Mrt. - mei 2022, 17e jg. nr.1. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 
VOORKANT ACTUEEL AGENDA UITGELICHT ARCHIEF COLOFON 
voorpagina
artikel
recensies van tentoonstellingen actuele exposities
Nederland België
opmerkelijke
kunstberichten
artikelen uit  
vorige nummers

over Het Beeldende Kunstjournaal

 

Actueel

David Hockney: Van zwembadschilderij tot iPadschildering

Bozar pakt uit met een grote dubbeltentoonstelling van een van de meest bekende en invloedrijke hedendaagse kunstenaars, David Hockney (1937). Het is voor het eerst sinds 1992 dat in België weer op deze schaal werk wordt getoond van Hockney.

Door Joke M. Nieuwenhuis Schrama

De eerste tentoonstelling presenteert topstukken uit de collectie van de Tate Gallery uit Londen, vervaardigd door Hockney tussen 1954 en 2017, gedurende zijn lange en veelzijdige carrière. De tweede toont zijn meest recente werken, de 'iPad-schilderijen', onder de titel: 'De komst van de lente, Normandië 2020'.

Hockney werd bekend als begaafd graficus, vernieuwend schilder en tekenaar, maar hij ontwikkelde in de loop der jaren ook zijn talent voor fotografie, decorontwerpen, video's en digitale schilderijen.

 
Zaalzicht David Hockney, BOZAR. Foto: Philippe De Gobert.

Bigger
Met zijn zwembadschilderijen werd Hockney wereldberoemd, het was zijn bekendste onderwerp in de zestiger jaren, maar hij bleef op dat thema ook later nog werken maken. Hockney was gefascineerd door licht, de transparantie van water en atletische mannenlijven. 'A Bigger Splash' is wel een van de bekendste schilderijen. In het Museum Ludwig in Keulen zag ik in 2012 'A Bigger Picture', een tentoonstelling met een reeks grote schilderijen en iPad-schilderijen waar geen einde aan leek te komen. De iPad is het medium dat hij vanaf 2010 ging gebruiken. In 2019 was de kunstenaar in Amsterdam bij de presentatie van de expositie 'Hockney-van Gogh' in het van Gogh Museum, met de focus op: Twee kunstenaars, één liefde: 'The Joy of Nature', een kleinere tentoonstelling met weer een andere inhoud.

Bigger Trees
De twee exposities in het Bozar zijn, zeker voor de Hockney-liefhebber, eigenlijk niet te missen. Aan het begin van het parcours wordt een video getoond waarin de kunstenaar via Zoom wordt geïnterviewd door de VRT. Hockney vertelt onder meer hoe het twaalf meter lange werk, met de eveneens lange titel: 'Bigger Trees Near Warter or ou Peinture en Plein Air pour l'age Post-Photographique', tot stand is gekomen. Dit werk uit 2007, opgebouwd uit vijftig doeken (olieverf), is te zien in de volgende ruimte. Hockney spreekt in het interview over de totstandkoming hiervan in de wij-vorm. Het lijkt me dan ook bepaald geen werk dat je alleen kunt maken. Voor dit werk was hij enkele maanden vanuit Los Angeles teruggekeerd naar zijn geboortestreek Yorkshire, in Engeland. Alles is naar de natuur geschilderd, in de open lucht, op een tijdstip waarop de bomen net in blad komen. In 2008 heeft hij het geschonken aan de Tate Gallery.

Young Contemporary
De Tate Collectie-expositie is chronologisch/thematisch opgebouwd en verrast door wat er allemaal te bekijken is. Tussen 1956 en 1958 kreeg Hockney op de Bradford School of Art een traditionele opleiding, waarbij tekenen naar het leven en de natuur nog voorop stond. Dat leidde tot schilderijen en litho's met donkere kleuren en een illusionistische ruimte. In 1959 begonnen de kunstopleidingen in Groot Brittannië in snel tempo te veranderen. Hockney schreef zich in voor een tweejarige cursus schilderkunst aan de Royal College of Art in Londen. Aan het eind van het eerste jaar bestond zijn productie in toenemende mate uit werken waarin hij zijn homoseksualiteit op de voorgrond plaatste, een geaardheid die toen in Engeland nog niet uit de criminele sfeer was gehaald. In 1961 nam de kunstenaar deel aan de jaarlijkse tentoonstelling van de Young Contemporaries in Londen. Deze expositie bracht een breed publiek in contact met de opkomende generatie Britse kunstenaars. Hockney werd ontdekt door John Kasmin, een galeriehouder die zijn officiële vertegenwoordiger werd. Door dit vroege commerciële succes had hij geld genoeg om naar Amerika te reizen.

Grafiek
De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik Hockney's grafiek niet kende. In het Bozar worden een paar series uit de Tate Collectie getoond. De serie etsen 'A Rake's Progress', tot stand gekomen tussen 1961 en 1963, maakte Hockney bekend in Amerika. De zestien etsen zijn geïnspireerd op satirische prenten over het achttiende-eeuwse Engeland, door de kunstenaar William Hogarth (1697-1764). In 1966 maakte Hockney in Beiroet tekeningen voor een reeks etsen, geïnspireerd op het werk van de Grieks-Egyptische dichter K.P. Kaváfis (1863-1933). De gedichten en etsen zijn zacht (homo) erotisch, niet openlijk seksueel. De dunne precieze lijnen die Hockney creëerde, passen bij de helderheid en eenvoud van de gedichten van de eveneens homoseksuele Kaváfis.

Tate

Hockney vertelde in het interview ook dat hij zijn schilderij 'My Parents' uit 1977 eigenlijk liever zelf wilde houden, maar dat de Tate Gallery het graag wilde hebben na het zien van het voltooide werk. De Tate Gallery verwierf Hockney's 'The First Marriage (A Marriage of Styles I)' in 1963. Sindsdien volgde het museum zijn carrière en ontwikkelde een band met de kunstenaar. Het grote werk 'Mr and Mrs Clark and Percy' is mijn favoriet. Het dubbelportret is vervaardigd tussen 1970 en 1971. Het toen pasgetrouwde jonge stel Ossie Clark en Celia Birtwell, vrienden van Hockney, zal anno 2021 om en nabij de tachtig zijn. Percy is al lang naar de kattenhemel.
Zaalzicht David Hockney, BOZAR. Foto: Philippe De Gobert.

De komst van de lente 2020
Onder het motto 'Do remember they can't cancel the spring' heeft Hockney met zijn iPad het ontluiken van de natuur vastgelegd in Normandië. Dat deed hij in samenwerking met de Royal Academy of Arts, tijdens de eerste lockdown in het voorjaar van 2020. Honderdzestien iPad-schilderijen worden getoond, afgedrukt op papier, alle in hetzelfde formaat. Hockney gebruikt het liefst de functie 'penseel' op zijn iPad, waarop hij overigens de tools heeft laten verfijnen. In een kabinet worden ook twee geanimeerde iPad-schilderijen getoond, met de illusie van beweging. Hockney heeft een malse regenbui 'geschilderd' op 30 mei 2020, ergens in een landschap. De regen hierin is geanimeerd, wat weer zijn liefde voor de transparantie van water weergeeft. Daar kun je werkelijk een poosje naar kijken.

Bekijk een korte video van VRT NWS over de tentoonstelling, via deze link.

DAVID HOCKNEY, Werken uit de Tate Collectie 1954-2017 en De komst van de lente, Normandië 2020, twee tentoonstellingen, waren van 8 oktober 2021 t/m 23 januari 2022 te zien in het BOZAR, Ravensteinstraat 23, 1000 Brussel, België. Website: www.bozar.be.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

De vreugde van de magie

Tijdens de opening van de International Glass Day en de viering van het 25-jarig bestaan van de Engelse glasvereniging Contemporary Glass Society (CGS, 8 januari 2022), maakte ik kennis met het werk van Tom Moore. Zijn dierlijke, menselijke en plantaardige objecten nemen je mee op poëtische reizen, waarbij thema's als de triomf van de natuur over de industrie aan bod komen. Een combinatie van buitengewone vaardigheden, eigenzinnigheid en plezier, met een serieuze onderliggende boodschap. Moore gebruikt traditionele en innovatieve glastechnieken om excentrieke glazen hybriden en diorama's tot leven te wekken.

Door Han de Kluijver

Op een open dag van de ANU School of Art & Design in Canberra, Australië, in 1989 zag Tom Moore (1971) glasblazers Venetiaanse technieken demonstreren en hij dacht: 'Dit wil ik ook'. In 1991 werd hij toegelaten tot de vierjarige Bacheloropleiding voor Beeldende Kunsten. In 1995 ging hij in het Jam Factory Craft and Design Centre in Adelaide werken, waar de bekende Australische glaskunstenaar Nick Mount hoofd van de studio was. Tijdens een verblijf in Amerika studeerde hij in het atelier van het Corning Museum of Glass bij de Venetiaanse meester Pino Signoretto. Na vele uren als technicus en kunstenaar met glas te hebben gewerkt, begon Moore in 2015 aan zijn inmiddels afgeronde promotietraject (PhD). Momenteel werkt hij als Adjunct Research Fellow aan de Universiteit van Zuid-Australië en is hij bezig met een boek met eigen werk uit de periode 2015-2019.

In 2001 ontving hij de Bank of Tokyo-Mitsubishi Japan/South Australia Award, een beurs van ArtsSA om drie maanden in Japan te wonen en te werken met glaskunstenaar en docent Yoshihiko Takahashi als mentor. Daar zag Moore op een heuvel een vrachtwagen staan die was overwoekerd door planten.

 
Tom Moore, 'Abundant Wanderer', 2020, 51.5 x 32 x 16 cm, geblazen en massief glas. Foto: Grant Hancock.

Verrukt over de schijnbare samensmelting van plant en machine begon hij na te denken over hybride wezens: dierlijk, plantaardig, mineraal en mechanisch tegelijk. De eerste 'plantvogel' zag kort daarna het licht, een idee dat zich geleidelijk door heeft ontwikkeld tot vormen als de Potato Fish Cars. Sommige wezens hebben wielen, andere extra ogen om mobiel en waakzaam te blijven in een steeds vijandiger wordende wereld.

Paradoxale fabeldieren
De objecten van Moore zijn fantasierijk, vreemd, speels en verfijnd, maar ze stellen ook serieuze vragen aan de kaak, zoals de verwoestende menselijke invloed op het milieu. Moore doet dat met behulp van dertiende-eeuwse Venetiaanse glastechnieken. Hij is zich bewust van de paradox in zijn werk. Met zijn sculpturen nodigt hij ons uit dieper na te denken over menselijk gedrag en de aantasting van het milieu, maar draagt er tegelijkertijd aan bij. De glasindustrie is immers medeplichtig aan de uitstoot van broeikasgassen en de uitputting van grondstoffen. Door glas als medium voor zijn boodschap te gebruiken, hoopt hij de impact van zijn boodschap te vergroten.

Moores werk past in de categorie die we 'geanimeerd glas' kunnen noemen. Zijn objecten stralen beweging uit. Ik denk aan de kleine Murano-dieren (een soort ballondieren in glas) en natuurlijk de verfijnde glasvogels van Oiva Toikka. Maar het is meer dan dat, zijn fabeldieren zijn doorspekt met humor en wijsheid. Moores fantasierijke verhalen en zijn groeiende cast van onwaarschijnlijke protagonisten vormen morele raadsels van verrassend epische proporties.
Tom Moore, 'Hooligan Trio', 2020. Foto: Grant Hancock.

Zijn objecten zijn vakkundig samengevoegd en roepen zowel de traditionele elegantie van glazen ornamenten op als dat ze die verwerpen. Glas heeft een lange geschiedenis als medium om verwondering tot uitdrukking te brengen. Voor Moore is het beeld belangrijker dan het object zelf. Zijn objecten beginnen als getekende beelden die worden omgezet in driedimensionale objecten, maar ze zijn pas af als ze weer afbeeldingen worden. Daarom besteedt hij zeer veel tijd aan het fotograferen van zijn objecten en maakte hij 'The Electric Canvas', een animatiefilm van zijn objecten. Een combinatie van oude ambachtelijke technieken met digitale technologie.

Het metaforische en metafysische
De verleidelijke kracht van het materiaal glas is eigenlijk volmaakt. Toen de Amerikaanse glaskunstenaar Harvey Littleton in 1962 atelierworkshops in het Toledo Museum of Art begon te geven en het materiaal glas bevrijdde van de beperkingen van de fabrieksvloer, ontstond er een nieuwe creatieve belofte.

Glas als materiaal kan een expressief visueel vocabulaire bestrijken, een rijke ader van het metaforische en metafysische. Glas heeft alles, van wetenschappelijke strengheid tot decoratieve chic. Maar nog meer dan dat is glas een medium dat bijna op maat is gemaakt voor het huidige tijdperk van individualiteit en zelfexpressie.

Tom Moore benut de mogelijkheden van glas volop: hij creëert een universum dat even onheilspellend als mooi lijkt. Zijn kunstwerken leveren kritiek op de dringende sociale en milieuproblemen van onze tijd, maar zijn tegelijkertijd ontwapenend speels. Zijn innemende, verfijnde en technisch uitdagende hybride dier/plant-sculpturen zijn ook diep verankerd in de geschiedenis van de glasproductie en van wetenschappelijke ontdekkingen. Zijn werk dwingt andere glaskunstenaars op een luchtige manier tot nadenken over wat ze maken, en waarom. In plaats van opeenvolgende voorspelbare, inhoudsloze objecten te maken, zou moeten worden nagedacht over een empathische en intelligente omgang met het materiaal glas. Glaskunst die ons inspireert tot verheven sentiment, maar ons ook een spiegel voorhoudt over ethische en morele grenzen.

 
Tom Moore, 'Post Industrial Pond', 2011, 39 x 26 x 15 cm, glas en mixed media. Foto: Grant Hancock.

Meer informatie: www.cgs.org.uk ; www.mooreismore.com.

Han de Kluijver is architect bna bni bnsp.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Twee haiku's van Ria Giskes. Verder op deze pagina vindt u er nog twee.

 

telkens even
tussen jagende wolken
dezelfde ster

mijn oude dagboek
tussen de regels
een ander verhaal

 

Haiku: Ria Giskes-Pieters; foto: ©John Giskes.
Meer haiku's van Ria Giskes vindt u hier: http://tjilp.blogspot.com.

Terug naar boven

 

Another history of art
Onconventioneel boek over 2500 jaar Europese kunstgeschiedenis

Koenraad Jonckheere heeft met 'Another History of Art – 2.500 jaar Europese kunstgeschiedenis' enig werk verzet, niet alleen gezien de omvang (tevens gewicht) van het boekwerk.

Door Joke M. Nieuwenhuis Schrama

Alleen al het woord vooraf: 'Van zwart vierkant tot caleidoscoop' neemt elf pagina's in beslag. Vervolgens vijf hoofdstukken, 1. 'Het product kunst'; 2. 'Het idee kunst'; 3. 'Kunst(en) wetenschap'; 4. 'Kunst, macht en geloof'; 5. 'Vorm en inhoud'. De epiloog heeft als titel: 'Kunst als interactie'. Dat die hoofdstukken niet chronologisch zijn samengesteld, leest eigenlijk heel verfrissend. Het is uiteraard het verhaal van de beeldende kunsten in West Europa vanaf de oudheid tot het modernisme, maar steeds weer vanuit een andere invalshoek, zodat je eigenlijk met ieder hoofdstuk zou kunnen beginnen, desgewenst met de epiloog.

Matrix
Ik heb een willekeurige keuze gemaakt – niet helemaal lukraak – uit dit lijvige boek, waarbij ik snel gewend raakte aan het rijke Vlaamse taalgebruik. Jonckheere schrijft in zijn inleiding dat dit boek is opgebouwd als een soort matrix:

 
Omslag 'Another History of Art – 2.500 jaar Europese kunstgeschiedenis', Hannibal Books.

"(…) In ieder hoofdstuk passeert de kunstgeschiedenis de revue, zij het telkens vanuit een ander perspectief. In verschillende tijdvakken lichten vanzelfsprekend andere fenomenen op, zodat begrijpelijkerwijs niet alle stijlperiodes en zeker niet alle kunstenaars in ieder hoofdstuk dezelfde aandacht krijgen. (…)."
Op het terrein van de kunsten zijn de bronnen tenslotte schier onuitputtelijk en Jonckheere maakt daar eigenlijk heel geraffineerd gebruik van.

Product
(...)''De spanning tussen de ambachtelijke waarde van kunst en de economische realiteit is het uitgangspunt van het hoofdstuk Het Product Kunst (…),” aldus Jonckheere. Aardig in het eerste hoofdstuk is het voorbeeld van een van de bestverkopende kunstenaars in het Europa van zijn tijd: Adriaen van der Werff, met een plaatje erbij van een bewaard gebleven kas- of aantekenboekje van rond 1700. Minutieus bijgehouden kosten van gebruikte materialen en arbeidstijd door de kunstenaar bepaalde zijn verkoopprijs, waar hij uiteraard nog een schepje bovenop deed. Ook in dit deel komt de sculptuur 'For the love of God' door Damien Hirst uit 2007 aan de orde. De waarde van dit object,14 miljoen pond, wordt voornamelijk bepaald door de hoeveelheid diamanten die erin zijn verwerkt, dat zijn er 8601. Het hoofdstuk bevat bijna honderd pagina's, onnodig te zeggen dat er heel wat in beschreven staat over ambacht, kennerschap en economie.

Idee
Gemiddeld hebben de hoofdstukken zo'n negentig pagina's. In het tweede hoofdstuk worden onder meer kunsttheorie, sublimering en de filosofie besproken, maar het bevat ook een interessante uiteenzetting over de tekenkunst. De tekst wordt begeleid door prachtige illustraties van Rembrandt's schilderij uit 1653 van (vermoedelijk) Aristoteles met buste van Homerus, maar ook van Nicolaas Pousin en Peter Paul Rubens met hun uitbeeldingen van de Sabijnse maagdenroof, resp. uit 1634 en 1640. Verder komen de kunstenaarsgroepen uit de eerste helft van de twintigste eeuw aan bod, met hun manifesten en kunstenaarsgeschriften en de daarbij behorende mooie plaatjes van schilderijen gemaakt door onder andere René Magritte en de collages van Kurt Schwitters.

Magnum Opus
De indexen met bibliografie en de afbeeldingen maken dit onconventionele boek compleet. Koenraad Jonckheere is hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit Gent. Hij schreef eerder over onder meer portretkunst, kunsthandel, iconoclasme en Rubens. Dit boek is zijn magnum opus, een magnifiek boek voor iedere kunstliefhebber.

Another History of Art – 2.500 jaar Europese kunstgeschiedenis, door Koenraad Jonckheere, 384 p., Hannibal Books, EAN 9789463887526, prijs: 64,50 euro.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Nieuw hoofdkantoor voor Lasvit

Het nieuwe hoofdkantoor van glas- en lichtfabrikant Lasvit combineert op bijzondere wijze eeuwenoude ambachten met de moderne bouwcultuur.

Door Han de Kluijver

In het centrum van Nový Bor in Tsjechië heeft glas- en verlichtingsfabrikant Lasvit een nieuw hoofdkantoor in gebruik genomen. Twee bestaande monumentale gebouwen zijn grondig gerestaureerd en verbonden met twee nieuwe gebouwen, in de vorm van een zwart 'cementhuis' en een contrasterend licht 'glazen huis'. Een pad langs de gevels verbindt de vier gebouwen, die rondom een nieuwe groene binnenplaats staan.

Lasvit staat bekend om de combinatie van traditioneel ambacht met modern design. Ook in de architectuur van dit nieuwe hoofdkantoor is deze dualiteit te zien.

 
De Tsjechische glas- en verlichtingsfabrikant Lasvit combineert traditioneel ambacht met modern design. De architectuur van het nieuwe hoofdkantoor in Nový Bor weerspiegelt deze dualiteit. Foto: o v - a ov architekti, s.r.o.

Lasvit ontwikkelde samen met het Praagse architectenbureau OV-A (Architekti, projectarchitect Štepán Valouch) een nieuw masterplan, waarin de geschiedenis van de bestaande gebouwen wordt gecontinueerd en de eigentijdse uitbreidingen worden gebruikt om de identiteit van het merk te benadrukken.

Eén van de historische gebouwen was sinds het einde van de 18e eeuw in gebruik als een glaswerkplaats. Aan het einde van de 19e eeuw betrok de glasblazerij van de firma Carl Schappel uit Leipzig het pand. Het tweede historische gebouw werd in 1790 als woonhuis gebouwd.

Deze twee gebouwen zijn vakkundig gerenoveerd en ontdaan van alle ongewenste ingrepen uit de jaren '80. De fundering werd vernieuwd, de isolatie verbeterd en de buitenmuren werden in ere hersteld. Het opvallendste zijn de twee nieuwe zwart-witte volumes van vergelijkbare grootte, die zijn gebaseerd op de typische verhoudingen in de omgeving. De vorm van de huizen is geabstraheerd tot een eenvoudige rechthoekige plattegrond, bedekt met een schilddak. Het betonnen gebouw is volledig bekleed met vierkante glastegels die Lasvit speciaal voor dit doel heeft ontwikkeld en vervaardigd. De vorm, textuur en toepassing van de 1.400 glastegels doen denken aan traditionele leistenen, die diagonaal op elkaar zijn gelegd.
Het 'cementhuis' (links) is een herinterpretatie van de met leisteen bedekte huizen in de regio. Foto: o v - a ov architekti, s.r.o.

De vierkante tegels op de gevels zijn 60 × 60 cm groot, acht millimeter dik en wegen 7,5 kilogram. De glazen tegels worden ondersteund door een stalen frame. Grotere formaten zouden te fors van schaal hebben geleken, terwijl kleinere formaten tot te veel overlapping zouden hebben geleid. Hierdoor zou het gewicht aan de gevels toenemen en zouden ze minder transparant lijken. De daktegels zijn groter dan die op de gevel: elk 120 × 60 cm groot, 10 mm dik en 12 kg zwaar. Ze hebben minder voegen, maar door de perspectiefwerking lijken ze toch dezelfde grootte te hebben als de platen op de gevel.

Het zwarte gebouw verbindt de twee gerenoveerde kantoren en omvat op de begane grond een café en een vergaderruimte. Op de bovenverdieping bevindt zich een grote vergaderruimte onder een gewelfd betonnen ribbenplafond. Het gebouw is zo ontworpen dat het in de toekomst ook voor andere functies kan worden gebruikt.

Het heldere glazen gebouw vormt een spannend contrast met het zwarte 'cementhuis'. Ook dit gebouw refereert aan de huizen in de regio en is volledig bekleed met zwarte vezel cementtegels, gebaseerd op leisteenplaten. Het gebouw staat aan de achterzijde van het perceel, loodrecht op de straat en tegenover het glazen huis. Het bevat een ruimte van drie verdiepingen die open is naar het spant (dragende dakconstructie), compleet met kraanbaan (rails voor een mobiel hijstoestel). De dertien meter hoge ruimte is ontworpen om nieuwe kroonluchters en lichtsculpturen van het bedrijf, die tot vijf ton kunnen wegen, te presenteren.

De relatie tussen de historische gebouwen en hun moderne incarnaties is erg interessant. Beide nieuwe gebouwen hebben een unieke vorm, zowel van binnen als van buiten: het zwarte huis is op zichzelf staand, terwijl het glazen huis de stad verlicht als een lamp. Ze zijn bedoeld als teken van verjonging en het nieuwe vertrouwen in de glasproductie in de regio. Zodra we weer kunnen reizen is het zeker de moeite waard om dit bijzondere ensemble zelf te bezoeken. Het is een fraai voorbeeld van hoe lokale tradities in glasblazen en architectuur een nieuwe relevantie kunnen krijgen.

 
Het zwarte gebouw heeft een vide van vier verdiepingen (dertien meter hoog), compleet met kraanbaan, voor het tentoonstellen van de kroonluchters en lichtsculpturen van het bedrijf, die tot wel vijf ton kunnen wegen. Foto: o v - a ov architekti, s.r.o.

Meer informatie: www.lasvit.com.

Han de Kluijver is architect bna bni bnsp.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Twee haiku's van Ria Giskes.

 

windvlagen
stukjes hemel
in het kroos

de leegte
onder ogen zien -
winterpolder

 

Haiku: Ria Giskes-Pieters; foto: ©John Giskes.
Meer haiku's van Ria Giskes vindt u hier: http://tjilp.blogspot.com.

Terug naar boven

 

Richard Rogers (1933-2021): Radicaal vernieuwer

Op 18 december 2021 overleed de 88-jarige Brits-Italiaanse architect Richard Rogers, één van de pioniers van de Britse hightech-architectuur. Al vroeg in zijn carrière vergaarde hij grote faam met het Centre Pompidou in Parijs.

Door Han de Kluijver

Het architectenbureau Piano & Rogers ontketende in de jaren zeventig een revolutie in de architectuur met hun prijsvraagontwerp (1971) voor het museum Centre Pompidou in Parijs, waarbij ze de roltrappen, liften en installaties in kleurige buizen aan de buitengevels hingen.

Het gebouw, opgeleverd in '77, moest je gaan bekijken, maar het viel niet bij iedereen in de smaak en dat is nog zacht uitgedrukt. Bij veel Parijzenaars gingen stemmen op om het gebouw maar meteen met de grond gelijk te maken, maar die reactie was er ook bij de bouw van de Eiffeltoren eind 19e eeuw.

Het Centre Pompidou is inderdaad geen traditioneel museumgebouw, maar in de geest van de tegencultuur van 1968, een laagdrempelige 'expositiemachine'. Het bestaat uit neutrale, volledig lege ruimtes, die tentoonstellingsmakers kunnen inrichten.

Kenmerkend voor het Centre Pompidou van Piano & Rogers is het 'inside-outside' principe: de ontluchting, de verwarming en de watertoevoer worden aan de buitenkant van de gevel geplaatst, zodat er binnen een vrije tentoonstellingsruimte is. Foto: RSHP.

Het principe van vrije benutting en optimale flexibiliteit werd hier tot het uiterste doorgevoerd. Het gebouw bestaat uit een doosvormige stalen constructie van kolommen en trekstangen, waarin vijf vloeren van 170 bij 48 meter zijn gehangen. Doordat de roltrappen en ook de leidingen en installaties zoveel mogelijk aan de buitenkant van het gebouw zijn geplaatst, lijkt het Centre Pompidou een binnenstebuiten gekeerd gebouw. Om elke associatie met enige vorm van hiërarchie te vermijden, is het gebouw haast ontworpen als een bouwpakket. Er lijkt geen verschil te zijn tussen onder en boven, links of rechts, voor of achter. Het is als het ware een ultieme verschijning van een gebrek aan rangorde, met onbeperkte mogelijkheden tot verandering.

Architectuur is meer dan een gebouw
De architectonische verbeelding van een dergelijke visie werd destijds belichaamd door de Engelse Archigram groep, die in haar ontwerpen met high-tech lichtgewicht structuren een nieuw toekomstperspectief tot uitdrukking wilde brengen. Hoewel het gehele terrein bebouwd mocht worden, kozen Renzo Piano en Rogers ervoor om de helft niet te bebouwen en het andere gedeelte te gebruiken als stedelijk plein onder het motto: architectuur is meer dan een gebouw, de ruimte die overblijft is van even groot belang. Het plein spiegelt in zijn maat de gevel van het gebouw en vergroot zodoende de relatie tussen beide.

Toch trekt het gebouw zich weinig aan van de stedelijke context. Wel leveren de grote glasvlakken in de gevel een kleine bijdrage van onvermoede subtiliteit door de historische bebouwing te weerspiegelen. Het slaagt er evenwel niet in zijn status als museaal instituut uit te drukken, hoewel dat in overeenstemming is met de ideologische herkomst van het gebouw. De een vond het gebouw, dat wel iets weg heeft van een raffinaderij, afschuwelijk, de ander vond het een architectonisch meesterwerk. Parijs had in die tijd in ieder geval geen last van een consensuscultuur.
Rogers house, 1968. Flexibiliteit stond hoog in het vaandel bij dit ontwerp en de meeste interne scheidingswanden zijn verplaatsbaar. Foto: RSHP.

Het gebouw werd al snel één van de redenen om architectuurexcursies naar Parijs te organiseren. De heftige discussie over het gebouw van toen is verflauwd. Wat blijft is de enorme impact die het gebouw op het architectonisch denken heeft gehad en nog altijd heeft. Het ontwerp kreeg ook in Nederland navolging, zoals de Centrale Bibliotheek van Rotterdam (1983, architect Hans Boot (1924-2013) van Van den Broek & Bakema).

Geboorte van hightech
Richard Rogers werd in 1933 geboren in Florence (Italië) en studeerde architectuur in Londen en aan de Amerikaanse Yale universiteit. Begin jaren zestig begon hij een bureau genaamd Team 4 met één van zijn medestudenten, Norman Foster (1935) en hun echtgenotes, Su Brumwell en Wendy Cheeseman. Ze maakten naam met hun industriële glas-en-staalarchitectuur, die later hightech werd genoemd. Maar Rogers samenwerking met de tweede Britse pionier van de hightech-architectuur duurde slechts enkele jaren. In 1967 starten Rogers en Foster elk hun eigen bureau.

Een mogelijk door Mies van der Rohe geïnspireerd gebouw uit die tijd is het in 1968 door Rogers en zijn vrouw Su Rogers ontworpen Rogers house. Het huis, dat de Britse architectuur vertegenwoordigde op de Biënnale van Parijs in 1967, werd gebouwd in opdracht van de ouders van Rogers.

Flexibiliteit stond hoog in het vaandel bij dit ontwerp en de meeste interne scheidingswanden zijn verplaatsbaar. Het gold als prototype voor betaalbare woningbouw en balanceert zorgvuldig tussen privacy voor de bewoners en de openheid van de glazen gevels.

Hier werden de techniek en constructieve elementen al zichtbaar gemaakt. In 1971 was Rogers' praktijk betrokken bij de dakuitbreiding van een fabrieksgebouw voor Design Research Unit, er kwam een halve verdieping bovenop.

Hij had een nieuwe partner gevonden, de Italiaanse architect Renzo Piano. Al snel kreeg de praktijk een nieuwe naam, Piano & Rogers. De samenwerking was van korte duur (in '78 gingen ze alweer uit elkaar) maar leverde wel spectaculaire ontwerpen op.

Net als bij Centre Pompidou is het Lloyd's-gebouw van Richard Rogers 'binnenstebuiten' ontworpen. Alle dienstfuncties werden uit het interieur gehaald en aan de buitenkant van het gebouw geplaatst. Dit zorgt niet alleen voor gemakkelijke vervanging en onderhoud aan de liften, sanitair of elektrische voorzieningen, maar het maakt het interieur ook flexibel. Foto: RSHP.

Polemiek met een prins
Piano en Rogers' indrukwekkende tweede binnenstebuiten gekeerde gebouw, het Lloyd's Building in de City in Londen (voltooid in 1986) riep de afkeuring op van Prins Charles. Vlak na de oplevering ervan voorkwam de Britse troonopvolger dat een ontwerp voor nieuwbouw rondom de St Paul's Cathedral zou worden uitgevoerd. In een rede stelde Prins Charles dat moderne architecten als Rogers na de Tweede Wereldoorlog meer schade hadden aangericht in Londen, dan de Luftwaffe gedurende de oorlog (The Prince of Wales: Right or Wrong? An Architect Replies, 1989). Ook het publiek was aanvankelijk in shock, maar inmiddels is het Lloyd's Building een rijksmonument. Later werkte Prins Charles Rogers nog een keer tegen. Zo zorgde de prins er in 2009 voor dat de bouw van appartementengebouwen van Rogers in de Londense wijk Chelsea niet doorging.
Maar Prins Charles' invloed was niet zo groot, dat Rogers niets meer kon bouwen in Londen. In 1999 werd naar zijn ontwerp in Greenwich de Millennium Dome voltooid, een koepelvormig gebouw met een hoogte van 52 meter en een diameter van 365 meter, dat aan twaalf schuine pylonen (draagtorens) hangt. Daarnaast ontwierp het bureau Terminal 5 op vliegveld Heathrow en was Rogers van 2001 tot 2008 adviseur voor de stedenbouw in Londen.

Publieke werken

Na de breuk met Piano startte Rogers een nieuwe praktijk: Richard Rogers Partnership, later omgedoopt tot Rogers Stirk Harbor + Partners. Het bureau ontwierp een groot aantal hightech-gebouwen in vele landen, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (1994), het al genoemde ega-evenementencomplex Millennium Dome in Londen (1999) en het Paleis van Justitie in Antwerpen (2006), dat door de vorm van het dak 'het vlinderpaleis' wordt genoemd.

Rogers werkte aan grote utiliteitsgebouwen op vliegvelden, maar ontwierp ook kleine projecten, zoals het rode Maggie's Centre, een ziekenhuis voor kankerpatiënten, waarvoor hij voor de tweede keer de Britse RIBA Stirling Prize ontving.

Hij bleef altijd optimistisch over de mogelijkheden om met architectuur bij te dragen aan de fysieke omgeving, en daarmee aan de sociale kwaliteit van leven.

Een zwevende expositieruimte van 120 vierkante meter was het laatste werk van Rogers, voordat hij in mei 2020 met pensioen ging bij RSHP. Het is gelegen in de wijngaard van Château La Coste en bestaat uit een enkele rechthoekige kamer. die door de opening van 5 x 4 m uitzicht biedt op het landschap. Foto: RSHP.

In 2006 werd Rogers gekozen als architect van Toren 3 van het World Trade Center in New York, dat bij de aanslagen in 2001 werd vernietigd. RSHP heeft ook twee grote luchthavenprojecten ontworpen: naast Terminal 5 op luchthaven Heathrow in Londen, ook de vierde terminal van luchthaven Madrid Barajas (2005): een golvende golf van bamboe en een regenboog van stalen pilaren, met lichtbronnen om de ruimte op te fleuren. Voor de terminal op Heathrow ontving Rogers zijn eerste RIBA Stirling Prize, de Gouden Leeuw van de Biënnale van Venetië in 2006 en in 2007 kreeg hij de Pritzker Prize.

Een van zijn laatste ontwerpen was een tentoonstellingsruimte voor Château La Coste in de Provence (Frankrijk). Het is een zwevend gebouw, gehangen in een constructie van oranje stalen staven en stangen. Doordat het geheel met slechts vier staalgewrichten in een heuvel is verankerd en de 27 meter lange doos over boomtoppen scheert, lijkt het gebouw te zweven.

Nalatenschap

Richard Rogers was een pionier van de hightech-architectuur, ook wel structureel expressionisme genoemd. Gebouwen in deze stijl laten hun innerlijke functies trots en moedig zien, als onderdeel van het ontwerp. De materiaaltechnologie die in de jaren zeventig opkwam, werd een belangrijk kenmerk hiervan, naarmate de technieken in beton en staal zich verder ontwikkelden. Rogers veranderde met zijn ontwerpen de stedelijke architectuur. Zijn gebouwen hebben vaak een enorme schaalgrootte, maar komen toch speels over en spreken aan door het specifieke gebruik van kleuren en materialen.

 
Richard Rogers. Foto: Tommy London / Alamy Stock Photo.

Doordat hij de definitie van een gebouw radicaal open heeft gebroken, zal Rogers zeker nog vele generaties architecten inspireren. Later in zijn carrière raakte hij steeds meer gepassioneerd door duurzaamheid en werd hij adviseur van verschillende gemeenten inzake het verbeteren van stadsruimten. Rogers had nog grote dromen voor de toekomst van Londen en wilde ervoor zorgen dat ruimtes effectiever werden gebruikt, zodat de levenskwaliteit van de inwoners kon worden verhoogd.

Meer informatie: www.rsh-p.com.

Han de Kluijver is architect bna bni bnsp.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

In memoriam: Bernard Dewulf (1960-2021)

De Belgische schrijver Bernard Dewulf is op 23 december 2021 onverwachts overleden. Hij werd 61 jaar oud. Dewulf was een schrijver van een groot oeuvre, met onder meer fijnzinnige gedichten en bewerkingen voor toneel. Daarnaast hadden de kunsten zijn grote belangstelling en realiseerde hij talrijke essaybundels hierover.

Als kunstjournalist schreef Bernard Dewulf veel columns voor de Belgische dagbladen De Morgen en De Standaard. Door zijn schrijfwijze en de benadering van zijn onderwerpen, was hij een geliefd schrijver. Dewulf had veel aandacht voor het dagelijkse leven van mensen. Hij schreef graag over de kleine gebeurtenissen in het gezin.

In 1995 debuteerde Bernard Dewulf met de dichtbundel 'Waar de egel gaat'. Deze bundel werd bekroond met de Vlaamse Debuutprijs. In de loop der jaren publiceerde hij verschillende essaybundels over beeldende kunst, zoals 'Bijlichtingen', 'Naderingen' en Toewijdingen'. De bundel 'Bijlichtingen' droeg als ondertitel, 'Kijken naar schilders'.

 
Bernard Dewulf. Foto: Merlijn Doomernik

Hierin probeerde hij de betovering van een schilderij onder woorden te brengen, het schilderwerk 'bij te lichten'. In deze bundel schonk Bernard Dewulf grote aandacht aan het werk van Pierre Bonnard, Edgar Degas, Rik Wouters, Marlene Dumas en Raoul De Keyser. In zijn latere essaybundel 'Naderingen' was het thema 'Kijken en zoeken naar schilders'. Ook kreeg de plastische kunst zijn interesse.

Bernard Dewulf raakte intensief betrokken bij het jaarlijkse Kunstenfestival Watou (B). Zijn essay 'Van koffie tot genade' werd voor dit festival een uitgangspunt: 'Een verlangen naar troost'. Tijdens dit festival ontstond mede door de inbreng van Bernhard Dewulf een synthese tussen jonge kunstenaars en gearriveerd talent. Op het Kunstenfestival Watou was ruimte voor gedichten, schilderijen en tekeningen, performances en installaties. Tussen 2012 en 2014 was Bernard Dewulf stadsdichter van de stad Antwerpen. In 2017 werd hij 'writer in residence' bij het Koninklijke Museum voor Schone Kunsten in dezelfde stad.

Bernard Dewulf werd gefascineerd door 'het herfstlicht':
'Dat heeft iets heiigs, alsof iemand in een laatste woede de wereld aan het vegen is en het opzwevende stof nu doelloos laat ronddwarrelen. Elk jaar opnieuw vindt groot nieuws plaats, maar dat haalt nooit de krant. Maar wat voor je ogen gebeurde, daaruit bestaat het leven evengoed'. (Uit: Late dagen, 2016)
Hiervan wilde Dewulf de chroniqeur zijn.

In zijn laatste essaybundel 'Tuimelingen' (2021) staat zijn nieuwste beschouwende werk. Het bevat essays en beschouwingen over leven, kunst en zinnelijkheid, waarin hij schreef over eenzaamheid, verlangen, troost, verbeelding, over stilte in de kunst, het naakt en de mannelijke blik, over de vrouw en het licht in de schilderijen. Dewulf hield van het werk van kunstenaars als Pierre Bonnard, Hugo Claus en Edward Hopper. Tegelijk neemt hij ons in een fraaie serie kortere beschouwingen mee door onze tijd aan de hand van beelden uit ons dagelijkse bestaan. Niet voor niets noemde hij zijn 'Tuimelingen' een kroniek van het kijken. Het is wat deze schrijver steeds weer doet: even lucide als zinnelijk kijken en schrijven. En ons mee laten kijken. De schrijver en journalist Eric Rinckhout denkt bij Bernard Dewulf aan 'stijl en toon, melancholie en zinnelijkheid'. 'Zinnelijk is een woord dat hij in de mond en in de pen nam'.

Als columnist verwierf Bernard Dewulf een heel groot en trouw publiek. Als schrijver had het 'onopvallende' zijn grote aandacht. Hoewel hij een getogen Brusselaar was, woonde Bernard Dewulf met zijn gezin in Antwerpen. Hij laat een vrouw, een dochter en een zoon achter.

Wim Adema

Wim Adema is beeldend kunstenaar en fotograaf en publiceert regelmatig artikelen over beeldende kunst in diverse media.

Terug naar boven | Print dit artikel!

 

Kunstflitsen

Een rubriek met tips over mooie tentoonstellingen en evenementen die een bezoek waard zijn, of mooie boeken.

De nieuwe Dreefexpositie Collages-Assemblages is sinds 26 januari 2022 te zien in Paviljoen Welgelegen in Haarlem. Na de opkomst van het kubisme met kunstenaars als Picasso en Braque, ontstond enkele jaren later de collagetechniek en de daar uit voorkomende assemblagetechniek, waarbij voorwerpen uit de realiteit een plaats kregen in een kunstwerk. Curator Rob de Vries ging op zoek naar de sporen van collages en assemblages in het werk van: ARMAN, Armando, Carel Blotkamp, Guillaume Bijl, Eugène Brands, Sjoerd Buisman, Luciano Fabro, Risk Hazekamp, Henk Peeters, Tammo Schuringa, Piet Tuytel, Carel Visser, Kees Visser, Luuk Wilmering en Frans Zwartjes. De expositie is vanaf 26 januari t/m 1 april 2022 te bezichtigen in het provinciehuis (Paviljoen Welgelegen), Dreef 3, Haarlem. Toegang gratis. Meer informatie: www.noord-holland.nl/Paviljoen_Welgelegen.

In Kunsthal Rotterdam is dit voorjaar de tentoonstellling Job, Joris & Marieke. A Triple Life te zien, over Nederlands bekendste talenten op het gebied van animatie. De creatieve studio Job, Joris & Marieke, opgericht in 2007, heeft al vele prijzen gewonnen, waaronder een International Emmy Award voor Kop Op en een Oscarnominatie voor A Single Life. Hun werk kan worden omschreven als poëtisch, schattig, grappig en soms verontrustend. Met hun korte animatiefilms, opdrachtwerk en videoclips – waaronder Gers Pardoel’s Ik neem je mee, een van de populairste Nederlandse YouTube muziekvideo’s ooit, heeft de studio zich internationaal op de kaart weten te zetten. Job, Joris & Marieke. A Triple Life is nog te zien t/m 8 mei 2022, info 010-4400301, www.kunsthal.nl, openingstijden: dinsdag t/m zondag 10.00 - 17.00 uur.

Het Tropenmuseum opent 9 juni 2022 zijn nieuwe, vaste expositie Onze koloniale erfenis. Deze bevat zo’n 500 voorwerpen en kunstobjecten uit de uitgebreide collecties van het Nationaal Museum van Wereldculturen, waar het Tropenmuseum onderdeel van is, aangevuld met nieuwe, hedendaagse kunst. Centraal staan het Nederlandse koloniale verleden in Suriname en het Caraïbisch gebied en Indonesië. Aan de hand van tien thema’s zoals expansie en handel, consumptie en productie, arbeid en uitbuiting, racisme en verzet, taal en religie gaat de expositie in op de koloniale werking en structuren. Daarbij ligt de focus op hoop, verzet, veerkracht en creativiteit. Met Onze koloniale erfenis wil het Tropenmuseum bijdragen aan bewustwording van de structuren en verhoudingen in de maatschappij die met kolonialisme zijn geïntroduceerd en die doorwerken tot op vandaag de dag als het gaat om beeldvorming, taalgebruik, ongelijkheid, racisme, uitsluiting en uitbuiting. Meer informatie: www.tropenmuseum.nl.

Art Rotterdam zal dit jaar plaatsvinden in het voorjaar van 19 t/m 22 mei in de Van Nellefabriek in Rotterdam. Deze datumverschuiving was nodig vanwege de coronamaatregelen. Wel is nu al het aanbod van de galeries te bezichtigen op GalleryViewer.com, het online platform van Art Rotterdam. De tentoonstelling Prospects, vast onderdeel van Art Rotterdam en georganiseerd door het Mondriaan Fonds, toont dit jaar maar liefst 89 jonge kunstenaars die een start maken in de kunstwereld. De Rotterdam Art Week, het jaarlijkse Rotterdamse festival voor kunst-, design- en architectuurliefhebbers, zal eveneens in het voorjaar tijdens Art Rotterdam plaatsvinden, met diverse beurzen, speciale openingen, tentoonstellingen in musea en kunstinstellingen, pop-up exposities en Open Ateliers. Meer informatie: www.artrotterdam.com, GalleryViewer.com, Rotterdamartweek.info.

Terug naar boven

Inhoud