Juli - sept. 2020, 15e jg. nr.2. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 

Germaine Richier, de tovenares

In totale stilte stonden de fascinerende beelden van Germaine Richier (1902 – 1959) in museum Beelden aan Zee te wachten op de eerste bezoekers. Precies op de dag van de vernissage van deze tentoonstelling besloot het kabinet maatregelen tegen het corona-virus af te kondigen en sloot het museum zijn glazen voordeuren voor bezoek. Tijdens de lockdown was een bezoekje aan het museum toch wel mogelijk. Zoals in vele musea: virtueel. Nu is de tentoonstelling daadwerkelijk voor iedereen te zien, verlengd tot 6 september.

Door Peter van Dijk

Bij de virtuele rondleiding was de sopraan Francis van Broekhuizen onze gids. Zij leidde de bezoeker van de video langs een paar van de intrigerende beelden van Germaine Richier en zong hen zinnen toe uit een van de allermooiste aria’s uit het opera-repertoire: 'Vissi d’ arte' uit Tosca van Giacomo Puccini. Het was een originele vondst van het museum, overigens aangedragen door Van Broekhuizen zelf. Tegen het beeld 'De diabolo' (1950) zong ze met een sonore sopraan “Vissi d’ arte, vissi d’ amore” (“Ik leefde voor de kunst, ik leefde voor de liefde”) en meteen daarna tegen het 'Klauwbeest' (1952): “Con man furtiva, quante miserie connobi, aiutai” (“In stilte verlichtte ik de last van velen die ik zelf kende)”. Licht viel door de oogkassen van de mooie mannenkop, getiteld 'De Adelaar'.

Zingen over kunst tussen kunst, op een dag dat je de musea niet meer bezoeken mag, werkt troostend. Het deed me denken aan het verhaal van een briefschrijver in de Britse krant The Times, in de tijd van de Duitse bombardementen op Londen. Hij smeekte de directie van de National Gallery om iets van de kunst die zij in veiligheid had gebracht, te mogen zien. “Omdat het gezicht van Londen gehavend en getekend is, is het meer dan ooit nodig om schoonheid te kunnen zien.”
Kenneth Clark, de directeur, ging uitzoeken wat het publiek wilde zien en tot zijn verrassing was dat 'Noli me tangere' van Titiaan. De uit zijn graf opgestane Christus, die zijn geliefde Maria Magdalena vraagt hem niet aan te raken. Een schilderij van liefdevolle gebaren.

Nieuwe Normaal
Ik stuurde een complimenteuze e-mail naar het museum over de virtuele presentatie en belde de directeur om te vragen of ik misschien toch de expositie van Richier mocht bekijken voor een recensie. Het mocht, want ons bezoek was geheel conform de normen van het 'Nieuwe Normaal'. Het museum was geheel leeg. De 1,5 meter afstand was geen probleem. In de onwerkelijke stilte van de grote expositiezaal stonden wonderlijke wezens, bronzen sprinkhanen in menselijke vorm en bosmensen met drie steelstronken als hoofd, hun huiden zijn oneffen, geribbeld, vol gaten. Ook zagen we figuren op stelten, met hologige koppen als van rupsen.

We hadden ooit beelden van deze Franse beeldhouwster gezien op de zeemuur van Musée Picasso in Antibes. In onze herinnering waren dat ranke Giacometti-achtige beelden, die opvielen door elegante armgebaren. 'De dwarse maagd' (1946), met gevouwen handen voor haar kruis, 'Het bos' (1946), dat naar zijn hoofd grijpt, dat geen hoofd is, maar een boomstronk, 'Het blad' (1948), een traditioneel gebeeldhouwde vrouw, kaarsrecht, één arm tegen haar dijbeen gedrukt, een langgerekte schoonheid en 'De Graankorrel' (1955), met een halfgebogen armgebaar en de kop van een grote zeevis zonder bek.

Richier’s beelden in Beelden aan Zee, overigens een tentoonstelling in samenwerking met het Picasso Museum in Antibes (Frankrijk), hebben weinig met vanzelfsprekende esthetiek van doen. Ze zijn soms grimmig, agressief, mens-beesten, met vervreemdende koppen, soms ontroerend en intrigerend. Door de bewerking van het brons met gaten, sleuven, halve stukken, ribbels en bobbels, verliest het materiaal zijn gewone zwaarte en lijkt het lichter. De beelden zijn heel confronterend. Maar met wat?

Vele interpretaties
Zoals vaker met kunstwerken die afwijken van de mainstream, kan iedereen zijn eigen interpretatie er op loslaten, zijn eigen wereld er op projecteren. Richier’s tweede echtgenoot, de Franse dichter René de Solier, legde een link met het existentialisme van Jean-Paul Sartre, volgens welke de mens in wezen slecht is en zijn medemens in de weg zit. Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum, had een andere interpretatie. Hij roemde haar en andere nieuwlichters als Constantin Brancusi, Ossip Zadkine, Jacques Lipchitz, Hans Arp, Henri Laurens als de hoeders van de beschaving, na de verschrikkingen van de Nazi’s, die vooral de klassieke beelden bewonderden.
Sandberg organiseerde in het voorjaar van 1955 een expositie van haar werk in het Stedelijk in Amsterdam.

De beeldhouwer-kunstcriticus Marius van Beek op zijn beurt, beschreef haar bij die gelegenheid als “De wonderlijke beeldhouwster die op zulk een aangrijpende wijze de gruwelen van de oorlog heeft weergegeven.” (catalogus pag. 98) Volgens deze drie interpretaties beoogden de beeldhouwers van de naoorlogse vernieuwing, waartoe Richier gerekend werd, de mens neer te zetten als geschonden, onttakeld, verminkt, bijna dierlijk woest. De gladde, klassieke schoonheid was in ieder geval passé. Germaine Richier heeft de oorlog in stilte doorgebracht, ze was uitgeweken naar Zwitserland en woonde in Zürich. Natuurlijk heeft ze ná de oorlog kennis genomen van de gruwelen en verwoestingen. De mensheid was na de oorlog geschonden en beschaamd.

Provence
Zij werd geboren in 1902 in Grans, hartje Provence, onder het stadje Salon de Provence en vlakbij het meer van Berre, een stil, niet toeristisch gebied, waar de krekels op de lome zomeravond een oorverdovend concert geven. Richier zei zelf dat de inspiratie voor haar beelden vooral gelegen was in de natuur om haar heen, met haar bloei en verval. Op foto’s van haar atelier kunnen we zien dat ze de natuur om zich heen verzamelde, zeeschuim, schelpen, fossielen, geraamtes, kiezelstenen, insecten, stukken hout. Zij vormden, vanaf haar jeugd, haar vertrouwde leefomgeving. Ze vertelde hoe ze als kind dagenlang kon kijken naar allerlei beestjes die rondkropen: “Oh, de natuur… de dieren…! Ik heb cocons verzameld om zijdewormen te bestuderen. O..! De bidsprinkhanen, de mieren, de gewone sprinkhanen, ik had er hele legers van!” (cat. p.33). Vanuit haar atelier in Parijs schreef ze haar broer in de Provence of hij haar olijftakken en insecten wilde sturen.

Alles in de natuur, een steen, een tak, een blad, een sprinkhaan, betekende leven voor Germaine Richier. Valerie da Costa, die een mooie bijdrage aan de catalogus heeft geschreven, noemt haar een 'animistische' kunstenares. “Zij keek naar alle vormen van leven, of ze nu plantaardig, menselijk of dierlijk waren en probeerde ze met elkaar in verband te brengen en te vermengen.”
Dat lijkt me een trefzekere typering, tenminste als we onder leven ook agressie, vechten, pijn en sterven mogen verstaan, dan krijgen we een beter begrip van haar hybride, mensachtige beesten-beelden. En kunnen we de verschillende interpretaties van haar werk wellicht verzoenen.

Bourdelle
Richier was een leerlinge van Antoine Bourdelle in Parijs. Op 34-jarige leeftijd kreeg ze haar eerste solo-tentoonstelling van realistische busteportretten in de Parijse Galerie Kaganovitch en meteen een aanmoedigingsprijs. Tijdens de oorlogsjaren veranderde haar stijl en begon ze hybride figuren te maken.
Na de oorlog en haar verhuizing naar Parijs ging ze door met haar experimenten met beesten, plant-mensen, beest-mensen, en mens-beesten. Ze kreeg tentoonstellingen in Londen, Venetië, Parijs, Chicago, Amsterdam, New York, Boston, Bern, Kassel. Kortom, en werd binnen de kunstwereld een beroemdheid.

Haar hybride werk domineert de tentoonstelling in Scheveningen, maar er staan ook mooie, enigszins klassieke koppen, 'Tête de guerrier' (1955), 'De adelaar' (1948). Verder de grappige 'Herder van Les Landes' (1951), een herder op stelten, zoals die vroeger in het Franse Les Landes voorkwam om de kudde beter in de gaten te houden. Deze herder van Richier is vergroeid met zijn stelten en daardoor een insect geworden. Kafka in Scheveningen.

Er staat ook een prachtig fladderende 'Vleermuis' (1946). Het beest is voluit vleermuis, en wat voor één! Een grillig beest van glimmend brons, de vleugels van een bronzen filigraine-achtige constructie, wijd uitgespreid, dunne poten en een sterke borstpartij. Een dreigend wezen, dat al van zichzelf hybride is. Ook maakte Germaine Richier gladde abstracte werken, zoals 'Het graf van de stormram' (1956) en de sierlijke, bijna drie meter hoge, 'La Grande Spirale' (1957), haar laatste werk, geïnspireerd door het binnenste van een schelp, dat in een vloeiende schroefdraad-beweging omhoog gaat en symbool staat voor ontwikkeling.

Roofdieren
Uiteindelijk sta je toch aandachtiger en langer naar haar fantasie-insecten te kijken dan naar de abstracten met de bekende vormen. 'La Mante' (1946) bijvoorbeeld, de bidsprinkhaan, is één van de eerste hybriden van Richier. Aan de hand van dit vroege, behoorlijk realistische, in brons gegoten beeld, kunnen we mogelijk gemakkelijker de belangstelling en ontwikkeling van Richier begrijpen. In het Frans is de officiële naam van het insect ‘la mante religieuse’. Het beestje van zo’n vijf cm lengte komt vooral voor in de Provence en andere subtropische streken en is helemaal geen sprinkhaan. Het behoort niet tot de familie van de rechtvleugeligen, de sprinkhanen en krekels, maar wordt ingedeeld bij de kakkerlakken.

De verschillen met krekels en sprinkhanen zijn groot. Het insect maakt geen geluid, zoals krekels en sprinkhanen, waarvan de mannetjes met geluid laten weten waar ze zijn, en het heeft geen oren. Het ‘hoort’ zijn vijanden, waaronder de vleermuis, met een sonar-orgaan onder het borststuk. Bidsprinkhaan-vrouwtjes lokken mannetjes met geurstoffen. Het insect heeft zijn naam als 'bidder' te danken aan de bewegingloze rechtopzittende houding en de twee grote voorpoten die gebogen en geheven zijn, om razendsnel een prooi te kunnen pakken. In de verdediging neemt het insect een bokshouding aan.

Germaine Richier heeft de bidsprinkhaan goed bestudeerd, ze was ongetwijfeld geboeid door zijn opvallende kenmerken. Het beestje met zijn camouflage-kleuren, bruin en groen, lijkt vreedzaam te bidden, maar het kan razendsnel toeslaan. De Mante is een zeer roofzuchtig beest, het vreet alles op wat rondvliegt, vliegen, muggen, sprinkhanen, bijen en hommels. Het kan beestjes aan die anderhalf keer groter zijn, baby hagedissen, kikkertjes. Het toppunt van roofzucht: het vrouwtje vreet vaak het mannetje op dat haar bevrucht heeft, soms begint ze al tijdens de daad. Door een slim zenuwstelsel kan een mannetje zonder kop de daad toch volbrengen. Het beeld 'La Mante' van Richier uit 1946 is bovenal een agressief insect, terwijl er ook al een lichte aanzet naar een mensenlijf te zien is. Het is te begrijpen dat een kunstenaar die opgegroeid is tussen de roofzuchtige insecten van de zinderende Provence, na een gewetenloze oorlog de neiging had mens en bidsprinkhaan met elkaar te associëren. Ook op haar eerste schetsen en etsen uit 1947 komen geregeld sprinkhanen, spinnen en bidsprinkhanen met borsten voor. Niet de meest aaibare beesten.

Originele collectie
Als de eerste stap is gezet, volgen er meer. Richier begon een oorspronkelijke collectie hybride wezens in brons uit te voeren. 'L’ homme foret' (Bosmens, 1945), is een mannetje van gips, blad en takken. Zijn linkerarm is een dikke vissenstaart, zijn rechterhand is afgehakt en zijn kop is in hout uitgesneden. Deze bosmens geeft aan dat de mens een wezen van de natuur is, in dit geval zelfs gemaakt van natuurlijke bouwstoffen. De kunsthistorica Da Costa, die een studie aan Richier heeft gewijd (2006), stelt dat beeldhouwster wilde laten zien dat de mens een onderdeel van de natuur is, even inwisselbaar en kwetsbaar als de dieren en dat er geen plaats is voor de hoogmoed van bijvoorbeeld 'de rentmeester namens god' of ‘de mens als kroon op de schepping’. Als er een boodschap ligt in het werk van Richier is dit in ieder geval een krachtige en geloofwaardige. Kijk naar de beangstigende 'Grote Sprinkhaan' (La sauterelle grande, 1955). De mens is dier geworden, of het dier is mens geworden. Er is geen verschil meer. Ze zijn tot één wezen versmolten.

Een vrouwenfiguur met sprinkhanige poten en borsten zit in een springhouding, door haar knieën gezakt op haar kuiten, ze heeft dezelfde driehoekige kop als van een bidsprinkhaan en is tot het uiterste geconcentreerd, klaar om toe te slaan. Het dreigendst zijn haar twee kolossale naar voren klauwende handen, die gemaakt lijken om een keel dicht te knijpen. Het is een krachtig, verontrustend en indrukwekkend beeld, dat lang in het geheugen blijft. Luchtiger van aard is de 'Diabolo' (1950). Een slank persoon, met zeer hoge benen en de driehoekige kop van een rups, speelt met een diabolo, zonder de diabolo zelf, alleen met de stokken en de touwen. De touwen zijn van touw, een materiaal dat Richier ook gebruikte bij haar beelden van spinnen. Het geheel is een toonbeeld van een evenwichtig lijnenspel. De figuur helt iets achterover, wat bij het omhooggooien van de diabolo haast vanzelf gebeurt. Grappig is dat de linker voorvoet ook omhoog komt, wat helemaal niet nodig is voor het spel.

Germaine Richier heeft ook in Nederland indruk gemaakt. De 'Europeanen' (1950) van Carel Kneulman, met zijn ijle Giacometti-achtige figuren, is sterk verwant aan het werk van Richier. Het beeld bestaat uit een paar, waarvan de linkerfiguur nauwelijks een mens is te noemen. Hij zit vol gaten, half weggevreten, opgebouwd uit knekels. De rechterfiguur is weliswaar intact, maar met een pokdalige huid. Zij torst een zware Griekse kop. Het paar symboliseert de staat van ontbinding van Europa na de oorlog. Ook Wessel Couzijn liet zich door Richier inspireren. Zijn 'Vliegend' (1955) is een grillig vogelmens, waarin mens en natuur een eenheid vormen. Ook zijn vrouw, de Amerikaanse beeldhouwster Pearl Perlmuter, heeft goed naar het werk van Richier gekeken. Haar beeld 'Vrijheid' (1959) is een hybride, half boom, half mens.

Tovenares
Waarom de makers de tentoonstelling de titel 'Germaine Richier, la Magicienne/de Tovenares' hebben meegegeven, wordt pas duidelijk in het laatste essay van de catalogus van Jean-Louis Andral, de directeur van het museum in Antibes. In de Provence loopt de grootste sprinkhaan van Europa rond, de Saga pedo. Het groene beestje met een witte zijstreep lijkt met zijn grijppoten op de bidsprinkhaan, maar is veel trager dan de bidder en een echte sprinkhaan. In de Provence wordt het insect ‘magicienne dentelée’ genoemd, ‘getande tovenares’. Het is een tovenares, een bijzonder diertje, want er bestaan alleen vrouwtjes van. Het vrouwtje kan dankzij een legboor wel 13 cm lang worden. Via die boor plaatst zij in het subtropische warme zand haar eitjes, die een jaar later uitkomen. Als dat geen ideale hybride is!

De sprinkhaan is vele malen getekend en gebeeldhouwd door Germaine Richier. De Belgische romanschrijfster Dominique Rolin, getrouwd met een beeldhouwer, noemde haar een ‘meesterlijke tovenares’, die de verschillende verschijningsvormen van de natuur in haar werk samensmelt en herschept tot nieuwe wezens die ontleend zijn aan mineralen, planten, dieren, mensen. In deze tijd, waarin de mens onverwacht door een minuscuul virus verlamd is, heeft het werk van Germaine Richier nieuwe actualiteitswaarde. Zij laat de mens zien als klein onderdeel van de natuur, vergroeid met de natuur, verbonden door onzichtbare draden met andere wezens en even kwetsbaar als plant of dier. Dit zou, wat mij betreft, de jongste interpretatie van haar werk mogen zijn.

Germaine Richier, Mensbeeld - Mensbeest, t/m 6 september 2020, Museum Beelden aan Zee, Harteveltstraat 1, Den Haag. Website: www.beeldenaanzee.nl.

Peter van Dijk is journalist.

Terug naar boven