Mrt. - mei 2020, 15e jg. nr.1. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 

Spiegel van de ziel

Tegen de oppervlakkigheid van het moderne leven en de zucht naar materiële welvaart, ging aan het eind van de 19de eeuw een grote groep schilders in verzet. De leden zochten hun onderwerpen in de intimiteit van de binnenwereld. Thema’s als de besloten tuin, de stille stad, het stilleven, de vrouw als gelovige en zorgende moeder, de geesteswereld van de kunstenaar, godsdienst en kerkgang, domineerden hun doeken.

Door Peter van Dijk

De avant-garde van deze protestbeweging verenigde schilders als Willem Witsen, Jan Veth, Jan Toorop, Jakob van Looy, Eduard Karsen. Ze hadden nauwe banden met de literaire vernieuwingsbeweging van de Tachtigers en sommigen, zoals Jan Veth, schreven venijnige kunstkritieken in het blad 'De Nieuwe Gids'.

Deze generatie van schrijvers en beeldend kunstenaars presenteerde zich als bohémiens. Ze waren te vinden in kroegen en danstenten, dronken veel, vreeën met modellen of arbeidersvrouwen en gaven af op hun brave, burgerlijke voorgangers van de Haagse school. Non-conformisme was de essentie van deze levenshouding, die een halve eeuw eerder gepredikt werd door de aartsvader van de bohémiens, de Franse dichter Charles Baudelaire. Het ging deze kunstenaars om emotie, persoonlijkheid, gevoel, eigenheid. Hun sleutelwoord was ‘stemming’. De schilder Maurits van der Valk schreef zijn kunstkritieken zelfs onder de pseudoniemen J.Stemming en I.N. Stemming. Deze stroming van de ‘stemming’ verschilde van het impressionisme, omdat zij meer wilde dan een visuele momentopname, zij probeerde ook een gemoedstoestand op te roepen of over te dragen.

De bohémiens waren mordicus tegen traditie en regels, zoals verkondigd door overjarige instituties als de Koninklijke Akademie. Toch bewonderden de meesten van hen de schilders van de Haagse School, hun leermeesters, Anton Mauve, Jacob Maris en Jozef Israëls, om hun 'peinture', schilderkunstigheid. Je verzetten tegen je leermeester noemen we in het dagelijkse leven een generatieconflict. Maar in de kunsten leidt dat niet alleen tot boosheid en gescheld, maar ook tot artistieke vernieuwing.

Museum Singer Laren heeft bekende en minder bekende kunstenaars van deze generatie in een evenwichtige en thematisch geordende tentoonstelling bijeengebracht, onder de titel 'Spiegel van de ziel'. De blikvanger op de poster van de tentoonstelling is de aquarel 'Passiebloem' (1908) van Piet Mondriaan. Een jonge vrouw in een mouwloze witte jurk heeft de ogen gesloten en is in volle concentratie. Het hoofd lichtjes naar achteren, boven elke schouder is een passiebloem met een paars hart geschetst. Een beeld van rust en contemplatie. Mogelijk zit ze in een antroposofische meditatie of bereidt ze zich als concertpianiste voor op een optreden. Het Singer Museum zelf kent een licht spirituele sfeer, dankzij de bescheiden opzet, het gefilterde zachte plafondlicht en de rustgevende binnentuin. De nieuwe entree (uit 2017) heeft die bescheidenheid niet geschaad, hoogstens een wat chiquer cachet gegeven.

De 'Stille stad' en de 'Besloten tuin' zijn de thema’s in de eerste zaal. In het schilderij 'Kromboomsloot' (1910) van Willem Witsen (1860-1923) overheerst stilte. Er gebeurt helemaal niets op dit Amsterdamse grachtje. Alleen een vage dame staat op de kade. De sfeer wordt bepaald door sneeuw op vensterbanken, op allerlei uitbouwtjes, daken en door de knusse Hollandse ruitjesramen in de gevels. Het schilderij deed me denken aan mijn studententijd, toen ik op de Oudezijds Kolk woonde, naast een sluisje. In die tijd waren er nog verstilde hoekjes en pleinen te vinden in het oudste deel van Amsterdam. Net als in de tijd van Willem Witsen lag er ’s winters dikwijls sneeuw. Sneeuw dempt geluid en verhoogt het stilte-effect. Een stil grachtje wordt ‘verstild’ in de sneeuw. Na die tijd heb ik nooit meer een dergelijk sneeuw-stilleven in het echt in Amsterdam gezien, laat staan de stilte ervaren. Romantische sneeuwtafereeltjes met hun rustgevende stiltes zijn in Amsterdam geschiedenis geworden, gelukkig vastgelegd door schilders zoals Willem Witsen. In Witsen’s 'De Oude Schans' (1900) is de verstilde sfeer nog sterker aanwezig, door opnieuw sneeuw en door de rimpelloze spiegeling in het grachtenwater. Witsen had op deze plek zijn eerste atelier.

Ondanks zijn voorliefde voor verstilling, voelde de Amsterdammer Witsen geen afkeer van het wonen in de stad. Hij woonde in Amsterdam, Parijs en Londen. Tot hij Betsy van Vloten ontmoette en haar in Haarlem bezocht. Over de stad Haarlem bekende hij haar: ‘Weet je wat ’t is, née, - ‘k wordt doodmoe - ‘k vin alles zo leelijk en klein en burgerlijk - en vervelend, o vooral vervelend, om te schreeuwen; ’t is alles zoo aardig en teekenachtig, nou ja, - (…) maar, m’n hemel - altijd die heldere huisjes en schoone straatjes en bovenal altijd diezelfde menschjes en alles zoo kleintjes, verbrokkeld - nooit groot en zuiver mooi - ’t is niet om uit te houden’. (Jenny Reynaerts, Beheerste bewogenheid. Het leven van Willem Witsen. Bussum 2003, pag. 39-41.)

De rust die uit zijn schilderijen spreekt, zoals 'Kromboomssloot', is blijkbaar niet meer aan hemzelf besteed. Na zijn huwelijk ging hij met Betty in Ede wonen. Verder hangen er in deze zaal ter illustratie van het thema 'Stille stad', schilderijen met sombere huizen van Jan Veth en Eduard Karsen.

Behalve de 'Stille stad' wil deze zaal de ziel tonen door middel van schilderijen die geïnspireerd zijn door de besloten tuin. De besloten tuin kent een bijbelse oorsprong, in Hooglied 4:12: “Een afgesloten hof zijt gij, mijn zuster, mijn bruid, een afgesloten wel, een verzegelde bron...” Dankzij deze regels symboliseren in het christendom besloten tuinen allereerst de maagdelijkheid van Maria en vervolgens het maagdelijke leven, het leven in het paradijs, zonder lusten en lasten. Zonder zonden, het reine leven. De besloten tuin werd de kloostertuin, waar monniken in alle rust nuttige planten als kruiden en vruchten konden verbouwen en in de rustpauzes brevieren. Een tuin vereist onderhoud, anders vervalt hij tot wildernis. Orde floreert alleen door gestage arbeid en aandacht, seizoen in, seizoen uit. Middeleeuwers beschouwden de tuin als een door mensen gemaakt en onderhouden paradijs. Door de tuinarbeid werd de natuur beheerst en het eeuwige paradijs naar Gods voorbeeld herschapen en geëerd. Een tuin, zeker een ommuurde tuin, nodigt, haast vanzelfsprekend, uit tot meditatie.

De zaal wordt beheerst door een groot kleurrijk schilderij, 'Trio fleuri' (1885), in impressionistische stijl, van Jan Toorop. Eén van de vele stijlen die Toorop beoefend heeft. In een grote tuin zit op een tuinstoel Jan’s aanstaande Ierse bruid Annie Hall, in een lichtgele zomerjurk. Een zus zit tegenover haar en kijkt haar aan vanonder een zwierige slappe hoed. Achter Annie staat de andere zus in een witte zomerjurk. Ze legt haar hand kalmerend op Annie’s schouder, terwijl ze een bloem plukt. De achtergrond bestaat uit een overdaad aan prachtige fleurige bloemen, ergens op het landgoed Kenley van de familie Hall in Surrey. Het werk is geschilderd vóór Annie’s huwelijk met Jan. Annie ziet er een beetje treurig uit. Wellicht omdat haar ouders in dat jaar nog veel moeite hadden met de partnerkeuze van hun dochter. Vermoedelijk troosten de zussen Annie en bespreken ze de weerstand van hun ouders. Een dergelijke scene kan met enige moeite geordend worden onder het thema 'Spiegel van de ziel'.

Meer in aanmerking komt 'De lentetuin, pastorietuin' (1885) van Vincent van Gogh, geschilderd in Nuenen, in zijn donkere periode. Op een langgerekt formaat herkennen we de beginnende lente in een paar rode struiken en in de lichte bladgroei van de bomen. Een vrouw in het zwart staat middenin de tuin en in haar verlengde zien we een kerk op de achtergrond. Een licht zonnetje valt over het land, het is windstil. Alle voorwaarden voor een spiritueel moment zijn aanwezig. Kerk, tuin, groei, de cyclus van de jaargetijden, lentelicht en rust alom.

'Twee meisjes onder een appelboom' (1905) van Ferdinand Hart Nibbrig is ronduit contemplatief. Niet door de voorstelling, maar door de pointillistische techniek, waardoor het licht intenser en zuiverder lijkt en het beeld een new-age-effect krijgt. De compositie is ideaal, een appelboom in het meetkundige midden, het bladerdak in een halve cirkel geknipt. Onder de boom geeft een oudere zus haar kleine zusje een appel. De kleuren zijn, zoals vaak bij Hart Nibbrig, helder. Onze associatie ging snel naar die ene beroemde appelboom, die tot de zondeval leidde. En ja, we beleefden een moment van reflectie.

Het is niet mijn bedoeling alle werken te behandelen. Slechts een paar, om de missie van de tentoonstelling te laten zien. Het thema van de volgende zaal is 'Stillevens'. Het stilleven is een oud en dankbaar onderwerp in de schilderkunst. Vanuit het christelijke perspectief werd er dikwijls een morele boodschap in verkondigd: beheers uw lusten, gedenk te sterven, ijdelheid is des duivels oorkussen. In onze eigen tijd gaat het eerder om het tonen van de schoonheid van het object, een vaas, potje, bloemen, een citroen, een boek, enz. In deze zaal vinden we de schitterende boeketten van Floris Verster van Wulverhorst (1861-1927). Hij had in het begin van zijn loopbaan een preoccupatie met verval en schilderijen als 'Donkere pioenen in een aardewerken pot' (1908) hebben een bijna tragische elegantie, door de diepe prachtige donkere rode bloemen. In 'Bloemen en bladeren' (1888) is het verval van de herfst geschilderd in een aantal tinten grijs, geel en groen. De bladeren zijn onderweg om dode bladeren te worden, maar leven nog door hun prachtige kleuren en het licht dat erop valt. Na deze periode gebruikte Verster vijf jaar lang, tot 1900, vooral waskrijt en pastel of potlood op papier en maakte hij Japans-achtige prenten, zoals 'Eucalyptus' (1896).

Een voorbeeld van een pure objectstudie is 'Les buveurs d’eau' (1984) van Piet Meiners (1857-1903), een te vroeg gestorven vriend van Willem Witsen. Meiners had een voorkeur voor gele okers, bruinige kleuren, grijs en blauw. De 'buveurs' zit vol reflecties, zoals een spiegel, waarin een waterkaraf weerspiegelt, maar waarin ook het achterhoofd van de schilder te zien is. Op de karaf op tafel valt licht van buiten; een mes, een pijp en een glas reflecteren eveneens het buitenlicht. Door het raam zien we de matte buitenwereld, die bestaat uit dakpannen, kale bomen en verre huizen. Het is een uitgebalanceerde compositie, mede dankzij de ingetogen kleuren.

In de zaal 'Droombeelden' heb ik lang stil gestaan voor de 'Moeder voor haar linnenkast' (1895) van Theo Molkenboer. Moeder Molkenboer zit, geheel in het zwart gekleed, haar haar naar achteren in een knot getrokken, en profiel, op een houten stoel met armleuningen voor een geopende linnenkast. Zij breit iets. Haar gezicht ziet er vermoeid uit. Geen wonder, ze heeft veertien kinderen op de wereld gezet en die krioelen dagelijks om haar heen. Op vier planken in de kast liggen, netjes gestapeld, grote en kleine handdoeken, theedoeken, washandjes, allemaal wit. Een ijzeren regelmaat heerst in de kast. Theo heeft op de bovenkant van de kast geschilderd: 'Beeltenis van mijn moeder in haar 47ste levensjaar'.

Ondanks de huiselijkheid van het beeld ben ik gefascineerd door dit schilderij. Enerzijds door de schoonheid van de regelmatige stapels witgoed, anderzijds door de herinnering aan mijn eigen moeder en andere moeders van vlak na de oorlog, die nooit stilzaten en zelfs tijdens het stilzitten toch iets met hun handen moesten doen. Breien tijdens het poseren. Sloven om het gezin te laten draaien. Zo associërend wordt dit schilderij een lofzang op alle vroegere moeders als steunpilaar van het gezin. Moeder Molkenboer was katholiek, een zus van kunstenaar Antoon Derkinderen. Haar zoon Theo verwierf enige faam als portretschilder van vooral katholieke personen. Later vertrok hij naar Amerika en werd daar zo gewaardeerd, dat hij in 1913 president William Howard Taft mocht schilderen.

Er zijn meer moeders in deze zaal. 'Moeder in interieur' van Jan Mankes. 'Madonna met kind in tuin', een krijttekening van de niet erg bekende Edzard Koning (1857-1903), die in Pont-Aven bij de Nabis heeft gezeten en de typische Gauguiniaanse afgelijnde kleurvakken gebruikt. En natuurlijk van Matthijs Maris een aantal vrouwelijke schimmen, die bij goed kijken een bruid, een droomster en het verdriet blijken voor te stellen. Tenslotte de jonge vrouw van de tentoonstellingsposter van Piet Mondriaan.

Aan het einde van deze eeuw zagen we ook een opleving van het christelijke geloof en andere spirituele bewegingen, zoals de Rozenkruisers, de theosofie, de Christian Scientists. Schilders wilden dat hun kunst een verheffende rol zou spelen en iets kon tonen van de niet-materiële wereld. Een zaal getiteld 'Spiritualiteit' is dus op zijn plaats voor deze groep kunstenaars. Thorn Prikker droeg zijn mystiek-religieuze opvatting uit in fijnzinnige en fraaie schilderingen, zoals 'De Bruid' (1893) en 'Kruisafneming' (1892). De Bruid is de bruid in een mystiek huwelijk met Christus. Thorn Prikker: “Ik werk aan een bruid, die rein voelt.” Alles in dit schilderij is door vloeiende lijnen met elkaar verbonden: de bruid in grijs geschilderd, de grijs-violette lelies (symbool voor Maria), de witte passiebloemen (symbool voor de kruisiging) en de decoratieve elementen, zoals kruis, hoofdband, kaarsen, die soms in zacht geel, soms heel licht groen en wit zijn gekleurd. De sierlijke, Jugendstil-achtige stilering en de onwereldse kleuren helpen de kijker los te komen van de dagelijkse werkelijkheid. Thorn Prikker wilde vooral zijn eigen gemoed uitdrukken.

Gijs Bosch Reitz was als kind van vermogende ouders een wereldreiziger. Hij volgde zijn opleiding in Amsterdam, München en Parijs, bezocht New York en Japan en verbleef in een aantal kunstenaarskolonies. Hoewel hij van naam een christen was (hij heette officieel Sigisbert Chrétien), was hij veel meer een waarnemer dan een gelovige. Zijn monumentale 'Uitgang van de Oude St. Janskerk op de Brink te Laren' (1893) laat het kerkvolk in zwarte klederdracht na de dienst zien, tussen ongenaakbare kale boomstammen. Voor de kerk zien we vaag twee groepen pratende mannen, op de voorgrond vooral zwijgende alleen staande vrouwen met witte kapjes. Verstijfde figuren tussen verstijfde bomen, zonder enige interactie. Jan Toorop (1858-1928), die zich in 1910 tot het katholicisme bekeerde en naast zijn devote minnares, de kunstenares Miek Janssen (1890-1933), een enthousiaste gelovige werd, is in deze sector aanwezig met 'Liefde in wanhopige tijden' (1917). Een nogal persoonlijk werk, dat je niet kunt begrijpen, maar zo je wilt kunt ondergaan, zoals meer religieus werk uit zijn latere periode.

Interessant is dat deze tentoonstelling geen volledige catalogus heeft meegekregen. Beschikbaar is een prachtig rijk geïllustreerd boek, 'Spiegel van de werkelijkheid', van Jenny Reynaerts, de conservator 19de eeuw van het Rijksmuseum. Zij heeft deze tentoonstelling in het Singer gemaakt en in haar opus magnum is in het hoofdstuk 'Spiegel van de ziel' de helft van de werken uit deze tentoonstelling te vinden. De tekst van het boek behandelt de Nederlandse schilderkunst in de negentiende eeuw en vervangt eindelijk het standaardwerk over deze tijd van Grada Marius uit 1903, 'De Hollandsche schilderkunst in de negentiende eeuw' (De Grote Marius). Aan het eind van haar omvangrijke werk beschrijft Jenny Reynaerts een interessante observatie: “De Beurs van Berlage in Amsterdam wordt algemeen gezien als het eerste monument van het modernistische tijdperk in Nederland, maar is in feite een culminatie van onder de gemeenschapskunstenaars levende idealen van de jaren 90.”

Toorop vervaardigde de tegeltableaus, Richard Roland Holst de schilderingen in het trappenhuis, de beeldhouwer Lambertus Zijl reliëfs en Antoon Derkinderen de glas-in-lood-ramen. De Beurs van Berlage, dat Amsterdamse symbool van het kapitalisme, is een ‘gesamtkunstwerk’ van kunstenaars die oorspronkelijk tegen het kapitalisme ageerden.  Hun motivatie om aan dit kunstwerk deel te nemen, moet dus gezocht worden, niet in hun afschuw van het kapitalisme, maar eerder in het ideaal van samenwerking, als een vorm van verzet tegen de overheersende rol van het egoïsme en materialisme in de samenleving.  In die zin is ook hun bijdrage aan de Beurs van Berlage een spiegel van hun ziel.

Spiegel van de ziel, t/m 10 mei 2020, Singer Laren, Oude Drift 1, Laren. Website: www.singerlaren.nl.

Peter van Dijk is journalist.