Actueel
Vlinders,
fruit en parfumflesjes
Textiles
by Andy Warhol
'Met
deze presentatie laten we een kant van Warhol zien die in Nederland
nauwelijks bekend is. Zijn vroege textielontwerpen zijn niet alleen
fris en humoristisch, maar tonen ook hoe veelzijdig hij was als
maker (…)', aldus Suzanne Wallinga, directeur Museum Cobra
Amstelveen over de tentoonstelling Andy Warhol, The textiles.
Door
Joke M. Nieuwenhuis Schrama
| Nog
voordat hij wereldwijde faam verwierf als pionier van de
Pop Art, ontwierp Warhol speelse en experimentele stoffen
voor mode en interieur, met herhalende humoristische dessins
en krachtige lijnen. De (reizende) tentoonstelling is georganiseerd
in samenwerking met het Fashion and Textile Museum in Londen
en is eerder in een aangepaste vorm gepresenteerd in het
Palazzo Ferrero, in Biella (textielstad), Italië.
Gesteld
kan worden dat Andy Warhol tot de invloedrijkste kunstenaars
van de twintigste eeuw behoort. Minder bekend is dat hij
al voor zijn doorbraak als beeldend kunstenaar een succesvolle
loopbaan had in de commercie. In de jaren vijftig en zestig
werkte hij als illustrator en grafische ontwerper in New
York, voor tijdschriften, winkels en reclamecampagnes, maar
ook ontwierp hij textiel. Het is een vrijwel onbekend en
ongedocumenteerd gedeelte uit zijn artistiek oeuvre.
New
York, New York ...
Voor het campagnebeeld van de tentoonstelling is de grote
gele appel van Warhol gekozen, 'The Big Apple', niet geheel
toevallig ... In het New York van de vijftiger jaren waren
kunst, mode, design en commercie nauw met elkaar verweven.
Het café/boutique Serendipity 3 was in die tijd een
hotspot voor kunstenaars, ontwerpers en andere creatievelingen,
mede opgericht door Stephen Bruce.
|
|
| |
Andy
Warhol, 'The Textiles', installatiefoto, Museum Cobra. Foto:
LNDWstudio. |
Andy Warhol (Andrew Warhola, 1928-1987) was er vaak te zien, het
was voor hem een soort stamcafé waar hij zijn werk officieus
toonde. Bruce verkocht er Warhols afgekeurde reclamewerk als ingelijste
kunst en organiseerde informele presentaties van zijn prints. Het
café is als het ware de voorloper geweest van het meer spraakmakende
'The Factory' (1964-1987), de naam van Warhols Studio die op enkele
plaatsen in NYC gevestigd is geweest en waar hij verder furore maakte
als vindingrijk en artistiek mens. Het Andy Warhol Museum (sinds
1994) in Pittsburgh, Pennsylvania, de stad waar Warhol werd geboren,
heeft naar verluidt de sfeer en dynamiek van The Factory nagebootst.
De getoonde ontwerpen, meer dan zestig, zijn uit de vijftiger en
zestiger jaren van de vorige eeuw, de periode waarin Warhol werkte
in opdracht van verschillende textielfabrikanten. Het is als het
ware de oorsprong van zijn latere stijl: herhaling van motieven,
uitgesproken contourlijnen en een direct toegankelijk beeld.
Textiel
met ijsco's, knopen en schoenen
De ontwerpen van Warhols hand zijn in productie zijn genomen door
verschillende textielfabrikanten, zoals Stehli Silks, Fuller Fabrics
Inc. en M. Lowenstein and Sons. De ontwerpen sloten aan bij de Amerikaanse
'Novelty Prints'. Veel van Warhols ontwerpen werden destijds anoniem
geproduceerd en raakten daardoor uit beeld. Daarom vormen ze nu
een verrassende kennismaking met een vroeger gedeelte uit Warhols
nalatenschap. Het zijn speelse voorstellingen uit het dagelijkse
leven zoals vlinders, fruit, schoenen, knopen of parfumflesjes.
In de USA waren deze prints populair, met name voor zomerkleding.
Ze boden Warhol een vorm die goed bij hem paste. In plaats van klassieke
bloemen of abstracte patronen, koos hij voor gewone gebruiksvoorwerpen
en alledaagse motieven. Daarmee veroverde hij een plaats in de commerciële
modewereld van zijn tijd. In de grote variatie van textielontwerpen
is te zien hoe breed Warhol dit repertoire uitwerkte, van insecten,
citroenen en appels tot borstels, sokken en ijsco's.
|

|
Pretzels
en vlaggen
Al lopend door het parcours viel mijn oog op een tekening
of prent uit het Metropolitan Museum of Art in New York.
Een afbeelding van een zomerjurkje met een door Warhol ontworpen
dessin uit 1964. Het rechte jurkje zelf, de 'Silk Pretzel
Dress', is een ontwerp van Stephen Bruce en Leila Larmon.
Toen opeens dacht ik aan de handwerkdocente op de middelbare
school die ons opdracht gaf een eenvoudige jurkje te maken
van een zelf uitgekozen stof. Een zomerjaponnetje volgens
de klassieke docente, die zelf altijd met zwierende rokken
door de schoolgangen schreed. Het was geen moeilijke opdracht,
een rechttoe rechtaan patroon was voorhanden, model 'shift'
zonder mouwen met een ceintuurtje. Ik kocht in de plaatselijke
stoffenwinkel een katoenen zomerstof in de opgegeven maten.
Een stof in helderrood fond, met een dessin van vierkantjes
en daarin herhaling van gestileerde bootjes, reddingsboeien
en matrozenpetten. Mijn klasgenoten keken misprijzend, dat
was toch veel te kinderachtig, zij hadden gekozen voor degelijke
uni kleuren, strepen of stippen. Onze docente meende dat
het bij mij paste. Ik had toen uiteraard nog nooit van Warhol
gehoord, anders had ik het beslist een DIY (Do It Yourself
) Warhol genoemd. Verder kan ik me niet herinneren dat ik
het jurkje heb gedragen, het kwam nogal vormeloos uit de
verf, zeker op een puberaal lijf, maar het dessin staat
me helder voor de geest. |
Andy
Warhol, 'The Textiles', installatiefoto, Museum Cobra. Foto
LNDWstudio. |
|
Deze
tentoonstelling wordt gepresenteerd in dialoog met de expositie
'Wilde rokken, Cobra-kunst als textiel', beide op de grote bovenverdieping
van Museum Cobra.
Andy
Warhol, The textiles, t/m 6 september 2026, Museum Cobra,
Sandbergplein 1, Amstelveen. Verdere informatie: www.museumcobra.nl.
Terug
naar boven
| Print dit artikel!
Het
atelier als nalatenschap
Momenteel voltrekt zich vrijwel ongemerkt een ingrijpende verandering
binnen de kunstwereld. Een hele generatie kunstenaars die haar loopbaan
begon in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw,
bereikt een leeftijd waarop werken, exposeren en beheren steeds
moeilijker wordt. Duizenden ateliers staan vol met schilderijen,
sculpturen, tekeningen, maquettes, foto's en archieven. Werk dat
vaak een leven lang met toewijding is opgebouwd.
Door
Han de Kluijver
| De
vraag wat daarmee moet gebeuren, wordt zelden gesteld. Toch
is die onvermijdelijk. Wat gebeurt er met een kunstenaarspraktijk,
wanneer de kunstenaar zelf niet langer de drijvende kracht
achter het werk kan zijn? Wat blijft er over wanneer het
atelier stilvalt? Ook ik werd onlangs met die vraag geconfronteerd.
Jarenlang werkte ik in een atelier in een oude kerk. Die
ruimte vormde niet alleen een werkplek, maar ook een plek
van concentratie, experiment en ontmoeting. Nu moet ik het
atelier verlaten, omdat er woningen in de kerk zullen worden
gebouwd. Ineens diende zich een keuze aan: zoek ik een nieuw
atelier of bouw ik mijn activiteiten geleidelijk af omdat
mijn energie niet meer dezelfde is als vroeger? |
|
| |
Jarenlang
werkte ik in een atelier in een oude kerk. Die ruimte vormde
niet alleen een werkplek, maar ook een plek van concentratie,
experiment en ontmoeting. Foto: Han de Kluijver. |
Het
architectenbureau dat ik ooit oprichtte is inmiddels verkocht en
in goede handen. Daardoor ontstond ruimte voor een bredere reflectie.
Niet alleen over mijn eigen werk, maar ook over de toekomst van
de vele kunstenaars die dezelfde levensfase bereiken.
Nalatenschappen
Wat zich momenteel voltrekt, is immers geen individueel probleem
maar een generatiewisseling. Duizenden kunstenaars die gedurende
tientallen jaren een beroepspraktijk voerden, worden geconfronteerd
met vragen waarop nauwelijks antwoorden bestaan. De kunstwereld
richt zich van nature op het nieuwe: nieuwe kunstenaars, nieuwe
tentoonstellingen, nieuwe ontwikkelingen. Veel minder aandacht gaat
uit naar de fase waarin een kunstenaarspraktijk wordt afgerond en
een oeuvre een toekomst moet vinden. Natuurlijk hopen veel kunstenaars
dat hun werk uiteindelijk een plaats krijgt in museale collecties.
Dat lijkt de meest vanzelfsprekende vorm van erkenning. De werkelijkheid
is echter weerbarstiger. Musea kampen met beperkte depotruimte,
stijgende beheerskosten en een voortdurende toestroom van nieuwe
kunst. Zelfs van gerenommeerde kunstenaars wordt vaak slechts een
klein deel van het oeuvre opgenomen. Voor de grote groep kunstenaars
die jarenlang professioneel heeft gewerkt zonder een vaste plaats
in het museumcircuit te verwerven, zijn de kansen nog beperkter.
| 
|
Sommigen
proberen daarom tijdens hun leven orde te scheppen in hun
nalatenschap. Zij inventariseren hun werk, digitaliseren
archieven, beschrijven projecten of schenken stukken aan
familie, instellingen of verzamelaars. Anderen richten een
stichting op of zoeken samenwerking met archieven en documentatiecentra.
Dat vraagt echter tijd, geld en organisatorisch vermogen
— precies de eigenschappen die op hogere leeftijd
vaak onder druk komen te staan. |
De
kerk wordt verbouwd voor woningen. Afbeelding: HDK architecten
bna, bni, bnsp. |
|
Bovendien
zijn veel kunstenaars hun leven lang vooral makers geweest. Hun
aandacht ging uit naar het werk zelf, niet naar het beheer ervan.
Daardoor dreigt een groot deel van de kunst uiteindelijk stilletjes
uit beeld te verdwijnen. Soms via veilingen, soms door versnippering
onder erfgenamen, soms eenvoudigweg in een container na overlijden
of verhuizing. Nabestaanden weten vaak niet wat artistiek, historisch
of financieel van betekenis is. Zeker bij nalatenschappen van kunstenaars
die nooit commercieel succesvol werden maar wel een leven lang hebben
gewerkt, ontstaat een pijnlijk dilemma. Bewaren kost ruimte en geld,
weggooien voelt als het vernietigen van een leven.
Meer dan opslag
Een atelier vol werk is immers meer dan opslag. Het is een tastbare
biografie. Iedere tekening, sculptuur, schets of proefopstelling
draagt sporen van aandacht, twijfel, experiment en verlangen. In
het atelier wordt zichtbaar hoe ideeën ontstaan, veranderen
en soms mislukken. Juist daarom is het afscheid ervan vaak zo beladen.
Het gaat niet alleen om objecten, maar om herinneringen, ervaringen
en een leven dat zich in materiële vorm heeft vastgezet. Achter
dit persoonlijke probleem schuilt bovendien een grotere culturele
vraag. Hoe gaan wij als samenleving om met het erfgoed van kunstenaars
die niet tot de kleine groep internationale beroemdheden behoren?
Voor bekende namen bestaan archieven, fondsen, nalatenschapsstichtingen
en museale programma's. Voor de brede middengroep van professionele
kunstenaars zijn dergelijke voorzieningen veel schaarser. Juist
daar dreigt veel cultureel geheugen verloren te gaan. De meest voorkomende
afloop is tegelijk de minst zichtbare: het werk verdwijnt geruisloos.
Na overlijden of verhuizing moeten ateliers vaak snel worden leeggehaald.
Huurcontracten lopen af, familieleden beschikken niet over voldoende
ruimte en professionele opslag is kostbaar.
|
Het zijn verhalen die overal in de kunstwereld circuleren:
ateliers die in enkele dagen worden ontruimd en oeuvres
die na decennia van arbeid in de container verdwijnen.
Soms
verdwijnen niet alleen de kunstwerken, maar ook de archieven.
Correspondentie, schetsboeken, foto's, tentoonstellingsdocumentatie
en teksten raken verspreid of gaan verloren. Daardoor verdwijnt
niet alleen het werk, maar ook de context waarin het ontstond.
En zonder context vervaagt uiteindelijk de betekenis. Een
andere, minder zichtbare vorm van verdwijnen is de eindeloze
opslag. Werk wordt ondergebracht in garages, loodsen of
depots en niemand kijkt er nog naar om. Het oeuvre bestaat
nog, maar heeft zijn verbinding met de wereld verloren.
Het is niet vernietigd, maar wordt ook niet levend gehouden.
Toch
hoeft verdwijnen niet de enige uitkomst te zijn. Steeds
meer kunstenaars beginnen tijdens hun leven met het ordenen
van hun oeuvre. Door bewust te selecteren ontstaat overzicht.
Niet alles hoeft immers behouden te blijven. Juist het maken
van keuzes kan bijdragen aan een duurzame en betekenisvolle
nalatenschap. |
|
| |
Er
ontstaan nieuwe vormen van behoud. Zo vond het werk van
Wim Geeven een plaats in de 'Beeldentuin achter de Westduinen'.
Foto: Han de Kluijver. |
Nieuwe
modellen van beheer
Daarnaast ontstaan nieuwe vormen van behoud. Zo vonden werken van
kunstenaars als Wim Geeven, Eddy Gheress en Gerard Höweler
een plaats in de 'Beeldentuin achter de Westduinen' in Ouddorp.
Zulke initiatieven bieden niet alleen onderdak aan kunstwerken,
maar blijven ze ook zichtbaar en toegankelijk voor publiek. Het
werk blijft onderdeel van een levende omgeving, waardoor nieuwe
generaties ermee in aanraking kunnen komen. Interessant is ook het
voorbeeld van de International Glass Biennale in Sofia. Tijdens
de verschillende edities van deze manifestatie werden de deelnemende
kunstenaars gevraagd een werk te schenken voor de eigen collectie.
Inmiddels omvat deze verzameling werk van kunstenaars uit tientallen
landen. Daarmee ontstaat niet alleen een bijzonder internationaal
archief, maar ook een gedeelde verantwoordelijkheid voor behoud,
beheer en toegankelijkheid. Misschien liggen hier aanknopingspunten
voor nieuwe modellen van beheer. Musea, maar ook kunstenaarsverenigingen,
regionale instellingen, particuliere initiatieven en digitale archieven
zouden een rol kunnen spelen. Niet noodzakelijkerwijs door alles
te bewaren, maar door documentatie, kennis en representatieve werken
toegankelijk te houden voor toekomstige generaties.
Culturele geschiedenis
Dit alles onthult een ongemakkelijke waarheid over de hedendaagse
kunstwereld. Er is veel aandacht voor productie en presentatie,
maar relatief weinig voor behoud. Dat is opmerkelijk, want juist
de grote groep kunstenaars die nooit beroemd werd, vormt het weefsel
van ons culturele landschap. Zij maakten tentoonstellingen, inspireerden
studenten, verrijkten regionale kunstscènes en ontwikkelden
ideeën die niet altijd marktwaarde hadden, maar wel culturele
betekenis. Wanneer hun werk verdwijnt, verdwijnt ook een deel van
onze culturele geschiedenis. Uiteindelijk gaat deze kwestie niet
alleen over opslagruimte, depotbeheer of conserveringskosten.
|
|
De
diepere vraag is wat een kunstenaarsleven nalaat. Een atelier
vol werk is geen verzameling objecten. Het is geconcentreerde
tijd. Het bevat jaren van zoeken, twijfelen, experimenteren
en opnieuw beginnen. Iedere sculptuur, tekening of schets
draagt sporen van een leven dat vorm probeerde te geven
aan de wereld. Daarom zou het ons ongemakkelijk moeten maken
dat zoveel oeuvres geruisloos verdwijnen. Niet ieder werk
hoeft behouden te blijven. Selecteren, loslaten en vergeten
horen eveneens bij de geschiedenis van kunst. Maar wanneer
complete kunstenaarslevens verdwijnen zonder documentatie,
zonder context en zonder discussie, verliezen we meer dan
objecten alleen. We verliezen een deel van ons culturele
geheugen. |
Werk
van Gerard Höweler in de 'Beeldentuin achter de Westduinen',
het werk blijft onderdeel van een levende omgeving waarin
nieuwe generaties ermee in aanraking kunnen komen. Foto:
Han de Kluijver. |
|
Zelf
vond ik uiteindelijk een nieuw atelier. Daarmee verdween de directe
noodzaak om afscheid te nemen van mijn werk. De vraag blijft echter
bestaan. Wat gebeurt er met de inhoud van de duizenden ateliers
van kunstenaars die nu dezelfde levensfase bereiken? Misschien moeten
we daar niet pas over nadenken wanneer een atelier moet worden ontruimd.
De toekomst van kunstenaarsnalatenschappen hoort onderdeel te zijn
van het gesprek over kunst zelf. Niet alleen uit zorg voor het werk,
maar uit respect voor de generaties kunstenaars die ons culturele
landschap hebben gevormd. Want wat vandaag uit een atelier verdwijnt,
kan morgen ontbreken in het verhaal dat wij over onze cultuur vertellen.
Han de Kluijver
is architect bna bni bnsp.
Terug
naar boven
| Print dit artikel!
Zachte klanken
Het
thema van de Biënnale van Venetië van 2026, 'In Minor
Keys' (In Mineur Tonen, oftewel: zachte klanken), is bedacht door
de beoogde artistiek leider Koyo Kouoh (1967-2025), die vorig jaar
plotseling overleed. Haar bedoeling was om somber, zachter, misschien
subtieler en verrassender werk te presenteren.
Door
Joke M. Nieuwenhuis Schrama
| '[Take
a deep breath]
[Exhale]
[Drop your shoulders]
[Close your eyes]'
Dat was een introductie van Kouoh bij het samenstellen van
de Biënnale van 2026. Kouoh's interesse was gelegen
in resonantie, verwantschap en het verbeelden van samenvloeiing,
waar kunstenaars mogelijk hebben samengewerkt zonder elkaar
direct te kennen. Na haar onverwachte dood heeft zich een
team gevormd dat haar voorbereidingen en gedachtegoed zoveel
mogelijk heeft nageleefd. |
|
| |
'Big Chief' Demond
Melancon,
'Amistad Takeover', 2026, glaskralen en strass-steentjes
op canvas met fluweel en veren, 318 × 358 ×
76.2 cm. Foto: Andrea Avezzù. Courtesy: La Biennale
di Venezia. |
Er
zijn 111 deelnemers, waaronder individuele kunstenaars, samenwerkingsverbanden,
collectieven en kunstenaarsorganisaties, afkomstig uit diverse landen
wereldwijd.
Bunker
Met het thema van Kouoh in mijn hoofd, maar uiteraard ook nieuwsgierig,
bezocht ik de twee hoofdlocaties Giardini en Arsenale, plus enkele
nevenexposities door de de stad heen. Giardini bezocht ik het eerst,
het Rietveld paviljoen in het park kon ik uiteraard niet links laten
liggen. De Nederlandse inzending 'The Fortress' heeft hier en daar
al wat recensies opgeleverd, niet echt positief ...maar vooruit,
eerst zelf zien en beleven. De contreforts, of stutten, tegen het
Rietveldpaviljoen horen bij de installatie van kunstenaar Dries
Verhoeven (1976) en curator Rieke Vos (1981), waardoor deze oogt
als een bunker of een onneembare vesting. Maar het paviljoen was
die dinsdag daadwerkelijk gesloten. 'Sorry, closed today', zo meldde
mij de sympathieke fortbewaakster (in weerwil van de organisatie,
voegde zij er subtiel aan toe). Zij reikte mij een hand-out aan,
zodat ik er toch wat van kon meenemen.
Van
optimisme naar pessimisme
Gerrit Rietveld (1888-1964) had iets anders voor ogen als architect
van het paviljoen dat in 1954 werd opgeleverd. Licht, lucht en ruimte
stonden centraal in zijn architectuur en dat zou optimisme uitstralen.
Maar tijdsbeelden veranderen nu eenmaal en de hand-out verhaalt
dat ook. De Nederlandse inzending is voor het eerst een performance.
Zes keer per dag wordt die in Verhoevens installatie uitgevoerd
door een afwisselend team van performers. Het blijkt een met treurnis,
grijsheid en pessimisme getinte voorstelling. De Giardini en Arsenale
locaties zijn altijd gesloten op maandagen, daar hou ik rekening
mee. Op enkele maandagen na, en die uitzonderingen zijn voor de
Nederlandse delegatie kennelijk een reden om dan maar de dinsdag
erna de bunker dicht te houden.
50K
De drie paviljoens links, voordat je de centrale hal van de Giardini
ingaat, bevatten respectievelijk de Spaanse, Belgische en Nederlandse
inzendingen. De installatie van Oriol Vilanova (1980), 'Los Restos'
(overblijfselen), is gekozen voor de inzending van Spanje. Die kon
ik ongeveer plaatsen in het gedachtegoed van Kouoh. Verwonderd keek
ik naar de talloze ansichtkaarten die de muren van de zes ruimtes
van het paviljoen volledig vulden. Alle kaarten waren bevestigd
met één nageltje, precies in het midden. Oude en nieuwe
kaarten van ongeveer hetzelfde formaat, op thema geselecteerd of,
indien toepasselijk, op kleur. Wel gaaf! Zo keek ik naar een serie
portretten van diverse pausen uit het heden en verleden, zeegezichten,
en landschappen met en zonder bergen, niet horizontaal maar verticaal
geplaatst. Verder waren de ruimtes leeg.
| 
|
Dat lijkt 'makkelijke' kunst van Vilanova, maar dit is zijn
artistieke praktijk, het op bijna obsessieve wijze verzamelen
van ansichtkaarten. Ze zijn voornamelijk afkomstig van rommelmarkten
en uit tweedehandswinkels, maar ook uit museumwinkels wereldwijd.
Er zijn er veel uit Brussel waar de kunstenaar woont en
werkt. Vilanova verzamelt al twintig jaar... Evengoed, verzin
het maar, deze hoeveelheid kaarten elk ongeveer 10,5 bij
14,75 cm, ieder geplaatst met dezelfde tussenruimte en met
precisie. Hoeveel het er zijn, gemeten aan de oppervlakte
van de muren? Afijn, daar ben ik niet aan begonnen en heb
het gewoon de kunstenaar zelf gevraagd, 50.000 totaal. |
Paviljoen
van Nederland, 'The Fortress'. Foto: Jacopo Salvi. Courtesy:
La Biennale di Venezia. |
|
Black
Indians
In de entree van de centrale hal wachtte mij een uitbundige en kleurrijke
ontvangst. Een creatie van 'Big Chief' Demond Melancon (1978). Deze
kunstenaar, ook wel de 'beadmaster' (kralenmeester) genoemd, voelt
zich verbonden met de inheemse bevolking van de Amerika's, de indianen...
Het kunstwerk trekt veel aandacht en kan aan alle kanten worden
bekeken. Demancon is vooral in New Orleans een bekend kunstenaar.
Zijn werk is zowel in de Giardini als het Arsenale te bekijken (www.youtube.com/Demancon).
Melancon is een goede vertegenwoordiger voor de Verenigde Staten
en wellicht beter dan de op de valreep officieel uitgezonden Alma
Allen (1970), met zijn werken op het thema 'Call me the Breeze'
voor het vaste Amerikaanse paviljoen in de Giardini. Kouoh heeft
deze Biënnale als eerste zwarte vrouw mogen cureren en heeft
veel Afro-Amerikaanse en Afrikaanse kunstenaars gevraagd, alsmede
Afrikaanse (kunst)scholen en organisaties. Het werk van de Zuid-Afrikaan
Johannes Phokela (1966) bijvoorbeeld, is ook in de centrale hal
te zien, waaronder zijn serie 'The Seven Virtues'. Deze is geheel
in (Delfts) Blauw geschilderd, daarmee subtiel verwijzend naar de
Nederlandse kolonisaties op verschillende continenten. Het werk
gaat niet echt over deugden, het is niet zozeer een moreel oordeel,
maar meer Phokela's interpretatie.
Van
co-existentie naar totalitair
Ofschoon ik maar een gedeelte heb bekeken, maakte 'Between a river
and a sea' indruk op mij; een videoinstallatie, geprojecteerd op
twee schermen, van de cineast Avi Mograbi (1956). De documentaire
vertelt ogenschijnlijk over een samenleving van de verschillende
volken in de Levant, zoals de Libanezen, Palestijnen en Syriërs
en de Joden, vanaf 1938 in de periode voor de Nakba (het Arabisch
Israëlisch conflict) in 1948. Een bedrijfsregister uit 1938
van Libanon, Syrië en Palestina roept vanuit het perspectief
van 2026 een utopisch beeld op: bedrijven van moslims, christenen
en joden staan zij aan zij vermeld, zonder hiërarchie of nationale
scheiding. Een tweede bedrijfsregister van Gaza uit 2023 laat het
tegenovergestelde zien, de huidige totalitaire realiteit, geen enkel
bedrijf dat erin vermeld is, bestaat nog. De twee datasets zijn
met elkaar verweven in een constellatie van videoschermen. Geprojecteerde
documentairebeelden tonen Ali al-Azhari en Avi Mograbi, een Palestijn
en een Jood, die proberen zich een gedeeld familiaal en nationaal
bestaan voor te stellen.
No
words
Eigenlijk als een vervolg erop, bekeek ik later de expositie 'Gaza
– No Words' in het European Cultural Center, in Palazzo Mora,
in het stadsdeel Canna Regio. De honderd oorspronkelijke fotobeelden
vallen misschien zachter op de geborduurde panelen met traditioneel
Palestijns Tatreez-garen, maar zijn daardoor niet minder hartverscheurend.
La
Merde
En soms vroeg ik me af, 'Waar sta ik in vredesnaam naar te kijken?'.
Tussen het enorme aanbod van kunst (uitingen) is het ondoenlijk
om alles in je op te nemen, te verteren. Gedachten, emoties of een
boodschap die de kunstenaar of performer in zijn of haar creatie
wil tonen, zijn niet altijd meteen duidelijk. Nieuwsgierigheid wint
het vaak en dan zoek ik naar die achterliggende intentie, waarbij
ik vervolgens weer denk, 'Heeft kunst eigenlijk begrenzingen?'.
En over verteren gesproken, wel bleef ik goeddeels kijken naar de
inzending van Luxemburg, een film met installatie geregisseerd en
bedacht door Aline Bouvy (1974). Bouvy heeft zich onder meer laten
inspireren door kunstenaars die zich met ontlasting hebben beziggehouden,
zoals Piero Manzoni (1933-1963) die negentig blikjes vulde met zijn
eigen uitwerpselen. Of Paul MacCarthy (1945) die een enorme opblaasdrol
creëerde. Ook Wim T. Schippers (1942-2026), was er niet vies
van met zijn 'Stationnement Génant', een vier meter hoge
drol van polyester in de tuin van het VPRO-gebouw op het Media Park
in Hilversum.
| Doorgaans
worden in kunstwerken wel mensen uitgebeeld die eten en
drinken, maar zelden hoe zij zich ontlasten. Misschien in
de vorm van een urinoir (Duchamp) of de gouden WC-pot van
Maurizio Cattelan. Ofschoon Rembrandt dat weer wel deed
in zijn etsen, pissende mannen en vrouwen, dat was destijds
rauw en confronterend. De protagonist in het filmpje 'La
Merde' is een drol, een bijzonder geslaagd theaterkostuum
– dat voorop gezegd – met daarin een actrice.
Dit kostuum is een essentieel onderdeel in het geheel, maar
of het past in het thema van Kouoh.. (www.labiennale.org/grand-duchy-luxembourg) |
|
| |
Avi
Mograbi, 'Between a river and a sea', 2026, vijfkanaals
video-installatie, geluid, 30 min. 22 sec. Foto: Luca Zambelli
Bais. Courtesy: La Biennale di Venezia.
|
Al
met al heb ik geen favoriet kunnen benoemen van deze 2026-editie.
Hier en daar zag ik wel het gedachtegoed van Kouoh terug.
'There is a reason, after all, that some people wish to colonize
the moon, and others dance before it as an ancient friend' (James
Baldwin, 1972 uit 'No name in the street')
In
Minor Keys, de 61ste Biënnale van Venetië, was te zien
van 9 mei t/m 27 november 2026. Website: www.labiennale.org.
Terug
naar boven |
Print dit artikel!
De
zon is God
De
essentie van schoonheid lag voor de Britse schilder Turner in het
licht, in al zijn facetten en variaties. Vooral in combinatie met
water. Water en licht vormden een onuitputtelijke bron van inspiratie
voor hem. Een terugblik op deze boeiende tentoonstelling.
Door
Peter van Dijk
| J.M.W.
Turner (1775-1851) zou in zijn eentje een grote maritieme
schilderijententoonstelling kunnen vullen, met een doorlopende
variatie van honderden verschillende momenten van lichtval
op water, bij zonsondergang en -opkomst, bij woest water,
stormen op zee, lieflijk verstild water in havens. En met
schepen in nood, schepen in rust. Turner schilderde tussen
de tweehonderd en driehonderd schilderijen van de zee, havens,
wolken, het licht, de mist, stranden, rivieren, schepen
en stormen. En hij maakte nog eens honderden aquarellen.
Het exacte aantal kennen de kunsthistorici niet. In het
begin van zijn loopbaan schilderde en tekende hij ook landschappen,
bij wisselend licht. |
|
| |
Joseph
Mallord William Turner, Dort, or Dordrecht: 'The Dort Packet-Boat
from Rotterdam Becalmed', 1818, olieverf op doek, Yale Center
for British Art, Paul Mellon Collection, New Haven Verenigde
Staten. |
In het Dordrechts Museum waren er in deze tentoonstelling slechts
acht Turners te zien, maar ze zijn schitterend en waren voor het
eerst in Nederland te bewonderen. Om de tentoonstelling nog interessanter
te maken, hadden de curatoren de Nederlandse kunstenares Nicky Assmann
(Utrecht, 1980) aan Turner gekoppeld. Dat bleek een geslaagde opzet.
Op
zoek naar het geheim van het subtiele gouden licht van zijn Nederlandse
collega Albert Cuyp, ontdekte de reislustige Turner in 1817, op
zijn eerste reis naar Holland, in de haven van Dordrecht dat water
en licht verbonden zijn, in talloze intensiteiten, kleuren, reflecties
en wonderschone schakeringen. Twee eeuwen later laat Assmann hetzelfde
zien. Zij laat het licht als een wonder gebeuren, als het ware opnieuw
ontstaan. Die nieuwe beleving van licht komt tot stand via installaties
en experimenten, in kleurenwielen, zonnewijzers, lichtkanonnen,
zeepbellen. Turner romantiseerde de elementen in hun volle glorie,
Assmann laat als kind van deze tijd behalve de grootsheid van de
natuur en het gevarieerde ragfijne karakter van licht, ook de turbulentie
van de natuur zien: de klimaatverandering en het stijgende water.
Turner
werd geboren boven de pruiken- en kapperszaak van zijn vader in
Covent Garden, Londen. Zijn moeder werd na de dood van Williams'
zusje geleidelijk krankzinnig, reden om hem op tienjarige leeftijd
naar een oom te sturen, in Brentford ten westen van Londen, aan
de rivier de Theems. Hij ging op school in Margate, ten zuidoosten
van Londen, aan zee. Al vroeg onderkende zijn vader zijn tekentalent.
Op zijn veertiende mocht hij al naar de Academie en exposeerde vader
Williams' eerste schilderijen in zijn kapperszaak.
De
rivier speelde een centrale rol in zijn leven. William woonde zijn
hele jeugd aan de oevers van de Thames en de Noordzee. Daarna betrok
hij met zijn minnares, Sophia Booth, tot aan zijn dood een bescheiden
huis op de kade van Margate, met uitzicht op de zee. Iedere zomer
maakte hij wel een boottocht door Groot-Brittannië. Toen na
de val van Napoleon de rust in Europa was teruggekeerd, verkende
Turner ook per boot alle grote rivieren op het continent. Zijn reiservaringen,
terug te zien in zo'n driehonderd schetsboekjes, zette hij
thuis om in tekeningen en schilderijen. Om een opstekende storm
op zee zo waarachtig mogelijk weer te geven, liet hij zich eens
vastbinden aan de mast van een schip. Turner was toen 67 jaar.
Hij
sprak na afloop: "Ik bleef vier uur lang vastgebonden en ik
verwachtte niet dat ik het zou overleven. Maar ik voelde me verplicht
om het vast te leggen wanneer ik het wel zou overleven."
(In D. Piper, The genius of British painting, London, 1975, p. 116).
Dit tafereel van een ziedende storm op zee werd het schilderij 'Sneeuwstorm'
(1842). De kunstkritiek in Engeland vond het maar niks, 'een
massa zeepsop en witkalk'. In dit soort schilderijen wilde
Turner vooral sfeer en gevoel weergeven, reden waarom hij wel gezien
wordt als een voorloper van het impressionisme.
In
Dordrecht is de hoofdschotel 'De pakketboot van Rotterdam naar Dordrecht'
(1818), een groot schilderij van rond twee meter vijftig bij een
meter vijftig. In Londen had Turner het schilderij 'Maas bij Dordrecht'
van Albert Cuyp gezien en hij was verbluft door de serene uitstraling.
Twee jaar later ging hij naar Dordrecht om het raadsel van het Cuypiaanse
'gouden' licht zelf te zien. Zijn 'Pakketboot' is duidelijk
geïnspireerd door de 'Maas bij Dordrecht' van Cuyp, maar het
licht van Turner overtreft zelfs het licht van Cuyp. Turner gebruikte
destijds recent ontwikkelde geel- en oranjepigmenten, die ongekend
helder waren. Het resultaat was een betoverende spiegelende waas
op het water, weerkaatsing van zon en lucht, de aanzet van een gouden
ochtendstond, windstil, met een schip in volmaakte harmonie en stilte.
Voor
deze tentoonstelling heeft het Dordrechts Museum samengewerkt met
het Yale Center for British Art in de Verenigde Staten, dat de befaamde
Paul Mellon-collectie herbergt. Zeven werken uit deze collectie
waren hier voor het eerst in Nederland te zien. Turner was ook een
bewonderaar van Jacob van Ruisdael.
| 
|
Beide schilders hebben schepen op een woedende zee vastgelegd,
waarmee Turner dus een aangrijpende ervaring had. Zijn schilderij
'Port Ruysdael' (1826) is qua licht en sfeer een evenknie
van Ruisdael. Dreigende wolken, zeilboten die nauwelijks
overeind weten te blijven. In zijn latere carrière
werd zijn werk abstracter. Op de tentoonstelling is dat
te zien in 'Squally Weather' (1845) en in de 'The Evening
Gun', een zeekust in mezzotint, een graveertechniek waarmee
fluweelachtige grijs- en zwarttinten kunnen worden gemaakt.
Dat licht Turners grote inspiratiebron was, blijkt ook uit
zijn laatste woorden: "The sun is God." |
Joseph
Mallord William Turner, 'Stormy Sea Breaking on a Shore',
tussen 1840 en 1845, olieverf op doek | Yale Center for
British Art, Paul Mellon Collection, New Haven, Verenigde
Staten. |
|
Nicky
Assmann gebruikt dergelijk grote woorden niet, maar de zon is ook
haar grootste inspirator. Voor haar sculptuur 'The Abysses of the
Scorching Sun' (De Afgronden van de Brandende Zon, 2018) bouwde
ze een projector met een draaiend kleurenwiel, een soort lichtkanon
of moderne toverlantaarn. Meebewegend met de zon zet het kunstige
voorwerp de museumzaal, dus ook de kijker, in lichterlaaie. Dankzij
het wiel verglijdt de kleur van zacht rood naar blauw en geel. De
rode gloed heeft een apocalyptisch trekje, volgens de maakster een
waarschuwing dat de aarde ten onder zal gaan. Het blauwe licht geeft
eerder een poëtische associatie, 'wees zuinig op de natuur'.
Assmann studeerde filmwetenschap in Amsterdam en muziek en beeldende
kunst in Den Haag. Ze is lid van het Rotterdamse kunstcollectief
Macular en probeert kunst en technologie in zintuigelijke ervaringen
te verenigen.
Dat
lukt heel mooi met 'Solaris' (2013). In een mechanisch raamwerk
kan de bezoeker via een handvat flinterdunne vliezen van zeepsop
omhoog trekken, waarop dankzij een uitgekiende lichtval, iriserende
kleuren dansen, die we uit onze jeugd kennen van het bellen blazen.
De kleuren spatten uiteen met de bellen. Het werk ruikt naar zeep
en het roept plezierige jeugdherinneringen op. Speciaal voor het
Dordts Museum heeft de kunstenares een alle kanten opdraaiende lichtinstallatie
in elkaar gezet, die gericht staat op een grote schaal in cirkelvorm,
die ook beweegt. De glazen doorschijnende schaal is weelderig gebrandschilderd
met kleuren van geelgroen, tot het bruinzwart van vulkanische steen
en het rood van ijzerrijke aarde. Het is alsof je kijkt naar een
nieuw hemellichaam, spetterend van wisselende kleuren, naar een
planeet die voortdurend verandert van kleur. Het glas draagt ook
geluid voort, het geluid van de diepzee, walvissen, sidderalen en
geluid uit het heelal. Voor dit doorsluizen van geluid gebruikte
ze een zelfgemaakte 'eidophone', waarmee je geluid kunt omzetten
in beelden.
Turner
is tentoongesteld in de rechtervleugel op de eerste museum-etage,
Assmann heeft de linkervleugel tot haar beschikking. De overgang
is een soort sluis die door Assmann met magenta folie is bekleed,
ramen en plafond baden in een smeltend licht. De overgang is geen
schok. Dankzij Assmann besef je des te helderder hoe gevarieerd
het spectrum van licht en donker, kleur en schaduw, zacht en hard,
transparant en dicht is.
|
Al lopend, kijkend en je verbazend over de vele soorten
en kleuren van licht, die de moderne technologie tevoorschijn
weet te toveren, realiseer je je hoe briljant een schilder
als Turner was, die een soortgelijk tovereffect alleen met
verf wist te bereiken. Hij gebruikte olie-, waterverf en
dekkende waterverf (gouache). Hij kraste in de verf, waardoor
deze mengde. Enthousiast probeerde hij nieuwe kleuren uit,
zoals chroomgeel, Pruisisch blauw, ultramarijn. Hij gebruikte
transparante lagen verf om gloed en diepte te creëren,
soms heldere abstracte kleurvelden en experimenteerde met
nieuwe pigmenten. Hij mengde zelf zijn verf, die hij kocht
bij onder andere gespecialiseerde apothekers, met olie of
water. |
|
| |
Nicky
Assmann, 'When the brilliance of light refracts a thousand
times by the water', 2026, Kinetic glass sculpture.
Courtesy of the artist. Foto: Aad Hoogendoorn. |
Zijn
tijd ver vooruit, wist hij de schoonheid van spiegelend water in
de ochtendzon te vangen, de donkere dreiging van samenpakkende wolken
en de vernietigende blauwe-grijze kracht van een stormachtige zee.
Turner romantiseerde de volle glorie van de weerelementen, Assmann
ontleedt hen, laat eveneens de turbulentie van de natuur zien en
waarschuwt voor de klimaatverandering.
Water
& Licht - Met hoogtepunten van J.M.W. Turner uit het Yale Center
for British Art en werk van Nicky Assmann, was te zien van 8 februari
t/m 14 juni 2026 in het Dordrechts Museum. Website: www.dordrechtsmuseum.nl.
Peter
van Dijk is journalist.
Terug
naar boven
| Print dit artikel!
In
memoriam: Cees Dam (1932–2026)
Met
het overlijden van Cees Dam op 13 april 2026 heeft Nederland een architect
verloren die zelden direct met glas wordt geassocieerd, maar voor
wie juist dit materiaal exemplarisch was voor zijn denken. Transparantie,
structuur en beheersing, het zijn kernbegrippen die zowel Dams architectuur
als zijn latere werk in glas doordrongen.
Door
Han de Kluijver
|
In
een tijd waarin architectuur steeds vaker wordt gedomineerd
door beeldcultuur en spektakel, hield Dam vast aan een overtuiging
die zowel eenvoudig als veeleisend is: een gebouw moet niet
alleen functioneren, maar ook betekenis dragen.
Zijn
werk getuigt van een diep vertrouwen in de autonomie van vorm,
zonder ooit de realiteit van gebruik, context en opdrachtgever
uit het oog te verliezen. Geboren in 1932, volgde Cees Dam
de Academie van Bouwkunst in Amsterdam, waar hij in 1963 afstudeerde.
Een jaar later richtte hij zijn eigen bureau op. |
|
| |
|
Zijn vroege werk toont verwantschap met het structuralistische denken,
waarin architectuur wordt opgevat als een samenhangend systeem van
relaties, die resulteerde in gebouwen met een geometrische structuur,
meestal bestaande uit kleine eenheden, gebaseerd op de menselijke
maat. Toch verbond Dam zich nooit dogmatisch aan één
stroming. Zijn oeuvre ontwikkelde zich gestaag en eigenzinnig, met
een toenemende nadruk op helderheid, geometrie en stedelijke ordening,
eigenschappen die later ook zichtbaar werden in het werk van de architecten
Carel Weeber en Wim Quist.
Werk
Cees Dams doorbraak kwam met de Residentie Seinpost (1980) in Scheveningen,
een woongebouw dat zich in een hoefijzervorm opent naar zee. Hier
wordt zichtbaar wat zijn werk blijvend zou kenmerken: architectuur
als een geordend veld waarin wonen, kijken en bewegen in balans worden
gebracht. In de jaren die volgden, realiseerde hij onder meer de Weenaflat
in Rotterdam (1984) en het centrum van de wijk Reigersbos in Amsterdam-Zuidoost
(1984). Spraakmakend waren het Stadhuis Almere (1986) en de Stopera
(1987), waarin stadhuis en Nationale Opera & Ballet samenkwamen.
In deze projecten manifesteerde zich Dams visie op architectuur als
ordenend principe. Zijn gebouwen zijn geen iconen die om aandacht
vragen, maar structuren die het dagelijks leven dragen en verdiepen.
Ze bieden een kader waarin menselijke activiteit zich als vanzelfsprekend
kan ontvouwen, zonder nadrukkelijke gebaren of retoriek. Juist in
die terughoudendheid schuilt hun kracht. Binnen deze architectonische
houding nam glas een bijzondere, zij het vaak ingetogen plaats in.
Niet als spektakel of façade-effect, maar als instrument om
licht, zicht en overgang te organiseren. Transparantie werd bij Dam
nooit doel op zich, maar middel om ruimtelijke relaties te articuleren.
Glas fungeerde als drager van helderheid, zowel letterlijk als conceptueel.
Glas
Die benadering kreeg een geconcentreerde vorm in de glazen objecten
die Cees Dam samen met Siem van der Marel in 2005 ontwierp voor Royal
Leerdam Crystal. Waar Dams gebouwen opereren binnen de complexiteit
van stad en programma, reduceren deze objecten de architectonische
principes tot hun essentie. Vlakken, volumes en ritmes zijn teruggebracht
tot een minimale, maar precieze compositie, waarin licht een actieve
rol speelt. Opvallend is de terughoudendheid van deze werken. In een
veld waarin expressiviteit en virtuositeit vaak domineren, kozen Dam
en Van der Marel voor concentratie en beheersing. Reflectie en het
breken van licht zijn aanwezig, maar worden nooit nadrukkelijk geëxploiteerd.
Het glas manifesteert zich niet als spektakel, maar als medium dat
ruimte zichtbaar maakt en tegelijkertijd nuanceert. Het zijn objecten
die niet imponeren door vorm, maar door hun precisie en hun vermogen
om waarneming te vertragen. In die zin kunnen deze glazen objecten
worden gelezen als miniaturen van Cees Dams architectuur. Net als
in zijn gebouwen is er sprake van een heldere ordening, zorgvuldige
maatvoering en een subtiel spel tussen openheid en begrenzing. Glas
is hier niet alleen materiaal, maar werd ook methode – een manier
van denken waarin transparantie samenvalt met structuur.
In stilte aanwezig
Cees Dam laat een oeuvre na waarin de spanning tussen gebruik en betekenis
centraal staat. De waarde van zijn werk ligt niet in zichtbaarheid
of spektakel, maar in duurzaamheid, precisie en een ingetogen vorm
van schoonheid. Ook in zijn beperkte maar betekenisvolle bijdrage
aan de glaskunst, toonde hij dat helderheid geen vanzelfsprekendheid
is, maar het resultaat van discipline en aandacht. Met zijn overlijden
verdwijnt een architect die architectuur beschouwde als een culturele
discipline van betekenis en die, juist in glas, liet zien hoe materiaal,
licht en ruimte samenvallen in een stille, maar blijvende vorm van
aanwezigheid.
Han de Kluijver
is architect bna bni bnsp.
Terug
naar boven
| Print dit artikel!
Korte
berichten
Ter
gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van Vleeshal Middelburg
presenteren ArtBase Terneuzen en Vleeshal centrum voor hedendaagse
kunst, samen met M HKA Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen en acht
Zeeuwse instellingen het grootschalige tentoonstellingsproject Vleeshal
Collectie On Tour, met werken van onder anderen: Marlow Moss, Rossella
Biscotti, Sara Blokland, Marinus Boezem, Jimmie Durham, Maartje Korstanje,
Pipilotti Rist en Marijke van Warmerdam. Al meer dan vijftig jaar
presenteert Vleeshal tentoonstellingen in de voormalige vleeshal van
het gotische stadhuis van Middelburg, van de conceptuele kunst van
de jaren zeventig tot beeldhouwkunst, tekenkunst, performance, installatie
en nieuwe media. De Vleeshal-collectie startte in de jaren zeventig
en werd in 2005 in langdurige bruikleen gegeven aan het M HKA Antwerpen.
Met Vleeshal Collectie On Tour keert deze collectie op bijzondere
wijze terug naar Zeeland. Deelnemende musea en kunstinstellingen
(onder voorbehoud): Catharina Maria Hof (Kamperland): Ola
Vasiljeva; De Bewaerschole (Burgh-Haamstede): Róza
El-Hassan; Grote Kerk Veere: Maartje Korstanje;
Marie Tak van Poortvliet Museum Domburg: Marinus Boezem;
Museum Het Bolwerk (IJzendijke): Rossella Biscotti;
Museum Het Warenhuis (Axel): Terry Fox; VierVaart
(Groede): Marijke van Warmerdam; Watersnoodmuseum
(Ouwerkerk): Pipilotti Rist. De tentoonstelling
Vleeshal Collectie On Tour is nog t/m 13 september 2026 te zien. Website:
www.vleeshal.nl.
Dit
najaar presenteert het Kröller-Müller Museum een bijzondere
primeur: alle 88 schilderijen van Vincent van Gogh
uit de collectie zijn tegelijkertijd te zien. Museumgrondlegger Helene
Kröller-Müller stelde de grootste particuliere collectie
ter wereld van deze bijzondere kunstenaar samen. Van Gogh wordt gezien
als een van de grootste schilders van de 19de eeuw, ook al werd zijn
werk pas na zijn dood wereldberoemd. De tentoonstelling Van Gogh,
al onze schilderijen neemt bezoekers mee langs de drie thema’s
die als een rode draad door Van Goghs werk lopen: geloof, hoop en
liefde. Met zijn kunst wilde Van Gogh mensen troost en inspiratie
bieden. Helene Kröller-Müller voelde zich sterk verbonden
met de manier waarop hij betekenis en spiritualiteit vond in het dagelijks
leven, in de mens en in de natuur. Omdat veel van Van Goghs meesterwerken
regelmatig worden uitgeleend aan musea over de hele wereld, krijgen
bezoekers zelden de kans om de collectie in haar geheel te zien. Voor
liefhebbers van Van Gogh is deze tentoonstelling dan ook een unieke
kans en een absolute must-see. Het is voor het eerst sinds 1984 dat
alle schilderijen samen worden getoond. De tentoonstelling Van
Gogh, al onze schilderijen is te zien van 15 september 2026 t/m 3
januari 2027, Kröller-Müller Museum, Houtkampweg 6, Otterlo.
Website: www.krollermuller.nl.
Keramiekmuseum
Princessehof presenteert een tentoonstelling over studioZAND.
Het atelier ontvangt dit jaar de Van Achterberghprijs vanwege hun
bijzondere bijdrage aan de ontwikkeling van keramische kunst en keramiek
in Nederland. De expositie toont een greep uit vroeg, recent en gezamenlijk
werk, en objecten die in dit atelier zijn gemaakt door en voor andere
ontwerpers, waarmee een overzicht van de geschiedenis van de keramiekstudio
wordt geschetst. StudioZAND werd in 2003 opgericht door Frans Ottink
en Erna Huppelschoten. Ottink ontwerpt dan al vijftien jaar serviesgoed
in porselein, met heldere vormen en subtiele details. Huppelschoten
maakt sieraden van verschillende materialen, waaronder zilver en porselein.
In hun atelier in Amersfoort maken ze niet alleen autonoom werk; ze
ondersteunen ook zowel beginnende als gevestigde ontwerpers. Elke
twee jaar reikt de stichting Van Achterbergh-Domhof de Van Achterberghprijs
uit aan een persoon of instelling die een bijzondere bijdrage heeft
geleverd aan de ontwikkeling van de keramische kunst in Nederland.
De stichting is opgericht door keramiekkenner en -verzamelaar Jacob
van Achterbergh (1928-2009) voor de bevordering van toegepaste kunsten,
in het bijzonder keramiek. De winnaar van de oeuvreprijs ontvangt
een bedrag van €15.000 en een tentoonstelling in Keramiekmuseum
Princessehof. De prijsuitreiking vindt plaats op 26 september 2026
in de Grote Kerk in Leeuwarden. De tentoonstelling Van Achterberghprijs
2026: studioZAND is te zien t/m 10 januari 2027 in Keramiekmuseum
Princessehof, Grote Kerkstraat 9, Leeuwarden. Website: www.princessehof.nl
en studiozand.nl.
Het Centraal
Museum presenteert Godenschemering – Frans Franciscus,
een omvangrijke solotentoonstelling van de kunstenaar Frans Franciscus
(Utrecht, 1959) die schilderijen en keramiek uit vier decennia samenbrengt
met topstukken uit de collectie van het Centraal Museum. De titel
Godenschemering verwijst naar de omwenteling in de kunstwereld
rond 1980, toen een nieuwe generatie figuratieve kunstenaars naar
voren trad. Frans Franciscus behoorde daartoe en ontwikkelde een geheel
eigen beeldtaal waarin kunstgeschiedenis, humor en maatschappijkritiek
samenkomen. Al meer dan veertig jaar verbeeldt hij op kritische en
scherpzinnige wijze thema's als diversiteit, identiteit en onrecht
– thema's die vandaag actueler zijn dan ooit. Franciscus zet
daarvoor de kunstgeschiedenis in: zijn werk wortelt in de traditie
van meesters uit verschillende tijden. In zijn schilderijen zie je
onder anderen schilders, queer personen en figureren ontleend aan
christelijke heiligen. Door historische motieven te verbinden met
eigentijdse situaties laat hij zien hoe menselijke verlangens, conflicten
en gedragingen door de eeuwen heen verrassend herkenbaar blijven.
Speciaal voor de tentoonstelling realiseerde Franciscus het monumentale
drieluik No Masters or Kings When the Ritual Begins (2025).
Een bijzonder onderdeel van de tentoonstelling vormt de gedeeltelijke
reconstructie van het atelier van Franciscus uit zijn studietijd aan
de Utrechtse kunstacademie. Gelijktijdig met de tentoonstelling verschijnt
bij WBOOKS de publicatie Godenschemering | F. Franciscus –
schilder in gevecht met de kunstgeschiedenis van gastcuratoren
Paul van den Akker en Claar Griffioen. De
tentoonstelling Godenschemering – Frans Franciscus
is te
zien van 10 juli t/m 22 november 2026 in het Centraal Museum, Agnietenstraat
1, Utrecht. Website: www.centraalmuseum.nl.
Building
a House Without Bricks in de Appel in Amsterdam bestaat uit
een publieksprogramma en een tentoonstelling georganiseerd door damdam,
een collectief van collectieven met deelnemers aan het Curatorial
Programme van de Appel, de tijdelijke masteropleiding Lumbung Practice
van het Sandberg Instituut en Gudskul, Jakarta. Het festival richt
zich op het ontwikkelen van methoden voor collectieve organisatie
in tijden van crisis, en is opgebouwd rond drie centrale vragen: Hoe
organiseren we ons? Hoe verdelen we arbeid en middelen? Hoe delen
we wat we produceren? Deze tentoonstelling in de Appel is de tweede
akte, na een publieksprogramma in OT301 in juni 2026. Hier wordt de
bezoeker uitgenodigd in ons huis, waar we ons richten op fysieke en
materiële structuren; op objecten en het potentieel van herverdeling
van middelen door middel van transvestment (het overbrengen van middelen
van het ene waardesysteem naar het andere). De objecten zijn gemaakt
in opdracht van de verschillende collectieven binnen damdam,
die instructies hebben gedeeld om gezamenlijk een huis te bouwen dat
aansluit bij de behoeften voor het in stand houden van collectieve
praktijken. Met deze objecten wordt een huis gebouwd dat middelen
kan omzetten naar de lokale context van elk collectief, met behulp
van een raamwerk dat het productiebudget en de vergoedingen in evenwicht
brengt met hun behoeften. Building a House Without Bricks
streeft ernaar om via deze infrastructuren en objecten een huis voor
de collectieven binnen damdam te creëren, om te blijven
oefenen, samenkomen en van elkaar te leren. De tentoonstelling
Building a House Without Bricks is t/m 14 augustus 2026 te zien in
de Appel, Tolstraat 160, Amsterdam. Website: www.deappel.nl.
Samenstelling:
Rob den Boer
Terug
naar boven
|
|