheden. De klassieke muziek is altijd belangrijk voor hem geweest, maar zijn interesse voor de beeldende kunsten bepaalde uiteindelijk zijn levensloop. Aanvankelijk trok vooral de schilderkunst zijn aandacht en publiceerde hij in de jaren dertig onder meer over Jeroen Bosch, de Amsterdamse impressionisten en hun kring, Vincent van Gogh, Suze Robertson en Dick Ket. Opmerkelijk is zijn publicatie uit 1938 over de 'Stijlveranderingen in de Europeesche postzegels met beeltenis van 1840 tot 1938'. In 1949 stelde Hammacher een grote catalogus samen over de verzameling schilderijen van het Kroller-Müller Museum, met 264 werken. In 1950 volgde een grote tentoonstelling met schilderijen, tekeningen en beeldhouwwerken: 'Van Fanti tot Picasso'. Het werk van onder andere Charley Toorop, Vincent van Gogh en Floris Verster (1878-1942) genoot zijn speciale belangstelling.

Een belangrijk boek over beeldhouwkunst
Voor Bram Hammacher werd de beeldhouwkunst echter steeds belangrijker. Hij vond de ruimtelijke werking van beelden heel belangrijk. Hij hield ook van de ambachtelijke kant van het beeldhouwen en ervoer abstractie en figuratie als beeldtaal als even belangrijk. In 1955 publiceerde hij het belangwekkende boek 'Beeldhouwkunst van deze eeuw en een schets van haar ontwikkeling in de negentiende eeuw', waarin zijn grote kennis en ervaring met de nieuwe beeldhouwkunst tot uitdrukking kwam. Deze ontwikkeling wilde hij ook in het Kroller-Müller Museum laten zien. De beeldencollectie moest een tegenpool vormen voor de grote schilderijenverzameling van dit museum. Door zijn talrijke contacten met belangrijke internationale beeldhouwers kon tussen 1948 tot en 1963 een internationaal vermaarde beeldhouwcollectie opgebouwd worden en werden grote tentoonstellingen georganiseerd.

Museale beeldhouwkunst
Van de Franse beeldhouwer Ossip Zadkine werden in 1948 al twee grote beelden aangekocht, de torso 'Clementius' (1948) en de bronsplastiek 'Zittende vrouw' (1937).

© Ossip Zadkine, 'Rebecca', 1927, Kröller-Müller Museum, Otterlo, c/o Pictoright Amsterdam 2019.

In 1952 volgde de aanschaf van een groot houten beeld van Zadkine met de figuur Rebecca als onderwerp. Hammacher zag de Franse beeldhouwer Auguste Rodin als een van de grondleggers van de nieuwe beeldhouwkunst en kocht drie werken van hem. Met name zijn 'Gehurkte vrouw' uit 1882 verraste hem vanwege de onoverzichtelijke anatomie. Door de grote landschappelijke mogelijkheden van het Kroller-Müller Museum kon Bram Hammacher een dimensie toevoegen aan de expositieruimten van dit museum, namelijk de realisatie van een grote beeldentuin, waar de beeldhouwkunst een avontuur kon aangaan met de natuur.

Deze beeldentuin werd in 1961 geopend en trok direct internationaal aandacht. Het was toen een geheel nieuw en revolutionair concept. Met zijn 25 hectare en ruim 160 sculpturen is het nog steeds een van de grootste beeldentuinen van Europa. Door Hammachers contacten met belangrijke internationale beeldhouwers, ontstond een beeldenpresentatie van een zeer hoog artistiek niveau. Hij kon tijdens zijn directieperiode werken aankopen van onder andere Alexander Archipenko, Jean Arp, Antoine Bourdelle, Julio Gonzales, Barbara Hepworth, Jacques Lipchitz, Marino Marini, Henry Moore en Constant Permeke. Ook niet-westerse beelden waren voor hem een inspiratiebron.

'Het begin van een nieuwe wereld'
De expositie 'De ontwikkeling van de moderne sculptuur' in de zalen van het Kroller-Müller Museum is een belevenis! De geschiedenis van de moderne beeldhouwkunst is opnieuw zichtbaar geworden en laat haar unieke ontwikkeling zien. Het beeld 'Le commencement du monde' van Constantin Brancusi neemt hierbij een centrale plaats in. Deze sculptuur, een schitterend ovalen weergave van een liggend hoofd, vormde voor Bram Hammacher de essentie van de nieuwe beeldhouwkunst. Het beeld was jarenlang onbereikbaar voor hem, maar kon in 1995 toch door het museum aangeschaft worden. Ook het grote beeld 'Ruiter' (1949) van de Italiaanse beeldhouwer Marino Marini is te zien. Van de Nederlandse beeldhouwers Wessel Couzijn en Carel Visser werden grote werken aangekocht: de beelden 'Vliegend' en 'Stervend paard'. Opmerkelijk is de zeer grote beeldende veelzijdigheid van de beeldhouwers.

Een goed voorbeeld is een grote en lange vitrine waarin talrijke portretten in steen, brons en hout zijn tentoongesteld. Zij tonen een rijkdom aan beeldtaal, van figuratieve tot abstracte vormgeving.

Dat is onder meer te zien in de portretten van Barbara Hepworth, Charlotte van Pallandt en Henry Moore, terwijl aan de wand de schilderijen van Marini, 'Cavallo e cavaliere' uit 1951-1955 en van Fernand Léger, 'Personnage et nature morte' uit 1951, een twee-dimensionale tegenpool vormen. Een groot overzicht van beeldhouwwerken van Jacques Lipchitz vormt een belangrijk kunsthistorisch centrum op deze tentoonstelling. Ondanks de geslotenheid van deze presentatie, in een afgebakende maar open vierkanten ruimte waarbinnen veel beelden bij elkaar geplaatst zijn, komt de beeldhouwontwikkeling van deze beeldhouwer toch geheel tot zijn recht. De sculpturen bezitten ieder een zeer sterke eigen beeldtaal, maar vormen samen ook een harmonisch visueel geheel.

 
© Constantin Brancusi, 'Le commencement du monde', 1924, Kröller-Müller Museum, Otterlo, c/o Pictoright Amsterdam 2019

Bijzondere feiten
Een aparte expositie was destijds de 'Tekeningen van Beeldhouwers', die in 1959 door Bram Hammacher werd samengesteld. Hij bezag de beeldhouwtekening als voorstudie, maar ook als zelfstandig werkstuk, waardoor het los kon komen van het beeldhouwwerk. Deze beeldhouwtekeningen vormden voor hem een belangrijke deelcollectie en een aanvulling op de reeds aanwezige schilderijen en beelden in de collectie van het museum. Met zijn boek 'The Evolution of Modern Sculpture. Tradition and Innovation' heeft Hammacher in 1969 een totale visie op de ontwikkeling van de moderne beeldhouwkunst gegeven.

Deze grote expositie vormt een eerbetoon aan de persoon en het werk van Bram Hammacher. Tot en met 29 september 2019 is 'Het begin van een nieuwe wereld' te bezoeken. Het is een indrukwekkende presentatie van moderne en eigentijdse beeldhouwkunst!

Het begin van een nieuwe wereld. De ontwikkeling van de moderne sculptuur, t/m 29 september 2019, Kröller-Müller Museum, Houtkampweg 6, Otterlo.
Website: www.krollermuller.nl.

Wim Adema is beeldend kunstenaar en fotograaf en publiceert regelmatig artikelen over beeldende kunst in diverse media.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

De onzichtbare schoonheid
Een vraagteken dat ons aan het denken zet

Do Ho Suh's (1962) werk gaat over het huis als plek vol herinneringen. De architecturale installaties in museum Voorlinden in Wassenaar zijn onderdelen van huizen waar Do heeft gewoond in Seoul, New York, Londen en Berlijn. Als een architecturale detective meet en registreert hij gebouwen.

Door Han de Kluijver

Toch is het vooral de fragiliteit die mij aanspreekt. Van de gewichtloze, eenzame trap die je nooit zou kunnen betreden, tot de transparantie van de gekozen stoffen. Alles lijkt zo te kunnen vervliegen, als een efemere (kortstondige) herinnering. Do wil de herinneringen dolgraag bij zich houden. Hij maakt de stoffen constructies zelfs zo dat hij ze in een koffertje kan vervoeren en zich overal thuis kan voelen.

Bij de nylon installaties van zijn voormalige en huidige woningen komen juist de tussenruimtes aan bod. Gangen, trappen, entreehallen, het zijn ruimtes waar je eigenlijk nooit bij stilstaat.

 
Do Ho Suh, 'Staircase-III' (2003-2010), Tate: aangekocht met fondsen beschikbaar gesteld door de Asia Pacific Acquisitions Committee 2011, © Do Ho Suh. Foto: Antoine van Kaam.

Ze worden enkel gebruikt om tot je bestemming te komen. Zo ziet Do ook het leven, als een aaneenschakeling van tussenruimtes waar we doorheen bewegen om tot ons doel te komen. Juist doordat hij er zoveel aandacht aan besteedt in zijn werk, worden die ruimtes weer speciaal. Een stopcontact, een scharnier, een sleutelgat: alles is prachtig gemaakt en tot leven gewekt. Het licht valt door de zorgvuldig genaaide transparante nylon gordijnen, muren, deuren en ramen. Je kunt door de gang lopen en in de kamers staan. Je kunt zelfs het zware slot van de voordeur met een spionnetje bekijken.

In tijden van globalisering en migratie is het belangrijker dan ooit om stil te staan bij de betekenis van individuele plekken. Wanneer voelen we ons thuis? Do's werk toont een behoefte om ruimte en identiteit in kaart te brengen. Dit komt voort uit zijn persoonlijke beleving van het steeds ontworteld raken en weer opnieuw hechten tijdens zijn vele migraties over de wereld. Zijn werken vertalen het continue onderweg zijn, het overschrijden van geografische grenzen, zonder er een gedachte aan te wijden, nomadisch en ontworteld.

Nieuwe tussenwerelden

Bij de fascinerende textiele nylonobjecten van Do moest ik gelijk denken aan glazen wanden. Een soortgelijke ervaring had ik eerder bij de in hars gegoten translucente deuren van Rachel Whiteread (1963). Zij maakt sculpturen die bestaan uit afgietsels van interieurdelen, waarbij de mal als sculptuur wordt gebruikt. Als materiaal kiest ze gips, was of rubber, maar ook hars, zoals bij de dubbelzijdig gegoten deuren. Door afdrukken van beide kanten van oude deuren te maken en er vervolgens transparante hars (in lichtblauw, groen of amber) tussen te gieten, ontstaat een nieuw beeld. De deur die normaliter functioneert als doorgang naar een andere ruimte, of bescherming biedt tegen invloeden van buitenaf, heeft haar functie verloren.

Door het leunen van de deur tegen de muur, ontstaat een nieuwe 'tussenwereld'. De translucente materialen geven een gevoel van openheid, terwijl de afdrukken van dwarsbalkjes en sloten getuigen van het menselijke gebruik. Hierdoor overstijgen de objecten hun functie als dagelijks gebruiksvoorwerp en worden het een soort monumenten. Zo vraagt Whiteread de toeschouwer opnieuw na te denken over de functie van alledaagse objecten, waar je wellicht nooit aandacht aan besteedde, maar waarvan je toch beseft dat die belangrijk zijn.

Do Ho Suh, installatiezicht museum Voorlinden, © Do Ho Suh, courtesy de kunstenaar, Lehmann Maupin, New York, Hong Kong en Seoul; en Victoria Miro, Londen/Venetië. Foto: Antoine van Kaam.

Haar werk schept een moment van hapering, omdat er te midden van de stortvloed aan beelden ineens een vraagteken wordt opgeworpen dat ons aan het denken zet. Ook Do Ho Suh laat ons even stilstaan en brengt ons zo op nieuwe gedachten, maar zijn aanpak is heel anders. Met zijn tactiele (tastbare) benadering probeert hij zijn persoonlijke installaties haast onzichtbaar te maken, terwijl de installaties van Whiteread generiek zijn. Ze vormen geen individuele ervaring, maar vertegenwoordigen een gedeelde ervaring van het alledaagse. Hoewel sommige van hun objecten (de badkuip, de radiator) hetzelfde onderwerp hebben, is de uitwerking compleet anders.

Do's badkuip is een blauwdruk van het object, het is bijna een röntgenfoto. Het gegoten werk van Whiteread is in wezen een badkuip met een deuk, op een blok gips. Het object lijkt nog steeds op een badkuip, maar er is een niet-functioneel aspect dat moeilijk te traceren is. Whiteread houdt zich bezig met hoe de ruimtes waarin we dagelijks functioneren ons beïnvloeden. Door de ruimte op zo'n manier te herscheppen, wordt deze vraag voor de kijker voelbaar en onvermijdelijk. Do's belangrijkste onderwerpkeuze is zijn eigen leefruimte. Die is monumentaal en poetisch tegelijk, een metafoor die je kunt laden met betekenissen.

 
Do Ho Suh, installatiezicht museum Voorlinden, © Do Ho Suh, courtesy de kunstenaar, Lehmann Maupin, New York, Hong Kong en Seoul; en Victoria Miro, Londen/Venetië. Foto: Antoine van Kaam.

Do Ho Suh, t/m 29 september 2019, Voorlinden museum & gardens, Buurtweg 90, Wassenaar. Website: www.voorlinden.nl.

Han de Kluijver is architect bna bni bnsp.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Twee haiku's van Ria Giskes. Verder op deze pagina vindt u er nog twee.

 

met een boek in de tuin
de wind leest sneller
dan ik

boven de schutting
telkens een blij gezichtje
steeds hoger

 

Haiku: Ria Giskes-Pieters; foto: ©John Giskes. Meer haiku's van Ria Giskes vindt u hier: http://tjilp.blogspot.com.

Terug naar boven

 

Ruimtelijk avontuur in een museum

In het Kroller-Müller Museum in Otterlo vinden twee belangwekkende exposities plaats die de architectuur van dit museum op een aparte manier benadrukken. In de solo-expositie van de Duitse kunstenares Charlotte Posenenske (1930-1985) worden grote staande objecten verbonden met het interieur van een grote expositiezaal. De Nederlandse beeldend kunstenaar Lucas Lenglet (Leiden, 1972) verkent tegelijkertijd met een verstilde en intieme videoregistratie de binnen- en buitenwereld en verandert in de Vestibulum van dit museum met een installatie de oude entreeruimte op een ruimtelijke manier.

Door Wim Adema

Charlotte Posenenske werd in 1930 in Wiesbaden geboren. Haar kunstonderwijs volgde zij aan de Staatliche Akademie der Bildenden Künste in Stuttgart. Ze werd aan deze academie opgeleid door de schilder, typograaf en decorontwerper Willi Baumeister (1889-1955), die haar de opvattingen van De Stijl, het Russische constructivisme en het Bauhaus bijbracht. Tijdens het begin van haar ontwikkeling als beeldend kunstenaar was Posenenske werkzaam als kostuum- en decorontwerper, maar tegen het einde van de jaren vijftig werd tekenen en schilderen belangrijk voor haar en begon zij geabstraheerde landschappen te maken.

 
Charlotte Posenenske, 'Serie B' (1967-2019), Kröller-Müller Museum, 2019. Courtesy Burkhard Brunn, Estate of Charlotte Posenenske & galerie Mehdi Chouakri. Foto: Marjon Gemmeke.

Het werken op het platte vlak beviel haar echter steeds minder, waardoor zij een overstap maakte naar ruimtelijk werken. In 1966 ontstond de 'Diagonale Faltung' en dit object werd het uitgangspunt van een groot aantal reliëfs ('Serie B', 1967). In 1966 en 1967 ontstonden zo zes series met groot ruimtelijk werk (Serie A t/m E). De objecten van Charlotte Posenenske worden voor de eerste keer in Nederland in een solotentoonstelling museaal gepresenteerd, in het Kroller-Müller Museum. De destijds belangrijke Galerie Art & Project (Amsterdam) hield in 1968 al een presentatie van haar werk.

Minimalistische objecten
Posenenske was een van de belangrijkste Duitse minimalisten en drukte met haar visie en werk een stempel op de conceptuele en minimalistische kunst van de jaren zestig. Haar vernieuwende opvattingen over het gebruik van materiaal, productie en auteurschap verwoordde zij in haar 'Manifest' uit 1968, dat geplaatst werd in het kunstblad Art International (volume XI/5, 5 mei 1968). Zij schreef in dit manifest over de mogelijkheden van standaardisatie, objectiveren en massaproductie. Posenenske wilde geen gebruik maken van 'symboliek' en alleen naar zichzelf verwijzen.
'The things I make are variable as simple as possible, reproducible.'

Charlotte Posenenske ervoer in de kunst wel een beperkte maatschappelijke reikwijdte:
'It is painful for me to face the fact that it cannot contribute tot the solution of urgent social problems.'
In 1968 stopte zij met haar beeldende werk en ging arbeidssociologie studeren. Na haar dood (Frankfurt am Main, 1985) kreeg haar werk nieuwe museale belangstelling en volgden grote exposities, onder andere op Documenta 12 in Kassel en in het Museum of Modern Art in New York.

Reliëfs en luchtschachten
Op deze expositie zijn een aantal wandobjecten en ruimtelijke beelden aanwezig. Wat direct opvalt is dat Posenenske's objecten een dialoog aangaan met het interieur van de grote museumzaal. Op de stenen grijze muren zijn haar wandobjecten ('Serie B' reliëfs, 1967/2019) in de kleuren zwart en blauw, alsmede de kleuren rood en zwart, sterk aanwezig. Qua kleur- en vormbeleving vormen zij tegelijk een visueel rustpunt. De verticaal naast elkaar geplaatste buizen hebben afwisselend een half open en gesloten vorm. Per reliëf varieert het aantal buizen van twee tot zeven. Op een andere muur vormen twee kleine grijze platen een minimale asymmetrische ruimtelijke verandering: 'Diagonale Faltung'. Door de aanwezigheid van de serie 'DW Vierkantrohre' (1967/2019) wordt de ruimte van de grote museumzaal echter ingrijpend veranderd.

Een groot en lang geschakeld object ligt op de grond en eindigt in het midden van de zaal. Vierkante lange buizen van golfkarton zijn met schroeven aan elkaar gemonteerd en vormen een langgerekt omhoogkomend en draaiend buizenstelstel dat aan het einde grote vierkante gaten heeft. Deze buizen lijken op luchtschachten en geven de museumzaal het karakter van een fabriek.

De 'Serie D Vierkantrohre' (1967/2019), die aan de andere zijde van de zaal geplaatst is, heeft een soortgelijke visuele werking, maar is van gegalvaniseerde staalplaat gemaakt en heeft afwisselend een bewerkt en onbewerkt vlak.

Charlotte Posenenske, 'Serie D Vierkantrohre' (1967-2019), Kröller-Müller Museum, 2019. Courtesy Burkhard Brunn, Estate of Charlotte Posenenske & galerie Mehdi Chouakri. Foto Marjon Gemmeke.

 

Draaiende vanen
'Serie E Drehflügel' (draaiende vanen met een groot of klein formaat en stalen frames, uit 2013) biedt de bezoeker de mogelijkheid om zelf de ruimtelijke vormgeving en werking van een object te veranderen. Hoge staande grijze panelen kunnen in verschillende richtingen worden gedraaid, waardoor steeds opnieuw een verandering in de ruimte kan ontstaan. Aan de buitenzijde van dit museumgebouw staat tegen een grote transparante glazen wand het object 'Serie D Vierkantrohre' (vierkante buizen, 1967/2019) geplaatst. Het is gemaakt van gegalvaniseerde staalplaat en geeft de architectuur van het gebouw een verrassend uiterlijk. Opmerkelijk is de weerspiegeling van dit object in de glazen buitenwand, waardoor een verdubbeling van het beeld is ontstaan.

Monotie ist Schon
Met een Super 8 filmcamera reisde Charlotte Posenenske in 1968 door Nederland en registreerde vanuit een rijdende auto het landschap. Op de monitor in de museumzaal passeren nu in grote snelheid haar registraties van de zee, de structuur van het land, de vangrail en de grote verschillen tussen lucht en licht. Het is een film zonder een vast regieplan, maar hij laat een groot verlangen naar spontane beleving en visuele impressies zien.

Lexicon van oneindige beweging
De beeldend kunstenaars Ruth Buchanan (New Plymouth, Nieuw-Zeeland, 1980) en Yeb Wiersma (Groningen, 1973) maakten voor de expositie van Charlotte Posenenske het 'Lexicon van oneindige beweging', dat een weergave is van hun relatie met de kunstopvattingen van de Duitse kunstenares. Buchanan zoekt als performer naar een relatie tussen kunst en publiek, terwijl Wiersma een geluidswerk heeft gemaakt waarin zij de maatschappelijke opvattingen van Posenenske bevraagt en ontregelt. Dit lexicon is in de vorm van een speciale bijlage beschikbaar en vormt een extra inhoudelijke benadering van de persoon en het werk van Charlotte Posenenske.

Art en Project, 1968
In 1968 nam Posenenske deel aan een presentatie bij de vermaarde galerie Art & Project in Amsterdam. Aan de muur van de museumzaal hangt nu een bulletin van deze galerie waarop melding wordt gemaakt van de presentatie van haar werk. De galerie wilde op deze wijze de lezer vertrouwd maken met de ideeën van kunstenaars, architecten en technici en gezamenlijk een zinnige oplossing vinden voor het gebruik van nieuwe vormgeving. Om die reden werd via een bulletin de lezer uitgenodigd voor een nadere kennismaking. Het tweede deel van dit bulletin laat een werktekening zien van een object van Charlotte Posenenske.

De expositie van Charlotte Posenenske is nog tot en met 15 september 2019 te bezoeken in het Kroller-Müller Museum in Otterlo.

De beeldend kunstenaar Lucas Lenglet (Leiden, 1972) heeft in het Kroller-Müller Museum de architectuur van het gebouw op een geheel eigen manier ingrijpend veranderd. Zijn ingreep, 'And all the untilled air', is anders van aard dan die van Charlotte Posenenske, maar was voor mij een onverwachte ruimtelijke ervaring. Lenglet laat namelijk de vloer van de museumzaal doorlopen tot aan de grens van de deuren en de aanwezige raampartijen. Een vloer van vierkante ijzeren rasters, open van constructie, overdekt de aflopende trap naar de uitgangsdeuren. Door deze ingreep kwamen de open doorgangen lager te liggen en moet de bezoeker zich buigen om door de deuropeningen te kunnen lopen.

 
Lucas Lenglet, 'And all the untilled air between', 2019. Foto: Marjon Gemmeke.

Qua visuele beleving kwamen de raampartijen ook lager te liggen, maar blijven zij wel een goede visuele verbinding vormen met de buitenwereld. Door de aanwezigheid van de verhoogde ijzeren vloer en de verlaging van de deurdoorgangen, hebben de midden- en zijruimtes een vervreemdend karakter gekregen. Extra ingrijpend is een kleine trap, die weer voor een verlaging van de vloer zorgt. In een andere ruimte loopt een verhoogde trap door naar de vloer van de museumzaal. In dit project komen de opvattingen van Lucas Lenglet zeer goed tot uitdrukking: hij zoekt telkens opnieuw naar de scheidslijn tussen het begrensde en onbegrensde en wil de beleving van deze ruimte op scherp zetten. Een lange ronde houten balk, opgebouwd uit zeven delen, verbindt via de verlaagde deuropening twee ruimtes. In een andere ruimte ligt een rol ijzer op de vloer, waaruit ronde vormen zijn gesneden. Lenglet zegt: 'Als het goed is, veroorzaakt kunst verandering'. Dit kan een verandering in houding en denken zijn. Hij maakt architecturale ingrepen welke spelen met de effecten van dwang, bescherming en uitsluiting.

Levensloop
Lucas Lenglet woont en werkt in Amsterdam. In 2000 sloot hij zijn studies af aan de Gerrit Rietveld Academie. In zijn werk gebruikt hij elementen uit de architectuur, om te reflecteren op de maatschappij en op zijn eigen relatie met de ander. Hij maakt sculpturen en installaties en heeft solopresentaties gehad bij Kunstvereniging Diepenheim en in het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam en Palais de Tokyo in Parijs. Groepstentoonstellingen had hij onder meer in Witte de With in Rotterdam, op de 3rd Athens Biennale en in de Martin-Gropius-Bau in Berlijn. Onder invloed van grote projecten voor de openbare ruimte werd de scheidslijn tussen natuur en cultuur en het begrensde/onbegrensde voor hem belangrijk. Zijn werk gaat over insluiting en uitsluiting in de breedste zin van het woord. Hij wil de polariteit tussen extremen opheffen en tussen twee werelden bemiddelen. Deze opvatting kwam ook goed in beeld in de videofilm 'Land and buildings', welke in een kleine zaal van het museum op een muur geprojecteerd werd.

'Land and buildings'
De opvattingen van Lucas Lenglet over architectuur en het verschil tussen de binnen- en buitenruimte zijn in de videoregistratie 'Land and buildings' waarneembaar. Op een museumwand in een kleine ruimte zijn beelden te zien van verschillende kamers en een landschap, interieur en exterieur, waarin steeds een raamkozijn als een ruimtelijke grens aanwezig is. Het is een film waarvoor je geduld moet hebben, want het filmbeeld verandert zeer langzaam van vorm en inhoud. Niettemin is het indringend en maakt het de kijker bewust van de essentie van ons interieur en exterieur.

Visuele grensverlegging

Opmerkelijk in deze film is de 'beeldende' functie van het raamkozijn. Deze vormt niet alleen een functionele grens tussen het interieur en exterieur, maar heeft ook een psychologische functie. De strakke, geometrische vormgeving van een kozijn vormt met de ijzeren structuur niet alleen een functionele scheiding tussen de kamer en de buitenwereld, maar heeft ook een beeldende waarde. Het raamkozijn kan een donkerzwart lijnenspel veroorzaken, maar ook door overbelichting in een mistig wit verdwijnen. Meubels in de gefilmde kamers kunnen door de sterkte van het licht van vorm en identiteit veranderen.

Door de lichtmanipulatie van Lucas Lenglet ontstaat een sterke bewustwording van vorm, kleur en fysieke aanwezigheid van de meubelstukken. Dat geldt ook voor de waarneming van het exterieur, het landschap met de tuinen, bomen en planten. Een helverlicht buitenbeeld kan uiteindelijk overgaan in een donker zwart. De natuur kan ook heel langzaam haar identiteit weer terugkrijgen. Deze film is een ruimtelijke verkenning van twee werelden: binnen en buiten. De talrijke kamers vormen een verbinding met de buitenwereld en laten de wereld zien waarin wij leven: een dualiteit van licht en donker. Deze film werd opgebouwd uit talloze fotobeelden, die door de toepassing van een speciale montage als een totale filmregistratie te zien is.

Lucas Lenglet, 'And all the untilled air between', 2019. Foto: Marjon Gemmeke.

De presentatie van Lucas Lenglet in Museum Kroller-Müller was verrassend en vernieuwend. Zijn originele en sterke ingreep in de museumhal en de indringende kracht van zijn filmregistratie van onze 'binnen- en buitenwereld' geeft de bezoeker veel stof om over na te denken. Zijn bijdrage in dit museum is nog tot en met 22 september 2019 te zien.

Charlotte Posenenske. Lexicon van oneindige beweging, t/m 15 september 2019; Lucas Lenglet. And all the untilled air between, t/m 22 september 2019, Kröller-Müller Museum, Houtkampweg 6, Otterlo. Websites: www.krollermuller.nl | www.lucaslenglet.com.

Wim Adema is beeldend kunstenaar en fotograaf en publiceert regelmatig artikelen over beeldende kunst in diverse media.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Sprezzatura
19e eeuwse Italiaanse schilderkunst 1860-1910

De Italiaanse eenwording geschiedde in 1861. De lappendeken van stadsstaatjes en koninkrijkjes werd één land: Italië, met als hoofdstad Rome. Dat was voor het eerst sinds de val van het Romeinse Rijk. Wat volgde was een periode van grote idealen en het ontstaan van een Italiaans gevoel, maar ook van veel maatschappelijke onrust.

Door Joke M. Nieuwenhuis Schrama

Die eenwording is de achtergrond voor de artistieke ontwikkelingen in de vijftig jaar die volgden. In 1861 was de romantiek nog maar net achter de rug en in het nieuwe land laveerden de kunstenaars tussen droom en werkelijkheid. Met een flinke dosis 'sprezzatura' schilderden zij hun nieuwe natie, feitelijk, kritisch of in een droom. Frisse ideeën, nieuwe stijlen en experimentele technieken werden verweven met de eeuwenoude artistieke tradities. Sprezzatura is een oud Italiaans woord met verschillende betekenissen. In deze expositie, die is samengesteld door Willemijn Lindenhovius en de Italiaanse kunsthistorica Giovanna Ginex, zou de term 'sprezzatura' geïnterpreteerd kunnen worden als de externe, buitenlandse kijk op 'de nonchalante perfectie die zo typerend is voor de Italianen', aldus Ginex.

 
Federico Zandomeneghi, 'In bed' (detail), 1878, Gallerie degli Uffizi, Galleria d'arte moderna di Palazzo Pitti, Firenze. © Dipartimento fotografico delle Gallerie degli Uffizi.

Macchiaioli
Rond 1850 verzamelden een groep jonge kunstenaars zich regelmatig in Caffé Michelangiolo in Florence, een soort stamkroeg waar ze discussieerden met schrijvers en dichters. De jonge idealisten, de Macchiaioli, geloofden niet alleen in een nieuwe toekomst voor hun land, maar ook in de 'macchia', de 'kleurvlek', volgens hen de afweermethode tegen de toen gangbare academische manier van schilderen, waarbij de lijn centraal stond. De Macchiaioli experimenteerden met naast elkaar geschilderde kleurvlakken, zonder subtiele overgangen. Ze keken door hun oogharen en verdeelden wat zij zagen in vlakjes kleur met een bepaalde lichtintensiteit. Dankzij de uitvinding van de verftube konden deze schilders meer de natuur intrekken om daar te schilderen, voor betere licht- en schaduwwerking. Het zijn achteraf meer studies geweest, want kijk je bijvoorbeeld naar het fijne werk 'Brug over de Affrico in Piagentina' van Telemaco Signorini (1835-1901), een kunstenaar uit die groep, dan lijkt het een impressionistisch schilderij, maar van heel dichtbij zie je misschien toch nog die 'vlekken'.

Pompeii
Een van mijn favorieten in deze expo is het werk 'Badhuis in Pompeii', geschilderd door Domenico Morelli (1826-1901). Een bevriend kunstenaar van Morelli, Giacinto Gigante, was een van de weinige schilders die toestemming had van de regering om de opgravingen in Pompeii te bezoeken. Immers, rond 1860 werd er door de regering officieel paal en perk gesteld aan de opgravingen in Pompeii en Herculaneum. Sinds die tijd mogen alleen professionele archeologen onderzoek doen naar de geschiedenis van deze oude Romeinse steden. Gigante kon er talloze tekeningen maken, die zijn vriend Morelli weer mocht gebruiken, onder meer voor dit werk uit 1861. Morelli exposeerde het op een tentoonstelling in Florence ter gelegenheid van de eenwording van Italië.

Harde werkelijkheid

De wereldwijde economische crisis aan het einde van de 19de eeuw trof het toch al zo arme Italië keihard. Rond 1880 waren de sociale omstandigheden in Italië zo problematisch, dat het een thema werd voor sommige kunstenaars. Onderwerpen als een armoedige jeugd, honger, ziekte en dood werden in beeld gebracht in anti-academische stijlen en met nieuwe technieken. Soms tonen de werken nog wat romantisch aandoende verhalen, maar er is ook rauw realisme dat de werkelijke omstandigheden laat zien. Dat extremere realisme kwam uit het zuiden, waar de levensomstandigheden het zwaarst waren. Sommige kunstenaars gebruikten hun werk om aan te zetten tot politieke oproer, zoals Plinio Nomellini (1866-1943) en Emilio Longoni (1852-1932). Nomellini werd zelfs gevangen gezet. Toch is op deze expo een werk van Nomellini te zien dat bepaald geen armoede verbeeldt, een werk uit 1906, getiteld 'Leren Lezen'. Het is speels en weelderig.

Plinio Nomellini, 'Leren lezen' (detail), 1906, Galleria d'Arte Moderna, Milano © Umberto Armiraglio.

Alumni
In de voormalige Accademia di belle arti di Venezia las ik onlangs de rijen ingebeitelde namen van alumni met bijzondere talenten, waaronder Amadeo Modigliani en Federico Zandomeneghi (1841-1917). Van Zandomeneghi hangen op deze sprezzatura-expo ook enkele bijzondere werken, zoals 'In bed' uit 1878. Het is beslist de moeite waard om deze expositie te gaan bekijken.

Sprezzatura, 19e eeuwse Italiaanse schilderkunst 1860-1910, Drents Museum, Brink 1, Assen, t/m 3 november 2019. Website: https://drentsmuseum.nl.

Bij deze tentoonstelling is een gelijknamige catalogus uitgegeven, ISBN 9789462583320.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Twee haiku's van Ria Giskes.

 

verpleeghuis
dag en nacht houdt ze zich vast
aan een foto

achteruit in de trein
de nawerking
van het landschap

 

Haiku: Ria Giskes-Pieters; foto: ©John Giskes. Meer haiku's van Ria Giskes vindt u hier: http://tjilp.blogspot.com.

Terug naar boven

 

Kunstflitsen

Een rubriek met tips over mooie tentoonstellingen en evenementen die een bezoek waard zijn, of mooie boeken.

In het Stedelijk Museum in Amsterdam was t/m 18 augustus 2019 een grote expositie te zien van het werk van Jacqueline de Jong. Ondanks haar hoge leeftijd, zij is tachtig jaar, blijft zij actief als kunstenaar. De inhoud en vormgeving van haar werk wijzigt zich doorlopend. Zij houdt van het experiment, waardoor haar beeldtaal steeds verandert en zij heeft een passie voor het zoeken en vinden van een nieuwe vormgeving. De Jong vindt het belangrijk om een grote veelzijdigheid aan werk te kunnen tonen. Dat is voor het publiek interessant, zeker voor jonge mensen. In de jaren zestig van de vorige eeuw was Jacqueline de Jong lid van de Parijse kunstenaarsvereniging De Situationisten, waarvan Guy Debord de leiding had. Door haar verzet tegen hun opvattingen, zij was tegen het grootkapitaal en tegen het bezig zijn met theorie en het maken van producten, werd Jacqueline de Jong uit deze groep gezet, omdat zij alleen kunst wilde maken. De situationistische principes van 'dérive' (ontsporen) en 'détournement' (veranderen) is zij echter blijven gebruiken en zij bleef gefascineerd door 'het veranderen'. Meer informatie: www.stedelijk.nl. (Deze tekst is een korte weergave van het interview met Jacqueline de Jong in de VPRO-gids, 06.06.2019, auteur: Colin van Heezik.)

In de tuin van het Rijksmuseum in Amsterdam zijn twaalf grote beelden te zien van de Amerikaanse kunstenares Louise Bourgeois (1911-2010). Zij was een van de belangrijkste beeldend kunstenaars uit de vorige eeuw en maakte tekeningen, grafiek, sculpturen en installaties. Haar werk is intens van karakter en is verweven met belevingen en herinneringen aan een dramatisch verlopen jeugd. Zij leidde een strijdbaar leven als vrouw in een door mannen gedomineerde kunstwereld. In de Rijksmuseumtuin zijn onder meer haar grote 'spinnen' te zien, die reusachtig van formaat zijn en in brons gegoten. Haar onderwerpen kunnen als schokkend worden ervaren, omdat Bourgeois menselijke thema's zeer confronterend en kritisch benaderde. De vele herinneringen uit haar jeugd bleven daarbij steeds werkzaam. Beelden als 'Le Regard' en 'Le Fillet' verwijzen naar intense seksuele belevingen. Toch is in haar sculpturen ook veel humor en positieve energie te ervaren. Louise Bourgeois kreeg als beeldend kunstenaar pas op latere leeftijd erkenning; zij was toen al in de zestig. In het Museum of Modern Art in New York had zij in 1982 haar eerste grote expositie. Deze presentatie in de Rijksmuseumtuin in  Amsterdam is de eerste grote tentoonstelling van haar werk in Nederland, nog te zien t/m 9 november 2019). Meer informatie: www.rijksmuseum.nl.
 
Ronald Rietveld geeft samen met zijn broer Erik (professor filosofie Universiteit van Twente) inhoud en vorm aan de Rietveld Architecture-Art-Affordances, ofwel RAAAF. Zij zijn werkzaam binnen de vakgebieden kunst, architectuur en filosofie. Veel van hun opdrachten hebben hiermee een direct verband en zijn te plaatsen binnen de relatie mens en omgeving. Ronald Rietveld kreeg in 2006 de Prix de Rome, wat hem de mogelijkheid gaf om aan de slag te gaan met geselecteerde architectuurprojecten. In samenwerking met het Atelier de Lyon werd bijvoorbeeld, geïnspireerd door de Oosterscheldekering, het project 'Deltawerk' gerealiseerd, waarvoor technieken ontwikkeld werden om deze kering te testen. Met het model 'The End of Sitting' (bestemd voor 2025) werd in de werkomgeving de relatie mens en beweging ter discussie gesteld. Het uitgangspunt was dat 'zitten' voor de mens dodelijk is. De broers maakten een ontwerp waarin de stoel en de tafel niet meer voorkomen. Voor de curering van de Architectuurbiënnale van Venetië in 2010 ontwierp RAAAF het programma 'Vacant NL', waarin de potentie van tienduizend leegstaande overheidsgebouwen getoond werd. In deze projecten is het laten zien van nieuwe ruimtelijke denkbeelden een leidraad. De architect Lebbeus Woods is hierbij een inspiratie: 'Show what can happen if we lived by a different set of rules'. In het recente Jaarboek Architectuur in Nederland wordt uitgebreid aandacht besteed aan het werk van RAAAF. (Bron: VPRO Gids 7 mei 2019, journalist Daan Schneider.)
 
In de Groene Amsterdammer van 16 april 2019 besprak Rudi Fuchs in zijn column 'Kijken' het werk van de schilder Joris Geurts. Zijn ijle schilderingen zijn in het hedendaagse kunstlandschap een bijzondere ervaring. Blauwe stromingen van ochtendlicht worden in de verfstreken van Geurts opnieuw zichtbaar. Fuchs beschrijft op een indringende wijze hoe hij zelf het eerste ochtendlicht beleeft en zich kan voorstellen hoe de schilder deze ochtendkleuren in beweging zet. Joris Geurts werkt met grote formaten papier en platte kwasten. Op een groot papier van 100 x 140 centimeter heeft hij in een horizontale verfbeweging met acrylverf de blauwe kleur in beweging gezet, soms aarzelend en dan weer heel snel. Het is de weergave van een intuïtief schilderproces waarbij de kleur blauw (ultramarijn) een horizontaal verflandschap laat ontstaan, waarin de kwaliteit van het papier, de verfstreek en het beeldend vermogen samen belangrijk worden. Donkere en lichte strepen worden onderbroken door momenten van aarzeling en hierdoor ontstaat een schoksgewijs perspectief. Steeds weer ontstaat een nieuw verfavontuur. Zoals Rudi Fuchs schrijft: 'Het blauw is in onophoudelijke beweging'. Meer informatie: www.jorisgeurts.com. Het werk van Joris Geurts is te zien in Galerie Slewe te Amsterdam. Er is ook een catalogus verschenen.
 
In het Huis van het boek/Museum Meermanno was recent de expositie 'De Bijzondere Band' te zien. Hierin stonden de Art Nouveau-boeken van Gerrit Dijsselhof, Carel de Lion Cachet en Theo Nieuwenhuis centraal. Alle drie waren zij ontwerpers van boekbanden en lid van de Nederlandse groep 'Nieuwe Kunst'. Zij hadden aan de kunstacademie in Amsterdam toegepaste kunsten gestudeerd en voelden zich thuis in de Beweging van Tachtig. Tot hun groep behoorden ook Joseph Mendes da Costa en Lambertus Zijl. Zij hadden veel belangstelling voor de 'oude' kunst van de Middeleeuwen en de levende natuur, die als uitgangspunt voor het ornament werd genomen. In een tijdperk van veel verandering vormden de middeleeuwse natuurvormen een goed houvast en die waren goed zichtbaar in het rijke materiaal waarmee gewerkt werd, zoals batik, perkament, messing, hout en goud. Hierdoor waren deze boeken ook zeer kostbaar. Opvallend waren de bijzondere versieringen die in gewijde handwerken gebruikt werden. Hoewel deze expositie inmiddels afgelopen is, blijven de Art Nouveau-boeken van Dijsselhof, Lion Cachet en Nieuwenhuis een belangrijke kunsthistorische erfenis, om niet te vergeten. (Bron: De Groene Amsterdammer, 18 april 2019, auteur Koen Kleijn).
Meer informatie: www.meermanno.nl.

 
Voor New Dutch Views bezocht de fotograaf Marwan Bassiouni, zoon van een Italiaans-Amerikaanse moeder en een Egyptische vader, tussen januari 2018 en februari 2019 meer dan zeventig moskeeën in Nederland (er zijn in ons land ruim vierhonderd moskeeën). In elke foto is vanuit het interieur van de moskee ook het Nederlandse landschap gefotografeerd. De diversiteit van de islam vormt een bijzonder fotografisch contrast met de verscheidenheid van het Nederlandse landschap. Deze diversiteit van interieurs en landschap is in de haarscherpe foto's van Bassiouni bij elkaar gebracht en werd tevens een symbolisch portret van een dubbele culturele achtergrond, maar ook van een nieuwe Westers-islamitische identiteit. Marwan Bassouini ontving inmiddels prestigieuze prijzen zoals de W. Eugene Smith Student Grant, de Ron Mandos Photo Talent Award en de Harry Penningsprijs. Deze expositie was t/m 1 september 2019 te bezoeken in Fotomuseum Den Haag. Meer informatie: www.fotomuseumdenhaag.nl.
 
In de Buitenplaats Doornburgh, een voormalige priorij bij Maarssen, is sinds 16 mei 2019 een bijzondere expositie gewijd aan het werk van de Bossche Schoolarchitecten Dom Hans van der Laan (1904-1991) en Jan de Jong (1917-2001). Dom Hans van der Laan, een benedictijner monnik, stelde dat de natuurlijke ruimte te groot is voor de mens en ontwierp om die reden ruimtes die meer afgestemd zijn op de mens. Door middel van het Plastisch Getal, een ontwerpinstrument en ruimtelijk verhoudingenstelsel, ontstond een basale, sobere bouwstijl en werd onder meer deze priorij bij Maarssen gebouwd. Zijn werk werd aangevuld met stedenbouwkundige berekeningen van Jan de Jong. Ook hij werkte met het Plastisch Getal. Bijzonder is het feit dat de priorij Doornburgh nu zelf het onderwerp van deze expositie is geworden. Een 'huis voor de geest' blijkt in deze tijd een kritische reactie te kunnen zijn op de huidige architectuur met zeer grote gebouwen. De Bossche Schoolarchitecten van der Laan en de Jong gaven het gebouw een menselijke maat en rust. Deze tentoonstelling was t/m 1 september 2019 te bezoeken. (Bron: De Volkskrant 21 mei 2019, auteur: Kirsten Hannema). Meer informatie: www.buitenplaatsdoornburgh.nl.
 
De ontwerper William Sawaya (1948, Beiroet) heeft grote bewondering voor de jonge Libanese schilder Ayman Baalbaki (1975, Adaisseh, Libanon). Naar zijn mening is het werk van Baalbaki van wereldniveau. Deze kunstenaar maakt rauwe schilderijen van Palestijnse krijgers en schildert  gebombardeerde gebouwen en vluchtelingen. Het zijn bijzonder confronterende doeken, maar niet uitgesproken politiek. De impact van de oorlog wordt heel droog weergegeven. 'Zijn stijl is indringend met grove penseelstreken maar de kleuren zijn vaak zacht.' (Bron: Interview met William Sawaya in de Weekendbijlage van De Volkskrant, pag. 78).
Bij Ayman Baalbaki staat de burgeroorlog in Libanon centraal in zijn werk. Zijn schilderijen tonen vaak verwoeste gebouwen, soms bewoond door vluchtelingen, die tijdens gevechten gedwongen werden hun huizen te verlaten. Na de Libanese oorlog in 2006 tekende hij een reeks verspreide structuren die verband hielden met de afbraak van gebouwen, die volgde op de bomaanslagen in de zuidelijke wijken van Beiroet. Zijn portretten van krijgers met sluiers en vaten tonen anonieme figuren die een symbool werden van de eindeloze conflicten in het Midden-Oosten. Ayman Baalbaki exposeerde ook opmerkelijke installatiewerken. Het nomadisme is een terugkerend thema in zijn werk, bijvoorbeeld in 'Les Frigos' (2001) en 'Destination X' (2010).
 
In De Appel te Amsterdam (Looiersgracht 60) presenteren Steffani Jemison (New York) en Samsom Young (Hong Kong) een Duo Solo: 'Decoders-Recorders'. Beide kunstenaars onderzoeken vormen van compositie, notatie, gebaar en alternatieve talen, om onderdrukte sociale geschiedenissen en huidige hachelijke situaties te benaderen. Binnen het thema Decoders-Recoders worden nieuwe manieren van historisch onderzoek gepresenteerd en werd gezocht naar de weergave van niet uit te drukken hedendaags sociaal leven. Steffani Jemison werkt met video's, performances, geluidsopnames en maakt tekeningen. Zij zoekt naar fysieke expressie, stories en codes van de zwarte geschiedenis in Amerika. Voor het programma in De Appel maakte zij de nieuwe video 'Escaped Lunatic'. Samsom Young maakt werken op papier, video's, performances en complexe installaties. Hij is geïnteresseerd in geopolitieke onderwerpen en eigenschappen van taal. Hij onderzoekt de grenzen van het menselijk bestaan vanuit een postkoloniale erfenis, die ook in de hedendaagse samenleving zichtbaar aanwezig is. Deze presentatie in het pand van De Appel aan de Looiersgracht 60 in Amsterdam was t/m 1 september 2019 te bezoeken. Meer informatie: www.deappel.nl.

Op woensdagavond 26 juni 2019 was op de Frans/Duitse televisiezender Arte de documentaire Visages Villages (2017) te zien. Dat was een schitterende filmbeleving! Agnès Varda (1928-2019), een van de grande dames van de Franse cinema, en de fotograaf en beeldend kunstenaar JR (1983), wiens motto is: 'De straat is de grootste kunstgalerie ter wereld', reisden samen door het Franse landschap en maakten een serie zeer grote fotografische portretten van mensen die zij onderweg tegenkwamen. Eerst gingen zij op zoek naar een geschikte locatie, naar huizen die opvielen door een karakteristieke bouwstijl. Dat kon ook een hoge muur in een stad zijn, of een oude schuur of bouwval. Met bewoners of direct betrokkenen volgde een gesprek en zo mogelijk een fotosessie. Van de geportretteerden werden hierna zeer grote foto's ontwikkeld, welke op de uitgekozen plek werden opgeplakt. Voorbeeld: een bejaarde inwoonster van een oud pand zag haar portret terug op de voorzijde van haar huis, reuzengroot staand tussen haar ramen, deur en dankrand. Op een indrukwekkende manier was fotografisch een verbinding ontstaan tussen haarzelf en het woonhuis. Agnès Varda en JR wisten op deze manier mensen en huizen visueel met elkaar te verbinden. Er waren ook portretten op wagons van een voorbijrijdende goederentrein te zien en op een zeer hoge vierkanten muur van containers stonden de figuren van drie vrachtwagenchauffeuses. In drie hoog gelegen containeropeningen gaven zij zittend en van veraf commentaar, hun benen zorgeloos bungelend over de containerrand. De artistieke kwaliteit van deze documentaire was inspirerend. Telkens opnieuw ontstond een persoonlijk fotografisch kunstwerk. De meesterhand van Agnès Varda was merkbaar aanwezig, naast de creativiteit en jeugdige energie van JR. Tijdens hun reis groeide hun relatie en dat was op het eind van de film heel zichtbaar. In 2019 is Agnès Varda overleden. 'Visages Villages' was een van haar laatste filmprojecten. De film is een hommage aan haar inspirerende persoonlijkheid.

Bovenstaande Kunstflitsen zijn samengesteld door Wim Adema.

 

Prijswinnaars Katharina Kleinfeld, Luc de Bruyne, Han de Kluijver, 17 aug. 2019
'Gemummificeerde leegte'. Foto: Han de Kluijver, 16 aug 2019.

De 11e internationale tentoonstelling Glasplastik und Garten 2019 in Munster werd op 17 augustus 2019 geopend door burgemeester Christina Fleckenstein van Munster. Zij verwelkomde in het bijzonder de aanwezige kunstenaars en bedankte hen voor de vele kunstwerken die zeer divers zijn in materiaalgebruik en vormgeving en die nog drie weken te bewonderen zijn in Munster. De ochtend voor de opening had een jury de kunstwerken in twee ronden intensief beoordeeld. Vanwege de hoge kwaliteit van de tentoongestelde werken werden drie prijswinnaars aangewezen die ieder een certificaat, bloemen en een prijzengeld van € 2.000 van de burgemeester ontvingen. De winnaars zijn Luc de Bruyne, België, voor 'Zonder titel 2', Han de Kluijver, Nederland, voor 'Gemummificeerde leegte' en Katharina Kleinfeld, Duitsland, voor 'Ontbinding volgt'. Glasplastik und Garten 2019 is nog te zien t/m 8 september 2019. Meer informatie: www.glasplastik-und-garten.de. (RdB)

Terug naar boven | LEES MEER ARTIKELEN OP DE PAGINA ACHTERGROND

Inhoud