Het
atelier als nalatenschap
Momenteel voltrekt zich vrijwel ongemerkt een ingrijpende verandering
binnen de kunstwereld. Een hele generatie kunstenaars die haar
loopbaan begon in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de
vorige eeuw, bereikt een leeftijd waarop werken, exposeren en
beheren steeds moeilijker wordt. Duizenden ateliers staan vol
met schilderijen, sculpturen, tekeningen, maquettes, foto's
en archieven. Werk dat vaak een leven lang met toewijding is
opgebouwd.
Door
Han de Kluijver
De vraag wat daarmee moet gebeuren, wordt zelden gesteld. Toch
is die onvermijdelijk. Wat gebeurt er met een kunstenaarspraktijk,
wanneer de kunstenaar zelf niet langer de drijvende kracht achter
het werk kan zijn? Wat blijft er over wanneer het atelier stilvalt?
Ook ik werd onlangs met die vraag geconfronteerd. Jarenlang
werkte ik in een atelier in een oude kerk. Die ruimte vormde
niet alleen een werkplek, maar ook een plek van concentratie,
experiment en ontmoeting. Nu moet ik het atelier verlaten, omdat
er woningen in de kerk zullen worden gebouwd. Ineens diende
zich een keuze aan: zoek ik een nieuw atelier of bouw ik mijn
activiteiten geleidelijk af omdat mijn energie niet meer dezelfde
is als vroeger? Het architectenbureau dat ik ooit oprichtte
is inmiddels verkocht en in goede handen. Daardoor ontstond
ruimte voor een bredere reflectie. Niet alleen over mijn eigen
werk, maar ook over de toekomst van de vele kunstenaars die
dezelfde levensfase bereiken.
Nalatenschappen
Wat zich momenteel voltrekt, is immers geen individueel probleem
maar een generatiewisseling. Duizenden kunstenaars die gedurende
tientallen jaren een beroepspraktijk voerden, worden geconfronteerd
met vragen waarop nauwelijks antwoorden bestaan. De kunstwereld
richt zich van nature op het nieuwe: nieuwe kunstenaars, nieuwe
tentoonstellingen, nieuwe ontwikkelingen. Veel minder aandacht
gaat uit naar de fase waarin een kunstenaarspraktijk wordt afgerond
en een oeuvre een toekomst moet vinden. Natuurlijk hopen veel
kunstenaars dat hun werk uiteindelijk een plaats krijgt in museale
collecties. Dat lijkt de meest vanzelfsprekende vorm van erkenning.
De werkelijkheid is echter weerbarstiger. Musea kampen met beperkte
depotruimte, stijgende beheerskosten en een voortdurende toestroom
van nieuwe kunst. Zelfs van gerenommeerde kunstenaars wordt
vaak slechts een klein deel van het oeuvre opgenomen. Voor de
grote groep kunstenaars die jarenlang professioneel heeft gewerkt
zonder een vaste plaats in het museumcircuit te verwerven, zijn
de kansen nog beperkter.
Sommigen proberen daarom tijdens hun leven orde te scheppen
in hun nalatenschap. Zij inventariseren hun werk, digitaliseren
archieven, beschrijven projecten of schenken stukken aan familie,
instellingen of verzamelaars. Anderen richten een stichting
op of zoeken samenwerking met archieven en documentatiecentra.
Dat vraagt echter tijd, geld en organisatorisch vermogen —
precies de eigenschappen die op hogere leeftijd vaak onder druk
komen te staan. Bovendien zijn veel kunstenaars hun leven lang
vooral makers geweest. Hun aandacht ging uit naar het werk zelf,
niet naar het beheer ervan. Daardoor dreigt een groot deel van
de kunst uiteindelijk stilletjes uit beeld te verdwijnen. Soms
via veilingen, soms door versnippering onder erfgenamen, soms
eenvoudigweg in een container na overlijden of verhuizing. Nabestaanden
weten vaak niet wat artistiek, historisch of financieel van
betekenis is. Zeker bij nalatenschappen van kunstenaars die
nooit commercieel succesvol werden maar wel een leven lang hebben
gewerkt, ontstaat een pijnlijk dilemma. Bewaren kost ruimte
en geld, weggooien voelt als het vernietigen van een leven.
Meer dan opslag
Een atelier vol werk is immers meer dan opslag. Het is een tastbare
biografie. Iedere tekening, sculptuur, schets of proefopstelling
draagt sporen van aandacht, twijfel, experiment en verlangen.
In het atelier wordt zichtbaar hoe ideeën ontstaan, veranderen
en soms mislukken. Juist daarom is het afscheid ervan vaak zo
beladen. Het gaat niet alleen om objecten, maar om herinneringen,
ervaringen en een leven dat zich in materiële vorm heeft
vastgezet. Achter dit persoonlijke probleem schuilt bovendien
een grotere culturele vraag. Hoe gaan wij als samenleving om
met het erfgoed van kunstenaars die niet tot de kleine groep
internationale beroemdheden behoren? Voor bekende namen bestaan
archieven, fondsen, nalatenschapsstichtingen en museale programma's.
Voor de brede middengroep van professionele kunstenaars zijn
dergelijke voorzieningen veel schaarser. Juist daar dreigt veel
cultureel geheugen verloren te gaan. De meest voorkomende afloop
is tegelijk de minst zichtbare: het werk verdwijnt geruisloos.
Na overlijden of verhuizing moeten ateliers vaak snel worden
leeggehaald. Huurcontracten lopen af, familieleden beschikken
niet over voldoende ruimte en professionele opslag is kostbaar.
Het zijn verhalen die overal in de kunstwereld circuleren: ateliers
die in enkele dagen worden ontruimd en oeuvres die na decennia
van arbeid in de container verdwijnen.
Soms
verdwijnen niet alleen de kunstwerken, maar ook de archieven.
Correspondentie, schetsboeken, foto's, tentoonstellingsdocumentatie
en teksten raken verspreid of gaan verloren. Daardoor verdwijnt
niet alleen het werk, maar ook de context waarin het ontstond.
En zonder context vervaagt uiteindelijk de betekenis. Een andere,
minder zichtbare vorm van verdwijnen is de eindeloze opslag.
Werk wordt ondergebracht in garages, loodsen of depots en niemand
kijkt er nog naar om. Het oeuvre bestaat nog, maar heeft zijn
verbinding met de wereld verloren. Het is niet vernietigd, maar
wordt ook niet levend gehouden. Toch hoeft verdwijnen niet de
enige uitkomst te zijn. Steeds meer kunstenaars beginnen tijdens
hun leven met het ordenen van hun oeuvre. Door bewust te selecteren
ontstaat overzicht. Niet alles hoeft immers behouden te blijven.
Juist het maken van keuzes kan bijdragen aan een duurzame en
betekenisvolle nalatenschap.
Nieuwe modellen van beheer
Daarnaast ontstaan nieuwe vormen van behoud. Zo vonden werken
van kunstenaars als Wim Geeven, Eddy Gheress en Gerard Höweler
een plaats in de 'Beeldentuin achter de Westduinen' in Ouddorp.
Zulke initiatieven bieden niet alleen onderdak aan kunstwerken,
maar blijven ze ook zichtbaar en toegankelijk voor publiek.
Het werk blijft onderdeel van een levende omgeving, waardoor
nieuwe generaties ermee in aanraking kunnen komen. Interessant
is ook het voorbeeld van de International Glass Biennale in
Sofia. Tijdens de verschillende edities van deze manifestatie
werden de deelnemende kunstenaars gevraagd een werk te schenken
voor de eigen collectie. Inmiddels omvat deze verzameling werk
van kunstenaars uit tientallen landen. Daarmee ontstaat niet
alleen een bijzonder internationaal archief, maar ook een gedeelde
verantwoordelijkheid voor behoud, beheer en toegankelijkheid.
Misschien liggen hier aanknopingspunten voor nieuwe modellen
van beheer. Musea, maar ook kunstenaarsverenigingen, regionale
instellingen, particuliere initiatieven en digitale archieven
zouden een rol kunnen spelen. Niet noodzakelijkerwijs door alles
te bewaren, maar door documentatie, kennis en representatieve
werken toegankelijk te houden voor toekomstige generaties.
Culturele geschiedenis
Dit alles onthult een ongemakkelijke waarheid over de hedendaagse
kunstwereld. Er is veel aandacht voor productie en presentatie,
maar relatief weinig voor behoud. Dat is opmerkelijk, want juist
de grote groep kunstenaars die nooit beroemd werd, vormt het
weefsel van ons culturele landschap. Zij maakten tentoonstellingen,
inspireerden studenten, verrijkten regionale kunstscènes
en ontwikkelden ideeën die niet altijd marktwaarde hadden,
maar wel culturele betekenis. Wanneer hun werk verdwijnt, verdwijnt
ook een deel van onze culturele geschiedenis. Uiteindelijk gaat
deze kwestie niet alleen over opslagruimte, depotbeheer of conserveringskosten.
De diepere vraag is wat een kunstenaarsleven nalaat. Een atelier
vol werk is geen verzameling objecten. Het is geconcentreerde
tijd. Het bevat jaren van zoeken, twijfelen, experimenteren
en opnieuw beginnen. Iedere sculptuur, tekening of schets draagt
sporen van een leven dat vorm probeerde te geven aan de wereld.
Daarom zou het ons ongemakkelijk moeten maken dat zoveel oeuvres
geruisloos verdwijnen. Niet ieder werk hoeft behouden te blijven.
Selecteren, loslaten en vergeten horen eveneens bij de geschiedenis
van kunst. Maar wanneer complete kunstenaarslevens verdwijnen
zonder documentatie, zonder context en zonder discussie, verliezen
we meer dan objecten alleen. We verliezen een deel van ons culturele
geheugen.
Zelf vond ik uiteindelijk een nieuw atelier. Daarmee verdween
de directe noodzaak om afscheid te nemen van mijn werk. De vraag
blijft echter bestaan. Wat gebeurt er met de inhoud van de duizenden
ateliers van kunstenaars die nu dezelfde levensfase bereiken?
Misschien moeten we daar niet pas over nadenken wanneer een
atelier moet worden ontruimd. De toekomst van kunstenaarsnalatenschappen
hoort onderdeel te zijn van het gesprek over kunst zelf. Niet
alleen uit zorg voor het werk, maar uit respect voor de generaties
kunstenaars die ons culturele landschap hebben gevormd. Want
wat vandaag uit een atelier verdwijnt, kan morgen ontbreken
in het verhaal dat wij over onze cultuur vertellen.
Han de Kluijver
is architect bna bni bnsp.