Okt. - nov. 2019, 14e jg. nr.4. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 
VOORKANT ACTUEEL ACHTERGROND AGENDA UITGELICHT ARCHIEF COLOFON 
voorpagina
artikel
recensies van tentoonstellingen

over kunst en
kunstenaars

actuele exposities
Nederland België
opmerkelijke
kunstberichten
artikelen uit  
vorige nummers

over Het Beeldende Kunstjournaal

 

Achtergrond

Abdij van Fontfroide
Odilon Redon, Richard Burgsthal & Gustave Fayet

De Abdij van Fontfroide in Narbonne, Frankrijk, kende begin 20ste eeuw een verrassende bloeiperiode als onderkomen voor kunstenaars, die er ook werk in opdracht maakten. Wie nu 'De drie schilders' (Odilon Redon, Richard Burgsthal en Gustave Fayet) wil bezoeken, moet een speciale rondleiding boeken.

Door Peter van Dijk

Odilon Redon is een verrassende kunstenaar. Tot zijn vijftigste jaar schilderde en tekende hij principieel in zwart-wit. Principieel omdat hij vond dat kleuren de zinnen op hol brengen en hij zijn eigen libido wantrouwde. Zwart was neutraal. Tot hij op zijn vijftigste met zijn vrouw een zoon kreeg. Vanaf dat moment schilderde hij in de prachtigste kleuren, vaak bloemstukken in pasteltinten. Een jaar geleden recenseerde ik op deze plaats de tentoonstelling 'Odilon Redon - La littérature et la Musique' in het Kröller-Müller Museum en schreef ik enigszins teleurgesteld over zijn werk, vooral over zijn zwart-wit werk met enge hoofdjes en kleine monstertjes. Van zijn werk in kleur werd op deze tentoonstelling weinig getoond.

Abdij Fontfroide, Aude, Frankrijk, Wikipedia/Pinpin, 10 juli 2006.

Door een tip van een bevriende conservator ben ik toch weer een Redon-bewonderaar geworden. Vele malen ben ik met mijn vrouw langs de abdij Sainte-Marie de Fontfroide bij Narbonne gereden, op weg naar het festival van Aix-en-Provence. De abdij hebben we tweemaal bezocht, een sober en harmonieus middeleeuws gebouw (uit 1093), waar je in de kapittelzaal en de kerk de rust en stilte van het kloosterleven kunt herbeleven. Eenmaal volgden we de vaste rondleiding, die typisch Frans was, met veel historische achtergronden en jaartallen. Weinig boeiend.

De drie schilders
Dankzij de tip ben ik de website van de abdij gaan bestuderen. Onder de keuze 'visiter' staan allerlei varianten van bezoek opgesomd. Na wat scrollen kwam ik bij de allerlaatste keuze 'Visite des trois peintres'. Die moest ik hebben voor een speciale rondleiding. Het lijkt alsof de abdij niet veel ruchtbaarheid aan deze keuze wil geven. En dat is ook het geval. Een bezoek aan 'De drie schilders' is alleen mogelijk op dinsdag- en zondagochtend om half elf en er mogen niet meer dan twintig bezoekers mee, uitsluitend in de zes maanden van het warme seizoen. Dat betekent dat slechts 480 mensen per jaar aan deze rondleiding kunnen deelnemen. Dus sinds kort behoren we tot een exclusief groepje.

Het klooster kent een rijk verleden. Een abt werd paus, het bezat zo'n 3000 hectare grond, waarop tientallen boerderijen stonden en het verdiende veel geld aan wijnbouw en veeteelt. Het klooster speelde een belangrijke rol in de kruistochten tegen de Katharen en overleefde eeuwen later de plunderingen van de Franse Revolutie. Tot 1903 woonden er Cisterciënzer monniken, die na de Franse wetgeving tegen de kloosterorden in ballingschap naar Spanje vertrokken. Gustave Fayet en zijn vrouw Madeleine d'Andoque de Sériège kochten in 1908 de abdij. Fayet (1865-1925) was een geslaagde wijnhandelaar en zijn vrouw een gefortuneerde adellijke dame. Er was veel geld en liefde voor de kunst. Het klooster kon aan een nieuwe bloeiperiode beginnen. Het echtpaar maakte van het religieuze complex een artistiek centrum waar kunstenaars konden logeren, werken en discussiëren. Fayet was behalve zakenman ook een zeer getalenteerde kunstenaar en een deskundig verzamelaar van moderne kunst.

De verzamelaar Fayet
In het jaar dat hij het klooster verwierf, verkocht hij een paar Cézannes, Bonnards, een Signac, Vuillard en al zijn fauvisten. Hij concentreerde zijn collectie op de schilders Adolphe Monticelli, Odilon Redon, Paul Gauguin en Vincent van Gogh. Hij kocht dat jaar ook vier Van Gogh's: 'Pietà' voor 1800 francs, 'Korenveld in St-Rémy' voor 3000 francs, 'Hutten in Les Saintes Maries de la Mer' en 'Bloeiende kastanjeboom'. Galerie Druet in Parijs organiseerde eveneens in dat jaar een expositie met werk van Van Gogh en Fayet leende vijf van zijn schilderijen uit en een schets. Dat waren schilderijen van Van Gogh die nu beroemd zijn, zoals 'Zelfportret met verbonden oor', 'De Tuin van Daubigny' en 'De Grote Platanen'. Fayet was een van de eerste regelmatige kopers van werk van Van Gogh.

Tot Gauguin voelde hij zich het sterkst aangetrokken. Rond 1903 had hij tachtig werken van Paul Gauguin verzameld, beeldjes, tekeningen en schilderijen, waaronder het magnifieke 'De gele Christus'. Na de dood van Gauguin in 1903 besloot hij diens werk met tentoonstellingen meer bekendheid te geven. Hij was de animator van een grote overzichtstentoonstelling in 1905 in Weimar en een jaar later een in Parijs. Op deze laatste toonde hij zeventig kunstwerken van Gauguin uit eigen bezit. Gustave Fayet was een vooruitstrevende kunstkenner en een van de eerste verzamelaars van moderne kunst. Van zijn collectie is weinig meer te zien in Fontfroide of in een van Fayets andere huizen. Een groot deel is door zijn nazaten verkocht en bevindt zich nu in de grote musea, overal ter wereld. Wel krijgt de bezoeker van Fontfroide een goed beeld van het artistieke talent van deze gefortuneerde zakenman. Onze gids Arnaud, een gepassioneerde vakman, ontving ons (niks geen twintig man, wij waren de enigen) aan de achterkant van het klooster, de personeelsingang als het ware. Hij bracht ons naar de privéruimten die voor de reguliere bezoeker gesloten blijven.

Van schilder tot ontwerper
Gustave Fayet werd in de schilderkunst opgeleid door zijn vader Gabriel en oom Léon, die beiden behalve wijnboeren ook schilders waren, geschoold door Daubigny. In het Museum Fayet in Béziers, een van de vele voormalige huizen van Gustave Fayet, is werk van de familieleden te zien.
Ook Gustave begon als een traditioneel landschapschilder, maar onder invloed van de school van Nabis, in het bijzonder van Paul Gauguin, vereenvoudigde hij zijn vormen en verhevigde hij zijn kleuren. Een mooi voorbeeld is 'De rode bomen', met een heuvel, een bos en wolken rond een paars meer, dat snel is neergezet; de stammen van zes rode mediterrane pijnbomen krijgen alle aandacht. Zijn zeegezichten doen denken aan het vroege Zeeuwse werk van Mondriaan. Hij maakte een schitterend portret van zijn vrouw met hun pasgeboren dochter Yseult op de arm. Zij zit als in een schilderij van Van Gogh op een stevige boerenstoel, in het blauw gekleed, met blauwe vlinders om haar heen, tegen een achtergrond van honinggoud. Houding en blik zijn een en al vertedering.

Als aquarellist legde hij de omgeving van het klooster op speciaal vloeipapier vast. Dankzij dit werk werd hij gevraagd om stoffen te ontwerpen. Hij was zo enthousiast over het resultaat dat hij bedacht dat hij zelf ook wel een tapijtenatelier in Parijs kon beginnen. Samen met een bevriende kunstenaar en vijftien werknemers begon hij het Atelier de la Dauphine, dat zo'n succes werd dat hij alleen nog maar aan het ontwerpen van stoffen toe kwam. In Fontfroide zijn vele van die ontwerpen te zien, met prachtige bloemen, vlindervormen en tentakels in gedekte, maar ook in sprekende kleuren. Op de Parijse salon van 1921 werden zijn ontwerpen bewonderd om hun originele motieven, compositie en kleur.

Fayet begaf zich steeds meer op het terrein van de decoratieve kunst, hij waagde zich aan boekontwerpen, hij illustreerde onder meer 'Les fleurs du mal' van Charles Baudelaire, gedichten van Arthur Rimbaud, Fréderique Mistral, Gustave Flaubert en de Hindoemythologie. De bekroning van deze kant van zijn kunstenaarschap kwam in 1925 toen de Staat een tapijt van hem kocht, hij deelnam aan de Expositie van de decoratieve kunsten in Parijs en er allerlei tentoonstellingen van zijn werk georganiseerd werden.

Een artistiek centrum
Met de koop van het klooster van Fontfroide in 1908, beoogde Fayet de puurheid en stilte van een spiritueel gebouw opnieuw te creëren. Hij was al sinds de eeuwwisseling bevriend met Odilon Redon. In zijn boek 'Souvenirs sur Odilon Redon' noteerde Fayet: “Redon deed mij dingen begrijpen die ik daarvoor nauwelijks beschouwd had. Hij liet in mij begrip voor het spirituele opbloeien.”
Op Fontfroide wilde hij gelijkgestemde kunstenaars samenbrengen en met hen discussiëren over kunst en het leven. Aristide Maillol verbleef er, Maurice Ravel, Déodat de Séverac, Daniel de Montfreid en natuurlijk zijn grote vriend Odilon Redon.

Aan Redon vroeg hij zijn bibliotheek in het klooster te decoreren en aan Richard Burgsthal, die hij via Redon had leren kennen, vroeg hij de ramen van de kloosterkerk te schilderen. De ramen van Burgsthal, schilder en pianist, als René Billa geboren in Nice in 1884 en in 1944 gestorven, zijn nu te zien voor iedereen. De voorstellingen, ontleend aan allerlei mythen en sagen, zijn geschilderd in een symfonie van kleuren, overweldigend. Zo verandert de plechtige kerk met haar ranke zuilen in een feestzaal. Voor de ramen van de eetzaal van de monniken gebruikte Burgsthal de muziek van Richard Wagner als inspiratiebron. In het naburige Bièvres had de kunstenaar een glasfabriek gekocht, waar hij de ramen voor Fontfroide maakte.

Kapittelzaal Fontfroide, Wikipedia/M. Disdero, okt. 2002.

We waren langzamerhand in hogere sferen geraakt door al het moois dat we in Fontfroide te zien kregen. Onze gids Arnaud bracht ons tenslotte naar de eerste etage, waar hij een stevige middeleeuwse deur opende. We stonden in de bibliotheek van Fayet. Een bijna vierkante zaal van zo'n tien bij tien meter. Geen boeken tegen de wanden, maar wel op elk van de twee zijmuren een schildering op doek, van een grote schoonheid.

Dag en Nacht
De zeventigjarige Odilon Redon had in 1910 de opdracht hiervoor van Fayet aangenomen en begon onmiddellijk in zijn Parijse atelier zes panelen te schilderen voor de twee doeken van 200 x 650 cm en liet ze een jaar later per trein en vrachtkar naar Fontfroide transporteren. Gezien vanaf de deur hangt 'De Dag' rechts. Het eerste dat opvalt is de stralende, warme gouden kleur van heuvels. De dag in de bibliotheek begint in een gouden kleur. In het centrum trekt een span paarden de wagen van Apollo, de Griekse god van de kunstenaars. In Redons laatste jaren waren paarden een belangrijk leitmotiv. Mensen komen op 'De Dag' van Redon niet voor. Op het rechterpaneel woekert een exotisch woud, met bloemen in de kleuren goud, oranje, donkerblauw, lavendelblauw en geel. Op het linkerpaneel heeft Redon een fontein van geel-gouden bloemblaadjes geschilderd, met een enkele blauwe bloem en wat insecten.

Aan de linkerwand hangt 'De Nacht'. De hoofdkleur is nu licht beige, waarin gouden takken zijn geschilderd en een paar bomen onder een overdaad aan blauwe bloemen. Op het rechterpaneel zien we een eruptie van wit en een warreling van rode bloemblaadjes, afgedekt door het blauw van de bomen. Op 'De Nacht' zijn gezinsleden en personeel van Fayet geschilderd, soms half, soms als beeld op een sokkel, of alleen als een hoofd als een medaillon. Een hoofd zit op een tak, een ander hangt tussen de bloemen. Boven de deur, die naar het klooster opent, heeft Redon een man geschilderd, goud omrand, met rode en blauwe accenten, die door zijn halo (aureool) op een Christus lijkt. Hij houdt zijn vinger op de lippen en lijkt om stilte te vragen. Het schilderijtje heet dan ook 'Stilte'. Onze reactie was inmiddels al stilte, vanwege onze verbazing over deze bedwelming van kleur en harmonie.

Abdij Sainte-Marie de Fontfroide, Route Départementale 613, Narbonne, Frankrijk. Website: www.fontfroide.com.

Peter van Dijk is journalist.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Overig nieuws uit de kunstwereld

De grondlegger van het moderne Mauritshuis, Hans Hoetink, is dit jaar overleden. Onder zijn leiding is het Mauritshuis een internationaal belangrijk museum geworden. Hoetink was directeur van dit museum van 1972 tot 1991. Na een vijfjarige verbouwing ontstond een modern ingericht museum. Samenwerking met sponsors vond Hans Hoetink net zo belangrijk als wetenschap en onderzoek. In museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam werd hij eerst conservator en leerde naast het maken van catalogi ook dat een goed contact met de zakenwereld van belang is voor musea. Voor betrekkelijk weinig geld wist Hoetink vijfentwintig goede schilderijen voor het Mauritshuis te verwerven. In de bundel 'Gezicht op het Mauritshuis. Poëtische visies op en uitzonderlijk museum' gaven kunstenaars hun visie op de collectie van dit museum. (Bron: Het Eeuwige Leven, De Volkskrant 25.07.2019), auteur: Peter de Waard). 

Op 15 mei 2019 is de Friese beeldend kunstenaar Zoltin Peeters (Peter Zwier, 1942-2019) overleden. Hij was ongeneeslijk ziek en wilde niet verder leven. Binnen de kunstwereld was hij een unieke persoonlijkheid, die zich echter al vroeg terugtrok uit de Amsterdamse kunstwereld. In het Friese terpdorp Hallum woonde en werkte hij, op een voor hem goede manier en vond in het Friese landschap de rust en inspiratie om beeldend werkzaam te kunnen zijn. Bekend van hem zijn de etsen in houtskool van watervallen in Noorwegen. Hij volgde een opleiding aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen. In deze stad werd hij een bekend internationaal kunstenaar. Zijn project Shadow-Case (1974), een ruimte vullende sculptuur met een houten kolom en een enorme schaduw van zink, trok destijds veel aandacht. Hij maakte ook grote macro-etsen, die onder meer door het Stedelijk Museum Amsterdam zijn aangekocht. Aan de AKI in Enschede gaf Peeters een dag per week les. Tevens maakte hij sculpturen zoals 'Avanti'. In 2020 zal het werk van Zoltin Peeters worden tentoongesteld in Museum Belvédère in Heerenveen. (Bron: Het Eeuwige Leven, De Volkskrant 26.06.2019, auteur: Peter de Waard).

Marisa Merz (1926-2019) was een internationaal gewaardeerd kunstenaar. In de Italiaanse Arte-Povera-beweging was zij het enige vrouwelijke lid, maar maakte een geheel eigen oeuvre, dat zich kenmerkte door het gebruik van 'arm' materiaal met een voorkeur voor nylon, spaanplaat, koper, klei en was. Zij gebruikte deze materialen als een protest tegen het gebruik van de dure olieverf en marmer. Op de helft van de jaren zestig in de vorige eeuw realiseerde zij Living Sculptures. Met repen aluminium maakte zij toen vreemde objecten in de ruimte. Zij was de partner van Mario Merz, de inspirator van Arte Povera. Tot deze groep behoorden ook Michelangelo Pistoletto, Alighiero Boetti en Giovanni Anselmo. In 2013 ontving Marisa Merz tijdens de Biënnale van Venetië de Gouden Leeuw voor haar gehele oeuvre. Zij overleed dit jaar op 93-jarige leeftijd. (Bron: De Volkskrant 24.07.2019, auteur: Rutger Pontzen).

'Overig nieuws' is samengesteld door Wim Adema.

Terug naar boven | LEES ACTUELE BERICHTEN OP DE PAGINA UITGELICHT

Inhoud