Juli - sept. 2020, 15e jg. nr.2. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 

Jan Mankes, de werkelijkheid niet

Ter gelegenheid van de sterfdag van Jan Mankes (1889-1920), honderd jaar geleden, wijdt museum More dit jaar een speciale tentoonstelling aan deze schilder, die zich niet liet meeslepen door de modes van zijn tijd.

Door Peter van Dijk

De publieksopening moest vanwege de covid-19 pandemie twee maanden uitgesteld worden. Pikant is dat Mankes zelf een van de miljoenen slachtoffers van een pandemie was: de Spaanse griep. In Nederland stierven vlak na de Eerste Wereldoorlog in totaal 60.000 mensen door dit virus, in Nederlands-Indië vermoedelijk rond anderhalf miljoen. Mankes was extra kwetsbaar, vanwege ‘onderliggend lijden’, hij was namelijk tbc-patiënt. Tbc was in die tijd ook een wereldwijde plaag, die werd veroorzaakt door een bacterie.

Tweede Pinksterdag ging het museum weer open na een periode van lockdown. Reservering was verplicht en mogelijk op ieder half uur. We mochten niet langer dan vijf kwartier rondkijken. Iedereen die onlangs een museum kon bezoeken, kent waarschijnlijk dezelfde ervaring: wat een rust, wat een weelde: kijken zonder hinderlijke buurman, zonder gedrang, zonder het geluid van gidsen. Museum More liet hoogstens tien bezoekers toe in de grote zaal en vier op de videobankjes. Ik waande me in de verleden tijd, vijftig jaar geleden, toen het nog kon gebeuren dat je de enige bezoeker in een museum was.

Jan Mankes is ook niet geschikt voor drukke tentoonstellingen. Een van zijn grootste werken, 'Bomenrij' (1915), meet 69 bij 52 cm, de meeste schilderijen zitten rond de 30 x 25 cm. Daar sta je dus het liefst met je neus bovenop. De opwindende experimenten van zijn tijd, impressionisme, expressionisme, kubisme, fauvisme, noem maar op, gingen aan Mankes voorbij. Hij schilderde in klassieke stijl, realistisch en bleef dat doen in zijn korte leven als schilder, dat iets meer dan tien jaar besloeg. Maar al tijdens zijn loopbaan viel hij op door de wonderlijke rust en verstilling die in zijn werk ‘voelbaar’ was. Hij verkocht goed.

Meer dan de helft van zijn productie (zo’n 200 schilderijen, 150 tekeningen en schetsen en 50 litho’s, etsen en houtsneden) bevat onderwerpen uit de natuur. Dieren, dode en levende, waren zijn favoriet. Onder de dieren hadden vogeltjes, dood of levend, weer zijn voorkeur. Mankes hield erg van de Japanse prentkunst. In een brief aan zijn mecenas A.A.M. Pauwels legde hij uit waarom: "vooral daar ze vogels zo hoog stellen en daardoor dus al mijn vrinden zijn" (2 febr. 1911). Binnen het thema vogels had Jan Mankes een uitgesproken zwak voor de kraai en de uil.

Pauwels had hem in 1912 een levende kraai, opgevouwen in een houten kistje, toegestuurd. Over die kraai schreef Mankes: "Het luie, in elkaar gedoken roetzwarte mormel, alle gratie missende, heeft daardoor juist mijn sympathie. Omdat het hier niet in uiterlijkheden zit, is het zo mooi en waar, maar tevens zóó moeilijk, dat het me schier onmogelijk schijnt het beest zo weer te geven, dat ieder ander niet zal zeggen: jakkes wat een naar zwart beest."
In deze beschrijving van zijn kraai ligt de zoektocht naar de essentie van innerlijke schoonheid besloten.

Oogenlust
Mankes schilderde vele kraaien. Een mooi peinzend exemplaar is de 'Kraai op berkenboom' (1913), duidelijk geïnspireerd door een Japans voorbeeld. Het is in bezit van een particulier en overigens niet op deze tentoonstelling te zien. Aan een verzamelaar vertelde hij over deze kraai: "Ik wou kraaien schilderen in een grote plek van eenzaam zwart met doodgraverskop en pooten. Maar sterker was de natuur, die me een beest deed maken flonkerend van blauw en paars, een ingetogen oogenlust."
In deze beschrijving repte Mankes niet eens van het rustige landelijke vergezicht achter de kraai, dat omlijst is door berkenbladeren in zachte, gevarieerde tinten groen en geel.

Mankes liefde voor de natuur heeft vele verklaringen. Hij had vrijwel altijd vlakbij grote landgoederen gewoond en dagelijks wandelingen gemaakt. Hij herkende vogels aan vorm, kleur en geluid. Anne Zernike, zijn echtgenote, bekend als de eerste vrouwelijke predikant van Nederland, vertelde in haar autobiografie (Een vrouw in het wondere ambt, p. 76) dat ze samen lange wandelingen maakten. "Met een onuitputtelijk geduld leerde hij ook mij, die er vrij hardleers in was, in het voorjaar al die geluiden onderscheiden en thuisbrengen, de kijker goed richten om de fitis, hoog op een berkentak in de gaten te krijgen."

Christen-socialisme
Mankes ontwikkelde zich in een tijd, het begin van de twintigste eeuw, waarin de belangstelling voor de natuur opkwam. Een belangrijke propagandist van natuurbeleving was Jac. P. Thijsse. 'De paden op, de lanen in' had ook de voorkeur van de groeiende christen-socialistische beweging, waar Mankes en zijn vrouw Anne deel van uitmaakten. De cultuurkritiek in die tijd richtte zich tegen de luidruchtigheid en het verlies van de menselijke maat, door de oprukkende verstedelijking en industrialisatie. Mankes was wars van alle versiering en uiterlijk vertoon. Schilderen was voor hem: "... nooit een afbeelding geven der stoffelijke zaken, maar een psychische functie, een uiten hoe de geest reageert ten opzichte van de dingen." (Brief aan Pauwels, 26 nov. 1913.) Hij vond het impressionisme van zijn tijd onbevredigend. "Het geheele impressionisme gaf meestal weinig meer dan de uiterlijke zijde der dingen." (Brief aan Pauwels, 6 maart 1913.)

Mankes had meer belangstelling voor de Franse symbolist Odile Redon. Maar Redon schilderde droomwerelden, Mankes was meer geboeid door de natuurlijke wereld om hem heen. Hij kon zich volledig concentreren op een enkel dier, een kip, een haan, een konijn, een vogel, een muis, een rat en een geit, om te proberen het wezen van het dier te doorgronden. Zijn schilderij 'Zelfportret met uil' (1911) verbeeldt Mankes’ missie subliem. Een bewegingloos starende uil met priemende zwarte ogen zit op Mankes’ magere hand, die steunt op zijn borst. De donkere ogen van de uil herhalen zich in de schilder. Alleen is diens blik niet starend, maar afwachtend, kritisch. Mankes kende zonder twijfel de symboliek van deze trotse vogel, die sinds de oudheid voor wijsheid staat. Vandaar dat hij vermoedelijk een zwart boerenpetje op zijn hoofd heeft gezet, om het gewicht van de symboliek te relativeren.

Deze uil was alweer een gift van Pauwels, de Haagse sigarenhandelaar. Hij bedankte zijn mecenas: "De overwinning is ons! Hij is er dan, hij, niets en niemand minder dan een heuse kerkuil. Een zeer wonderlijk beest, van vorm, van kleur, van karakter, alles één idylle. Dit nu werkelijk is een beest uit mijn dromen."
Alles in dit schilderij klopt. De herfstige lichtgele kleur contrasteert met het zwarte petje en de achterwand. Een stuk van een stoel, in een gele tint, zoals bij Van Gogh, benadrukt de verticale positie van de twee hoofdpersonen en vormt het begin van een rustgevende diagonale lijn over het schilderij. Een droom van een schilderijtje van 20,5 x 17 cm, dat overigens ook al niet op deze expositie te zien is, maar in Arnhem. Uit de eigen collectie hangt er wel de fenomenale 'Grote uil op kamerscherm' (1913), met zijn wit oplichtende borst. Mankes zelf oordeelde: "Iets koninklijk teers, iets waar je nooit aan zou willen raken, ja hij is voor mij door die zilveren borst volmaakt geworden." (7 febr. 1913).

Landschappen
Niet alleen dieren, maar ook landschappen en stillevens hebben bij Mankes een diepere waarheid, een ziel. Mankes onderscheidt zich van vele andere landschapschilders, doordat hij wat hij zag, mengde met wat hij voelde in een landschap. Dat kan je projectie noemen, maar het is projectie die wel gebonden is aan de realiteit die hij ziet en overneemt. Een goed voorbeeld is 'Bomenrij' (1915). Het gaat om kale eiken, die in een blauwe winterse sfeer onwerkelijk hoog naar de hemel reiken, hoger en hoger. Op de voorgrond staan de allerhoogste die de lucht al raken en dan een aflopende rij tot aan de horizon, die gevormd wordt door een rij eiken op normale hoogte. Op een zanderig pad wandelt een paar, nietig geworden onder de reuzen van het woud. Jan Mankes heeft de verhoudingen overdreven om de natuur zijn grootsheid te gunnen en om de mens zich zijn kleinheid te doen beseffen.

Een ander mooi voorbeeld van deze ‘ziel’ van een landschap is het dromerige schilderij 'Woudsterweg bij Oranjewoud' (1912). Een pad, op de voorgrond, verdwijnt tussen een schier eindeloze rij bomen, die begint met twee uitzonderlijk hoge bomen, als wachters aan de toegangspoort van het verdwijnende pad. Het lover van de rij bomen is verstrengeld tot een lange, uitgerekte bruinige wolk, die uiteindelijk als een streepje in de horizon verdwijnt. Eén hogere boom verbreekt de monotonie van de bomenlijn. Het diepe perspectief wordt versterkt door een sloot, die langs de bomen loopt. De voorstelling is met minimale middelen opgebouwd, links en rechts wat nevelig akkerland, een sloot, een weg, een struik, een rij bomen. Dat is alles, op een klein figuurtje na, aan het begin van de bomenrij. De eenzame wandelaar. In de lichtblauwe lucht drijven een aantal gele wolkenpartijen. Het gehele schilderij is nevelig geschilderd, waardoor alles met elkaar verbonden lijkt en de mens in dit grote geheel een klein onderdeel is.

Het wit van Mankes
Jan Mankes heeft mij twee jaar geleden vooral getroffen door zijn wit. Dat was op de tentoonstelling 'De serene blik', ook in Gorssel. Het ging om het wit van jasmijn, chrysanten en asters, in de schilderijtjes 'Vaas met jasmijn' (1913), 'Dwergasters in kannetje' (1912) en 'Gemberpot met chrysanten' (1916). Nu weer te bewonderen op deze expositie. Een witte bloem in een vaasje of gemberpot komt meerdere malen in Mankes’ oeuvre voor. Het wit van de bloemen valt meteen op, springt je tegemoet, spettert in je ogen, het is een intens en overtuigend wit. Mankes wist dit effect te bereiken door verf in dunne laagjes over elkaar op het doek te zetten en tussendoor te schuren met puimsteen. Waarschijnlijk heeft hij deze techniek opgedaan in een Delfts glasschildersatelier, waar hij zijn eerste lessen kreeg. Hij mengde het wit met andere glanzende kleuren, waardoor het wit een ongewoon wit werd en van binnen uit de voorstelling lijkt te ontstaan.

De tentoonstelling in Museum More toont als primeur een nieuw ontdekt schilderij van Jan Mankes, een akkertje met leliën van 40 x 35 cm. Er staat veel op, een hekje, prikkeldraad, bomen, bosjes en een twaalftal witte leliën. Er hangt een dromerige mistige sfeer over het veld, waardoor deze leliën toch minder uitbundig wit zijn dan de de witte bloemen uit zijn stillevens.

Minder dan gehoopt
Als liefhebber had ik me veel voorgesteld van dit eerste post-lockdown museumbezoek. Een tentoonstelling naar aanleiding van het honderdste sterfjaar van een meester, betekent dat je als curator flink wilt uitpakken. Maar het aantal schilderijen van Mankes dat de curator verzameld had, viel mij een beetje tegen. Jan Mankes heeft zo’n 400 werken gemaakt, schilderijen, schetsen en litho’s. Uit deze totale productie worden nu 35 stukken getoond, waaronder de zestien schilderijen die het museum zelf bezit en permanent exposeert, plus een aantal schetsen uit de eigen collectie. Van particulieren werd een zestal werken geleend. Het museum Belvédère leende twee schilderijtjes uit. Uit een andere grote collectie, die van het Arnhemse Kunstmuseum, was niets te zien. Maar zelfs deze kleine expositie is een mooi eerbetoon aan de bescheiden schilder, die "het liefst schilderijen wilde schilderen die zingen door de stilte."

Jan Mankes, t/m 25 oktober 2020, Museum More, Hoofdstraat 28, Gorssel. Website: www.museummore.nl.

Peter van Dijk is journalist.