Jan
Mankes, de werkelijkheid niet
Ter
gelegenheid van de sterfdag van Jan Mankes (1889-1920), honderd jaar
geleden, wijdt museum More dit jaar een speciale tentoonstelling aan
deze schilder, die zich niet liet meeslepen door de modes van zijn tijd.
Door
Peter van Dijk
|
De
publieksopening moest vanwege de covid-19 pandemie twee maanden
uitgesteld worden. Pikant is dat Mankes zelf een van de miljoenen
slachtoffers van een pandemie was: de Spaanse griep. In Nederland
stierven vlak na de Eerste Wereldoorlog in totaal 60.000 mensen
door dit virus, in Nederlands-Indië vermoedelijk rond anderhalf
miljoen. Mankes was extra kwetsbaar, vanwege 'onderliggend
lijden', hij was namelijk tbc-patiënt. Tbc was in die
tijd ook een wereldwijde plaag, die werd veroorzaakt door een
bacterie.
Tweede
Pinksterdag ging het museum weer open na een periode van lockdown.
Reservering was verplicht en mogelijk op ieder half uur. We mochten
niet langer dan vijf kwartier rondkijken. Iedereen die onlangs
een museum kon bezoeken, kent waarschijnlijk dezelfde ervaring:
wat een rust, wat een weelde: kijken zonder hinderlijke buurman,
zonder gedrang, zonder het geluid van gidsen. Museum More liet
hoogstens tien bezoekers toe in de grote zaal en vier op de videobankjes.
Ik waande me in de verleden tijd, vijftig jaar geleden, toen het
nog kon gebeuren dat je de enige bezoeker in een museum was.
|
|
| |
Jan
Mankes, 'Bomenrij', 1915. Collectie Museum MORE. |
Jan
Mankes is ook niet geschikt voor drukke tentoonstellingen. Een van zijn
grootste werken, 'Bomenrij' (1915), meet 69 bij 52 cm, de meeste schilderijen
zitten rond de 30 x 25 cm. Daar sta je dus het liefst met je neus bovenop.
De opwindende experimenten van zijn tijd, impressionisme, expressionisme,
kubisme, fauvisme, noem maar op, gingen aan Mankes voorbij. Hij schilderde
in klassieke stijl, realistisch en bleef dat doen in zijn korte leven
als schilder, dat iets meer dan tien jaar besloeg. Maar al tijdens zijn
loopbaan viel hij op door de wonderlijke rust en verstilling die in
zijn werk 'voelbaar' was. Hij verkocht goed.
Meer
dan de helft van zijn productie (zo'n 200 schilderijen, 150 tekeningen
en schetsen en 50 litho's, etsen en houtsneden) bevat onderwerpen
uit de natuur. Dieren, dode en levende, waren zijn favoriet. Onder de
dieren hadden vogeltjes, dood of levend, weer zijn voorkeur. Mankes
hield erg van de Japanse prentkunst. In een brief aan zijn mecenas A.A.M.
Pauwels legde hij uit waarom: "vooral daar ze vogels zo hoog stellen
en daardoor dus al mijn vrinden zijn" (2 febr. 1911). Binnen het
thema vogels had Jan Mankes een uitgesproken zwak voor de kraai en de
uil.
Pauwels
had hem in 1912 een levende kraai, opgevouwen in een houten kistje,
toegestuurd. Over die kraai schreef Mankes: "Het luie, in elkaar
gedoken roetzwarte mormel, alle gratie missende, heeft daardoor juist
mijn sympathie. Omdat het hier niet in uiterlijkheden zit, is het zo
mooi en waar, maar tevens zóó moeilijk, dat het me schier
onmogelijk schijnt het beest zo weer te geven, dat ieder ander niet
zal zeggen: jakkes wat een naar zwart beest."
In deze beschrijving van zijn kraai ligt de zoektocht naar de essentie
van innerlijke schoonheid besloten.
Oogenlust
| 
|
Mankes schilderde vele kraaien. Een mooi peinzend exemplaar is
de 'Kraai op berkenboom' (1913), duidelijk geïnspireerd door
een Japans voorbeeld. Het is in bezit van een particulier en overigens
niet op deze tentoonstelling te zien. Aan een verzamelaar vertelde
hij over deze kraai: "Ik wou kraaien schilderen in een grote
plek van eenzaam zwart met doodgraverskop en pooten. Maar sterker
was de natuur, die me een beest deed maken flonkerend van blauw
en paars, een ingetogen oogenlust."
In deze beschrijving repte Mankes niet eens van het rustige landelijke
vergezicht achter de kraai, dat omlijst is door berkenbladeren
in zachte, gevarieerde tinten groen en geel. |
Jan
Mankes, 'Avondschemering Woudsterweg', 1914. Collectie Museum
MORE. |
|
Mankes
liefde voor de natuur heeft vele verklaringen. Hij had vrijwel altijd
vlakbij grote landgoederen gewoond en dagelijks wandelingen gemaakt.
Hij herkende vogels aan vorm, kleur en geluid. Anne Zernike, zijn echtgenote,
bekend als de eerste vrouwelijke predikant van Nederland, vertelde in
haar autobiografie (Een vrouw in het wondere ambt, p. 76) dat ze samen
lange wandelingen maakten. "Met een onuitputtelijk geduld leerde
hij ook mij, die er vrij hardleers in was, in het voorjaar al die geluiden
onderscheiden en thuisbrengen, de kijker goed richten om de fitis, hoog
op een berkentak in de gaten te krijgen."
Christen-socialisme
Mankes ontwikkelde zich in een tijd, het begin van de twintigste eeuw,
waarin de belangstelling voor de natuur opkwam. Een belangrijke propagandist
van natuurbeleving was Jac. P. Thijsse. 'De paden op, de lanen in' had
ook de voorkeur van de groeiende christen-socialistische beweging, waar
Mankes en zijn vrouw Anne deel van uitmaakten. De cultuurkritiek in
die tijd richtte zich tegen de luidruchtigheid en het verlies van de
menselijke maat, door de oprukkende verstedelijking en industrialisatie.
Mankes was wars van alle versiering en uiterlijk vertoon. Schilderen
was voor hem: "... nooit een afbeelding geven der stoffelijke
zaken, maar een psychische functie, een uiten hoe de geest reageert
ten opzichte van de dingen." (Brief aan Pauwels, 26 nov. 1913.)
Hij vond het impressionisme van zijn tijd onbevredigend. "Het
geheele impressionisme gaf meestal weinig meer dan de uiterlijke zijde
der dingen." (Brief aan Pauwels, 6 maart 1913.)
Mankes
had meer belangstelling voor de Franse symbolist Odile Redon. Maar Redon
schilderde droomwerelden, Mankes was meer geboeid door de natuurlijke
wereld om hem heen. Hij kon zich volledig concentreren op een enkel
dier, een kip, een haan, een konijn, een vogel, een muis, een rat en
een geit, om te proberen het wezen van het dier te doorgronden. Zijn
schilderij 'Zelfportret met uil' (1911) verbeeldt Mankes' missie
subliem. Een bewegingloos starende uil met priemende zwarte ogen zit
op Mankes' magere hand, die steunt op zijn borst.
| De
donkere ogen van de uil herhalen zich in de schilder. Alleen is
diens blik niet starend, maar afwachtend, kritisch. Mankes kende
zonder twijfel de symboliek van deze trotse vogel, die sinds de
oudheid voor wijsheid staat. Vandaar dat hij vermoedelijk een
zwart boerenpetje op zijn hoofd heeft gezet, om het gewicht van
de symboliek te relativeren.
Deze uil was alweer een gift van Pauwels, de Haagse sigarenhandelaar.
Hij bedankte zijn mecenas: "De overwinning is ons! Hij is
er dan, hij, niets en niemand minder dan een heuse kerkuil. Een
zeer wonderlijk beest, van vorm, van kleur, van karakter, alles
één idylle. Dit nu werkelijk is een beest uit mijn
dromen."
Alles in dit schilderij klopt. De herfstige lichtgele kleur contrasteert
met het zwarte petje en de achterwand. Een stuk van een stoel,
in een gele tint, zoals bij Van Gogh, benadrukt de verticale positie
van de twee hoofdpersonen en vormt het begin van een rustgevende
diagonale lijn over het schilderij. Een droom van een schilderijtje
van 20,5 x 17 cm, dat overigens ook al niet op deze expositie
te zien is, maar in Arnhem. Uit de eigen collectie hangt er wel
de fenomenale 'Grote uil op kamerscherm' (1913), met zijn wit
oplichtende borst. Mankes zelf oordeelde: "Iets koninklijk
teers, iets waar je nooit aan zou willen raken, ja hij is voor
mij door die zilveren borst volmaakt geworden." (7 febr.
1913).
|
|
| |
Jan
Mankes, 'Grote uil op scherm', 1913. Collectie Museum MORE. |
Landschappen
Niet alleen dieren, maar ook landschappen en stillevens hebben bij Mankes
een diepere waarheid, een ziel. Mankes onderscheidt zich van vele andere
landschapschilders, doordat hij wat hij zag, mengde met wat hij voelde
in een landschap. Dat kan je projectie noemen, maar het is projectie
die wel gebonden is aan de realiteit die hij ziet en overneemt. Een
goed voorbeeld is 'Bomenrij' (1915). Het gaat om kale eiken, die in
een blauwe winterse sfeer onwerkelijk hoog naar de hemel reiken, hoger
en hoger. Op de voorgrond staan de allerhoogste die de lucht al raken
en dan een aflopende rij tot aan de horizon, die gevormd wordt door
een rij eiken op normale hoogte. Op een zanderig pad wandelt een paar,
nietig geworden onder de reuzen van het woud. Jan Mankes heeft de verhoudingen
overdreven om de natuur zijn grootsheid te gunnen en om de mens zich
zijn kleinheid te doen beseffen.
Een
ander mooi voorbeeld van deze 'ziel' van een landschap is
het dromerige schilderij 'Woudsterweg bij Oranjewoud' (1912). Een pad,
op de voorgrond, verdwijnt tussen een schier eindeloze rij bomen, die
begint met twee uitzonderlijk hoge bomen, als wachters aan de toegangspoort
van het verdwijnende pad. Het lover van de rij bomen is verstrengeld
tot een lange, uitgerekte bruinige wolk, die uiteindelijk als een streepje
in de horizon verdwijnt. Eén hogere boom verbreekt de monotonie
van de bomenlijn. Het diepe perspectief wordt versterkt door een sloot,
die langs de bomen loopt. De voorstelling is met minimale middelen opgebouwd,
links en rechts wat nevelig akkerland, een sloot, een weg, een struik,
een rij bomen. Dat is alles, op een klein figuurtje na, aan het begin
van de bomenrij. De eenzame wandelaar. In de lichtblauwe lucht drijven
een aantal gele wolkenpartijen. Het gehele schilderij is nevelig geschilderd,
waardoor alles met elkaar verbonden lijkt en de mens in dit grote geheel
een klein onderdeel is.
Het
wit van Mankes
Jan Mankes heeft mij twee jaar geleden vooral getroffen door zijn wit.
Dat was op de tentoonstelling 'De serene blik', ook in Gorssel.
|

|
Het
ging om het wit van jasmijn, chrysanten en asters, in de schilderijtjes
'Vaas met jasmijn' (1913), 'Dwergasters in kannetje' (1912)
en 'Gemberpot met chrysanten' (1916). Nu weer te bewonderen
op deze expositie. Een witte bloem in een vaasje of gemberpot
komt meerdere malen in Mankes' oeuvre voor. Het wit van
de bloemen valt meteen op, springt je tegemoet, spettert in
je ogen, het is een intens en overtuigend wit. Mankes wist dit
effect te bereiken door verf in dunne laagjes over elkaar op
het doek te zetten en tussendoor te schuren met puimsteen. Waarschijnlijk
heeft hij deze techniek opgedaan in een Delfts glasschildersatelier,
waar hij zijn eerste lessen kreeg. Hij mengde het wit met andere
glanzende kleuren, waardoor het wit een ongewoon wit werd en
van binnen uit de voorstelling lijkt te ontstaan.
De
tentoonstelling in Museum More toont als primeur een nieuw ontdekt
schilderij van Jan Mankes, een akkertje met leliën van
40 x 35 cm. Er staat veel op, een hekje, prikkeldraad, bomen,
bosjes en een twaalftal witte leliën. Er hangt een dromerige
mistige sfeer over het veld, waardoor deze leliën toch
minder uitbundig wit zijn dan de de witte bloemen uit zijn stillevens.
|
Jan
Mankes, 'Gemberpot met chrysanten', 1916. Collectie Museum MORE. |
|
Minder
dan gehoopt
Als liefhebber had ik me veel voorgesteld van dit eerste post-lockdown
museumbezoek. Een tentoonstelling naar aanleiding van het honderdste
sterfjaar van een meester, betekent dat je als curator flink wilt uitpakken.
Maar het aantal schilderijen van Mankes dat de curator verzameld had,
viel mij een beetje tegen. Jan Mankes heeft zo'n 400 werken gemaakt,
schilderijen, schetsen en litho's. Uit deze totale productie worden
nu 35 stukken getoond, waaronder de zestien schilderijen die het museum
zelf bezit en permanent exposeert, plus een aantal schetsen uit de eigen
collectie. Van particulieren werd een zestal werken geleend. Het museum
Belvédère leende twee schilderijtjes uit. Uit een andere
grote collectie, die van het Arnhemse Kunstmuseum, was niets te zien.
Maar zelfs deze kleine expositie is een mooi eerbetoon aan de bescheiden
schilder, die "het liefst schilderijen wilde schilderen die zingen
door de stilte."
Jan
Mankes, t/m 25 oktober 2020, Museum More, Hoofdstraat 28, Gorssel. Website:
www.museummore.nl.
Peter
van Dijk is journalist.
Terug
naar boven
| Print dit artikel!
| LEES MEER ARTIKELEN OP DE PAGINA ACTUEEL |
| Verder
in dit nummer: |
Actueel
George
Stubbs
De Man, het Paard, de Obsessie,
door Joke M. Nieuwenhuis Schrama
Glas
staat gelijk aan transparantie
– een eeuwenoude denkfout,
door Han de Kluijver
Beeldende
kunsten en covid-19,
door Wim Adema
Haiku
1 van
Ria Giskes
Germaine
Richier, de tovenares, door
Peter van Dijk
Op
zoek naar het paradijs - Flora op het Lam Gods, door
Joke M. Nieuwenhuis Schrama
De
transcendente vormen van Howard Ben Tré, 13 mei 1949-20
juni 2020,
door Han de Kluijver
Haiku
2 van
Ria Giskes
Grandioos
Glas
Optische glaskunst uit Tsjechië en Slowakije in het Escher
Paleis,
door Han de Kluijver
Geloof
in het ambacht,
door Han de Kluijver
Kunstflitsen,
kunsttips voor lezers |
| |
Agenda
actuele
exposities in Nederland en België
Uitgelicht
opmerkelijke
kunstberichten
Archief
vorige
nummers
Colofon
over
Het Beeldende Kunstjournaal |
| |
| |
|