Sept.-okt. 2021, 16e jg. nr.1. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 

Nieuw elan in kunst en architectuur

Nu de creatieve sector weer uit de lockdown komt, valt op hoeveel samenwerkingsverbanden er zijn. De combinatie van verschillende disciplines leidt tot innovatie en creativiteit. Waar komt die wens tot samenwerking vandaan?

Door Han de Kluijver

Tentoonstellingen van kunstenaars werden door de coronapandemie uitgesteld of afgeblazen. Toch zijn er juist vanuit deze beperking ook nieuwe initiatieven ontstaan. Daardoor worden ook de bestaande verhoudingen in de kunst en onze huidige voorkeuren voor esthetiek, vormen en stijlen ter discussie gesteld. Samenwerken is al langer heel gebruikelijk. Zo staan op de shortlist van de Turner Prize van 2021 alleen maar kunstenaarscollectieven. Is de opkomst van het collectief en het samenwerken de toekomst voor de kunstwereld?

Dat kunstenaars zich groeperen om zich af te zetten tegen bestaande, dominante structuren, is natuurlijk niet nieuw. De Dadabeweging uit de jaren twintig en de Fluxusbeweging uit de jaren 60 zijn daar goede voorbeelden van. Al in de 19e eeuw daagden kunstenaars het systeem van de kunstwereld uit, door zich als groep te presenteren om vernieuwingen in de kunst te bewerkstelligen.

Individu of samenwerking?
In het begin van de 19e eeuw was het idee ontstaan dat de kunstenaar een vrij en onafhankelijk schepper moet zijn. Dit was de periode waarin het liberale standpunt postvatte dat ieder individu vrij en waardig is en zich moet kunnen ontplooien, dankzij de moderne wetenschap, onderwijs en intellectuele uitwisseling, en dat de samenleving als geheel hier baat bij heeft. Wat al die collectieven, toen en nu, gemeen hebben, is dat ze het idee ter discussie stellen van de kunstenaar als individueel genie die zijn werk in de eenzaamheid van zijn atelier creëert. Toch verenigen kunstenaars zich meestal in de eerste plaats uit praktische overwegingen en ze maken hun werk tegenwoordig vaak samen met assistenten of technici. Zo is samenwerken heel gewoon geworden. Verder is er een verschuiving gaande van het maken van objecten naar kunstwerken die gaan over kennis of informatie.

Zo laat Simone Fezer met haar installatie 'Tipping Point' in glasmuseum Frauenau in Duitsland zien dat het materiaal glas op een onconventionele en multimediale manier kan worden gebruikt. Het zijn complexe structuren die niet zozeer futuristisch, als wel opzettelijk fragiel en fragmentarisch zijn geconstrueerd. Een metafoor, waarin de middelen van de kunst gebruikt zijn om ons via veranderingen in materiaal en structuur bewust te maken van sociaal-ecologische bedreigingen. Ook John Moran, medeoprichter van Gent Glas, gebruikt glas om sociaal en politiek boeiende verhalen op te bouwen. Het werk moedigt je aan om opnieuw na te denken. Het glas is voor Moran geen uiteindelijk doel op zich, maar wordt onderdeel van een groter kunstobject.

Er kleven wel praktische bezwaren aan collectieven. De kunstmarkt worstelt er soms mee hoe om te gaan met gedeeld auteurschap. Galeries werken over het algemeen het liefst met individuele kunstenaars. Het werk van collectieven heeft ook vaak sociale en politieke motieven, het kan soms behoorlijk conceptueel zijn en is daardoor lastig te verkopen. Bovendien kunnen kunstenaarscollectieven weer uit elkaar vallen. Wellicht zouden bij tentoonstellingen en publicaties eveneens de namen van de medewerkers moeten worden genoemd. De beeldend kunstenaar Marinus Boezem ziet de medewerkers die een tentoonstelling met hem maken, altijd als 'medekunstenaars', omdat het inrichten een gezamenlijk project is (NRC, 8 juli 2021).

Een verstilde sfeer
Ook in de architectuur zien we een verschuiving van de verering van 'starchitects' naar aandacht voor het collectief. Een mooi voorbeeld van samenwerking in de architectuur is het in april (2021) geopende nieuwe museum van Nationaal Monument Kamp Amersfoort (NMKA), waarbij landschap, architectonisch ontwerp en tentoonstelling elkaar versterken. Kamp Amersfoort was 75 jaar na de bevrijding aan actualisatie toe, omdat de huidige generaties op een andere manier naar het verleden kijken. Er was een nieuwe presentatievorm met een eigentijdse reflectie op de geschiedenis nodig.

Er stond de ontwerpers van het museum, architectenbureau Inbo (Jacques Prins), landschapsbureau Juurlink+Geluk (Cor Geluk) en Tinker imagineers (Erik Bär), in 2014 slechts een klein deel van het oorspronkelijke kampterrein ter beschikking. Ze wilden dit niet volzetten met een museumgebouw en de restanten van het kamp, maar er een appèlplaats van maken. Een goed uitgangspunt: het NMKA is een geheel, geen verzameling van losstaande elementen. Bezoekers gaan binnen via de bewaard gebleven poort en komen dan op een grote, lege binnenplaats, die omheind is door een imposante vier meter hoge cortenstalen lamellenwand.

Aan een de zijde van de binnenplaats staat een paviljoen met twee wanden van halfreflecterend glas. Dit is de toegang tot het ondergrondse museum. Hiervandaan leidt een betonnen trap naar beneden. Een lange, van boven aangelichte, wand begeleidt de bezoekers door de ruimte, langs de tentoonstellingen. Het centrale ontwerpthema is reflectie: reflectie op de geschiedenis en op de eigen rol in actuele dilemma’s. Dit komt onder meer tot uiting in de architectuur van het nieuwe bovengrondse paviljoen, in het interieur en in de tentoonstelling. Een mooi voorbeeld van reflectie is de gang, die je vanuit het licht naar het donker en tenslotte weer naar het licht brengt. Een voorbeeld van hoe verschillende ontwerpdisciplines betekenis aan een plek geven.

Little C: een nieuw stukje Rotterdam, met de sfeer van New York
Een ander verrassend voorbeeld van samenwerking is de wijk Little C in Rotterdam. Een plan met een hoge stedelijke dichtheid en interessante binnenruimten. Je waant je in New York of Hamburg, maar je staat in Rotterdam, met een speelse verwijzing naar industrie en haven in de vorm van robuuste bakstenen gevels, grote raampartijen, stalen loopbruggen, balkons, trappen en hekwerken. Doordat de hoeveelheid beschikbare bouwgrond steeds meer afneemt, is het ontwikkelen van nieuwe stedelijke plannen met een efficiënter grondgebruik (bv. hoogbouw) van groot belang. Dat kan op verschillende manieren. In plaats van de hoge torens die elders in de stad worden gebouwd, is in Little C gekozen voor een meer afwisselende structuur met vijftien kleinere torens. Deze omvatten naast woningen ook andere voorzieningen, waaronder het Daniel den Hoed familiehuis, dat verbonden is met het ertegenover gelegen Erasmus MC.

De knipoog naar de architectuur van New York heeft een stedelijk ontwerp opgeleverd dat in dit gebied erg goed past. De verhoudingen tussen de gebouwen en de buitenruimtes is mooi in balans met de schaalgrootte van de stad Rotterdam. Als het gebied eenmaal volledig bewoond is, zal er ook een vorm van levendigheid kunnen ontstaan. Nu gaat er nog veel verkeer over de loopbruggen tussen de torens. De straten tussen de gebouwen zullen op den duur ook een functie krijgen. Little C is van de grond af aan ontworpen door een team van ontwerpers uit verschillende disciplines, waarin hun complementaire kwaliteiten zijn gebundeld: landschapsarchitecten Juurlink + Geluk in CULD (Complex Urban Landscape Design), architecten Jaakko van ’t Spijker en Bert van Breugel, Inbo architecten en Ruud-Jan Kokke, de ontwerper van de zwarte, stalen hekken van de talrijke balkons.

Samenwerken, de toekomst voor de kunstwereld?
Maar om te kunnen samenwerken heb je een gedegen kennis van materialen en technieken nodig. En die kennis staat niet stil. Overal om ons heen veranderen industrieën met een ongelooflijke snelheid door ontwikkelingen in robotica, kunstmatige intelligentie, nanotechnologie, quantum computing, biotechnologie, bioglas in de gezondheidszorg, glazen touchscreens, enzovoort. Het is noodzakelijk voor kunstenaars om op de hoogte te blijven en er een bijdrage aan te leveren. Genoeg urgentie, zou je zeggen. Vanuit hun ambacht creëren kunstenaars volop mogelijkheden voor innovatie, doordat ze anders tegen dingen aankijken en eigenzinnige oplossingen aandragen. De ontwerper bijvoorbeeld, daagt de industrie uit om op het scherpst van de snede te werken. Zo plaatsen kunstenaars zich midden in de innovatie, en niet erbuiten, door alleen aan concepten en persoonlijke expressie te denken.

Internationale Jaar van het Glas
Een goed bericht voor de ontwikkeling van het gebruik van glas is, dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het jaar 2022 heeft uitgeroepen tot het Internationale Jaar van het Glas. Dit geeft aan, dat de veelzijdigheid en de technische mogelijkheden van glasachtige materialen in de afgelopen decennia tal van culturele en wetenschappelijke ontwikkelingen hebben bevorderd. Zo kunnen we in 2022 het glas wereldwijd onder de aandacht brengen als aantrekkelijk materiaal voor innovatie en toepassing in deze tijd. Daarom is het van belang, dat we ons als glaskunstenaars bewust worden van de betekenis van deze fascinerende ontwikkelingen en ons af te vragen waar we staan, hoe we ons werk tot de maatschappij willen laten verhouden en wat (glas)kunst in deze constellatie kan toevoegen en betekenen.

Han de Kluijver is architect bna bni bnsp.

Terug naar boven